ECLI:NL:RBMNE:2025:7199

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/16/536650 / FL RK 22-307
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en wijziging kinderalimentatie in een familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 29 december 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure tussen een vader en een moeder over de erkenning van hun dochter, gezag, omgang en kinderalimentatie. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. M.H. Aalmoes, verzocht om vervangende toestemming voor de erkenning van zijn dochter, die geboren is op [2017] in [plaats 1]. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. I.M.G. Maste, voerde verweer tegen de verzoeken van de vader. De rechtbank had eerder op 3 april 2025 de beslissing over de kinderalimentatie, erkenning, gezag en omgangsregeling aangehouden in afwachting van een DNA-onderzoek. Dit onderzoek bevestigde dat de vader de biologische vader is van het kind.

De rechtbank verleende de vader toestemming om zijn dochter te erkennen, omdat de erkenning in het belang van de identiteitsontwikkeling van het kind is. De rechtbank oordeelde dat er geen redenen waren om de erkenning te weigeren, aangezien de belangen van de moeder niet geschaad zouden worden. De vader kreeg echter geen gezag over het kind, omdat de rechtbank twijfels had over de samenwerking tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor het kind. De moeder blijft alleen het gezag uitoefenen.

Wat betreft de omgangsregeling, stelde de rechtbank vast dat het kind in de oneven weken van vrijdag na de buitenschoolse opvang tot zaterdag 19.00 uur bij de vader verblijft. De rechtbank wijzigde ook de kinderalimentatie, waarbij de vader vanaf 27 februari 2020 € 25,- per maand moet betalen. De rechtbank verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor de erkenning, die pas na drie maanden kan worden geregistreerd bij de burgerlijke stand. De proceskosten werden door beide partijen zelf gedragen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Almere
zaaknummer: C/16/536650 / FL RK 22-307
Beschikking van 29 december 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.H. Aalmoes,
tegen
[de moeder],
wonende in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. I.M.G. Maste,
met als belanghebbende
mr. D.G. Nagel
kantoorhoudende in Almere,
als bijzondere curator over
[minderjarige], geboren op [2017] in [plaats 1] .

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 3 april 2025 de beslissing over de kinderalimentatie, de erkenning, het gezag en de definitieve omgangsregeling aangehouden in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek.
1.2.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van de vader over de uitslag van het DNA-onderzoek (met bijlage) van 31 maart 2025;
  • het advies van de bijzondere curator van 7 april 2025;
  • het bericht van de moeder van 18 april 2025;
  • de bijlagen van de vader van 14 november 2025;
  • het bericht (met bijlagen) van de moeder van 18 november 2025;
  • het bericht (met bijlagen) van de moeder van 21 november 2025.
1.3.
De rechter heeft op 27 november 2025 een gesprek gehad met [minderjarige (voornaam)] .
1.4.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader en zijn advocaat;
  • de moeder en haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • [A] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
De moeder is bevallen van een dochter:
[minderjarige], geboren
op [2017] in [plaats 1] . [minderjarige (voornaam)] woont bij de moeder.
2.3.
[minderjarige (voornaam)] is niet erkend.
2.4.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] . Dat betekent dat de moeder de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] moet nemen.
2.5.
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2025 de voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] in die zin gewijzigd dat de vader in de even weken [minderjarige (voornaam)] op vrijdagmiddag ophaalt uit de BSO en haar op zondag om 19.00 uur naar het station [plaats 2] Centrum brengt, waarbij de moeder [minderjarige (voornaam)] ophaalt.
2.6.
De vader verzoekt om:
- de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2020 over de vaststelling van de kinderalimentatie in die zin te wijzigen dat wordt vastgesteld dat de vader alsnog geen onderhoudsbijdrage is verschuldigd en indien de vader wel de biologische vader blijkt te zijn dat de onderhoudsbijdrage met ingang van 27 februari 2020 op nihil wordt vastgesteld, meer subsidiair verzoekt de vader om zijn onderhoudsbijdrage vast te stellen op € 16,67 per maand met als ingangsdatum
8 februari 2022;
  • een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige (voornaam)] ieder weekend van vrijdag na school tot zondag 15.00 uur bij de vader verblijft met uitzondering van ieder eerste weekend van de maand;
  • – indien de vader de biologische vader van [minderjarige (voornaam)] blijkt te zijn – aan hem vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige (voornaam)] te verlenen;
  • – indien de vader de biologische vader van [minderjarige (voornaam)] blijkt te zijn – hem samen met de moeder met het gezag over [minderjarige (voornaam)] te belasten.
2.7.
De moeder voert verweer. Zij vindt dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken, dan wel dat deze moeten worden afgewezen.

3.De beoordeling

Erkenning
De vader krijgt toestemming om [minderjarige (voornaam)] te erkennen
3.1.
De rechtbank zal toestemming verlenen aan de vader om [minderjarige (voornaam)] te erkennen. Uit het verrichte DNA onderzoek is – conform de verwachting van de moeder – gebleken dat de vader de biologische vader van [minderjarige (voornaam)] is. Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. [1]
3.2.
De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige (voornaam)] dat officieel wordt vastgelegd wie haar vader is. Niet is gebleken dat de erkenning door de vader de ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] zal schaden of de relatie tussen de moeder en [minderjarige (voornaam)] zal verstoren. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het daarmee eens. Door deze beslissing wordt de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid, door de vader te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige (voornaam)] als haar vader. De rechter vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de vader is van [minderjarige (voornaam)] , zodat niemand daarover later kan twijfelen. De rechtbank merkt daarbij op dat door de erkenning de geslachtsnaam van [minderjarige (voornaam)] niet zal veranderen.
De vader moet nog wel naar de gemeente
3.3.
De beslissing over de erkenning van de rechtbank wordt niet automatisch geregistreerd bij de burgerlijke stand. Om de beslissing te laten registeren, moet de vader met deze beschikking naar de gemeente (afdeling burgerlijke stand). Dit kan pas na het verstrijken van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking. Dit is de termijn voor het instellen van hoger beroep. Als binnen die termijn geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing over de erkenning, is die beslissing onherroepelijk. Om de beslissing te laten registreren bij de gemeente, moet de man een verklaring non-appèl opvragen bij de rechtbank. Deze verklaring houdt in dat niemand in hoger beroep is gegaan van de beslissing. De verklaring non-appèl moet de vader ook meenemen naar de gemeente om de erkenning te laten registreren. De registratie van de beslissing over de erkenning kan bij iedere willekeurige gemeente in Nederland plaatsvinden. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt dan de akte van erkenning op en voegt deze als latere vermelding toe aan de geboorteakte van [minderjarige (voornaam)] .
3.4.
Omdat er een beslissing over de erkenning wordt genomen, is de betrokkenheid van de bijzondere curator niet langer nodig. De rechtbank bedankt de bijzondere curator voor haar werkzaamheden en zal haar taak als bijzondere curator over [minderjarige (voornaam)] beëindigen.
Gezag en omgang
De vader krijgt geen gezag over [minderjarige (voornaam)]
3.5.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over [minderjarige (voornaam)] te worden belast afwijzen. Dit betekent dat de moeder alleen het gezag blijft uitoefenen en dus zelf de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] blijft nemen. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.
3.6.
De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat het de ouders gaat lukken om samen de belangrijke beslissingen voor en over [minderjarige (voornaam)] te nemen. De rechtbank vindt, net als de Raad, dat er een risico is dat als de ouders samen het gezag hebben [minderjarige (voornaam)] de dupe zal worden van de slechte verstandhouding tussen de ouders [2] . De verhoudingen tussen de ouders zijn al jarenlang gespannen en het lukt hen niet om samen te werken in het belang van [minderjarige (voornaam)] . De moeder probeert wel regelmatig met de vader te communiceren over [minderjarige (voornaam)] , maar de vader wil niet met haar in overleg. De vader heeft veel moeite met de manier waarop de ouders uit elkaar zijn gegaan en ervaart nog altijd veel boosheid richting de moeder. Daarnaast weegt ook mee dat de vader niet betrouwbaar is in het nakomen van zijn afspraken. Hoewel het de vader was die een DNA-onderzoek wilde laten verrichten in het kader van de erkenning, duurde dit uiteindelijk bijna drie jaar omdat hij telkens zijn afspraken niet nakwam. Ook komt de vader de omgangsregeling niet na en treed hij regelmatig uit het contact met [minderjarige (voornaam)] . De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] dat opvoedbeslissingen voortaan niet of te laat tot stand komen. Dat de vader geen gezag krijgt, wil overigens niet zeggen dat hij geen grotere rol in het leven van [minderjarige (voornaam)] kan spelen. De rechtbank benadrukt dat de omgang los staat van het gezag en dat het in het belang van [minderjarige (voornaam)] is dat de focus op een prettige omgang tussen haar en haar vader komt te liggen.
Omgangsregeling
3.7.
De rechtbank stelt de volgende omgangsregeling vast: [minderjarige (voornaam)] verblijft in de oneven weken van vrijdag na de buitenschoolse opvang (bso) tot zaterdag 19.00 uur bij de vader, waarbij de vader haar op de bso ophaalt en op zaterdag terugbrengt naar station [plaats 2] Centrum.
3.8.
Deze omgangsregeling vindt de rechtbank het meeste in het belang van [minderjarige (voornaam)] . De ouders hebben samen afspraken gemaakt over een voorspelbare omgangsregeling, welke voor de vader ook haalbaar is. Eerder lukte het de vader regelmatig niet om de omgangsregeling na te komen. Dit kwam mede door zijn gezondheidsproblemen omdat hij geen vaste woonruimte heeft en zijn aandacht ook moet verdelen over zijn twee andere kinderen. Hoewel [minderjarige (voornaam)] ontzettend graag naar haar vader toegaat, zorgde het bij haar voor teleurstelling wanneer de vader (zonder bericht) zijn afspraken niet nakwam.
3.9.
Omdat de vader op dit moment geen eigen woonruimte heeft, hebben de ouders afgesproken dat de vader met [minderjarige (voornaam)] zal overnachten bij zijn zus in [plaats 1] of bij zijn broer in [plaats 3] . De Raad heeft benadrukt dat het in verband met de lange reistijd niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] is dat de vader haar voor één nacht meeneemt naar België, waar hij eerder een periode verbleef. Verder is tijdens de zitting gebleken dat het voor de vader emotioneel lastig is als de partner van de moeder [minderjarige (voornaam)] bij het station in [plaats 2] ophaalt. De moeder heeft uitgelegd dat zij [minderjarige (voornaam)] in principe ophaalt, maar dat als de vader de tijden van de omgang eenzijdig aanpast het voor haar niet met haar werk te regelen valt om eerder weg te kunnen. Het is dus belangrijk dat de vader zich aan de omgangsregeling houdt of tijdig met de moeder afwijkende afspraken maakt. Omdat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt hebben zij afgesproken om samen met een mediator te gaan kijken wat haalbaar is in de verbetering van hun communicatie over de omgang. Zij kunnen dan bijvoorbeeld ook afspraken maken over wanneer de moeder [minderjarige (voornaam)] kan bellen tijdens een omgangsmoment met de vader, zodat ze weet dat het goed met [minderjarige (voornaam)] gaat. De rechtbank zal de procedure hier niet voor aanhouden. Het staat de ouders natuurlijk wel vrij om samen opnieuw in overleg te gaan over de omgangsregeling en hier eventueel in samenspraak wijzigingen in aan te brengen. Komen zij er samen niet uit, dan zal de omgangsregeling gelden zoals de rechtbank deze nu vaststelt.
Kinderalimentatie
3.10.
De rechtbank wijzigt de beschikking van 27 februari 2020 in die zin dat zij beslist dat de vader bij vooruitbetaling een bedrag van € 25,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige (voornaam)] moet betalen, vanaf 27 februari 2020. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.
Standpunt vader
3.11.
De vader vindt dat bij het vaststellen van de kinderalimentatie in 2020 door de rechtbank is uitgegaan van onjuiste dan wel onvolledige gegevens en dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht op nihil moet worden gesteld, dan wel met ingang van
8 februari 2022 op € 16,67 moet worden vastgesteld. Door zijn verblijf in het buitenland was de vader – tot hij op 15 april 2021 bericht ontving van het LBIO over een betalingsachterstand – niet op de hoogte van de vorige procedure. Hierdoor waren zijn gegevens niet bekend bij de rechtbank. De vader vindt dat de moeder hem over de procedure had moeten informeren omdat zij regelmatig contact hadden. Bovendien wist de moeder volgens hem dat hij geen draagkracht had om € 268,21 per maand aan kinderalimentatie te betalen. De vader stelt zich op het standpunt dat hij de gehele periode waarover de kinderalimentatie is vastgesteld en ook op dit moment nog altijd geen draagkracht heeft om kinderalimentatie voor [minderjarige (voornaam)] te betalen. Zo zat hij een aanzienlijk deel van de periode in detentie, waardoor het hem niet lukte om een inkomen te genereren. De vader heeft uitgelegd dat hij in de periode van augustus 2019 tot en met februari 2020 een WW-uitkering kreeg, in de periode van februari 2020 tot en met 29 maart 2021 helemaal geen inkomen had wegens zijn verblijf in het buitenland en hij met ingang van 30 maart 2021 een bijstandsuitkering ontvangt. Ook vindt de vader dat er rekening mee moet worden gehouden dat hij ook draagplichtig is voor zijn twee andere kinderen.
Standpunt moeder
3.12.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de vader. De moeder vindt dat het de verantwoordelijkheid van de vader was om zijn post te ontvangen en daarnaast had haar advocaat de vader ook een email gestuurd over de procedure. Ook betwist de moeder dat de vader tijdens de vorige procedure in het buitenland/detentie verbleef. Volgens de moeder valt het dus de vader te verwijten dat hij nooit op de berichten heeft gereageerd en geen verweer heeft gevoerd in de eerdere procedure over de kinderalimentatie. Verder vindt de moeder de inkomsten van de vader onduidelijk. Uit zijn inkomstenbelastingaangifte van 2019 blijkt niet welk deel van dat jaar hij nog een inkomen had uit arbeid en welke periode hij een WW-uitkering ontving. Ook vindt de moeder het zeer onwaarschijnlijk dat de vader geen inkomsten had toen hij in het buitenland verbleef. De vader werkte in België en had bovendien inkomsten uit drugshandel (bolletjes slikken en deze vanuit Suriname de Nederlandse grens over smokkelen). De vader stelt verder ten onrechte dat hij draagplichtig is voor zijn twee andere kinderen. Dit blijkt niet uit zijn inkomstenbelastingaangifte en bovendien is zijn oudste dochter [B (voornaam)] inmiddels meerderjarig. Verder heeft de vader een verdiencapaciteit. Hij werkte eerder op [locatie] en zou daar zo weer aan de slag kunnen. Dit betekent dat de vader het inkomen waarvan de rechtbank eerder is uitgegaan dus door de vader kan worden verdient. Daarnaast heeft de vader ook nog eens extra inkomsten uit de drugshandel. Tot slot is de moeder het niet eens met het verzoek van de vader om de kinderalimentatie te wijzigen met terugwerkende kracht. De vader heeft lang, in ieder geval een jaar, gewacht tot het indienen van zijn verzoek en dit dient voor zijn risico en rekening te komen. Bovendien heeft de moeder de vastgestelde bijdrage al uitgegeven aan de noodzakelijke verzorging van [minderjarige (voornaam)] .
De reden voor de wijziging voor een wijziging
3.13.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als deze eerder niet goed is berekend omdat de rechtbank eerder is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. [3] De rechtbank kan de kinderalimentatie ook opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn
gewijzigd. [4] Van beide situaties is in dit geval sprake. De vader is in 2020 niet verschenen in de procedure. Hierdoor heeft hij niet zijn financiële gegevens inzichtelijk gemaakt, waardoor de kinderalimentatie destijds is vastgesteld zonder dat de juiste of volledige gegevens bekend waren. Bovendien is ook sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat de vader inmiddels een uitkering op bijstandsniveau ontvangt.
De ingangsdatum
3.14.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 27 februari 2020, omdat de kinderalimentatie vanaf die datum op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is berekend.
3.15.
De rechtbank zal beslissen dat de vader vanaf 27 februari 2020 € 25,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, wat betekent dat de vader de kinderalimentatie voor zover hij deze nog niet aan de moeder heeft betaald alsnog aan de moeder moeten betalen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat zij vindt dat de vader over een hele lange periode heeft laten zien dat hij onvoldoende draagkracht had om het vastgestelde bedrag van € 268,21 per maand aan kinderalimentatie te kunnen betalen. De vader heeft al een lange tijd een uitkering en van daaruit wordt hij ook gemotiveerd om weer te gaan werken. Dat dit niet is gelukt komt mede door de slechte gezondheid van de vader en doordat hij zijn leven nog niet op de rit heeft gekregen. De verdiencapaciteit van de vader is dus beperkt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de kinderalimentatie in de periode dat de vader in detentie zat op nihil te stellen. Dat de vader in detentie zat komt voor zijn risico en dus rekening. De rechtbank gaat er vanuit dat de vader in ieder geval het minimale bedrag van € 25,- per maand aan kinderalimentatie kan betalen en daarnaast de verblijfsoverstijgende kosten voor de momenten waarop [minderjarige (voornaam)] bij hem verblijft.
Alimentatie vooruitbetalen
3.16.
De rechtbank beslist dat de vader de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet blijven betalen, zoals in de eerdere procedure door de moeder is verzocht. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.17.
De rechtbank zal de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren, behalve de beslissing over de erkenning. Een beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal de beslissing over de erkenning niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand de geboorteakte pas kan aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.
Proceskosten
3.18.
De rechtbank zal bepalen dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij geen reden ziet om een van partijen in de kosten te veroordelen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent aan
[de vader], geboren op [1975] in [.] ( Suriname ), toestemming om te erkennen:
[minderjarige], geboren op [2017] in [plaats 1] ;
4.2.
beëindigt de taak van mr. D.G. Nagel als bijzondere curator over [minderjarige (voornaam)] in deze procedure;
4.3.
stelt de volgende omgangsregeling vast: [minderjarige (voornaam)] verblijft in de oneven weken van vrijdag na de buitenschoolse opvang tot zaterdag 19.00 uur bij de vader, waarbij de vader haar op de buitenschoolse opvang ophaalt en op zaterdag terugbrengt naar station [plaats 2] Centrum ;
4.4.
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 27 februari 2020 van deze rechtbank, en bepaalt dat de deze kinderalimentatie vanaf 27 februari 2020 € 25,- per maand bedraagt, iedere voor de eerste van die maand te betalen;
4.5.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de erkenning betreft;
4.6.
bepaalt dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
4.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.R. Scharrenborg, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. F.M. de Hart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Atema (rechter) op 29 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1: 204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:253c lid 2 onder a BW
3.Artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek.
4.Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.