Uitspraak
1.[eiseres] ,
2.
[eiser],
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een gezamenlijk verzoek van twee partijen, [eiseres] en [eiser]. De partijen, die een affectieve relatie hadden, hadden op 20 juli 2022 een huurovereenkomst gesloten met Woningstichting GoedeStede voor een woning in Almere. Na de beëindiging van hun relatie is [eiser] in oktober 2025 uit de huurwoning vertrokken.
De partijen hebben op basis van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gezamenlijk verzoek ingediend om te bepalen dat [eiser] de huurovereenkomst niet langer zal voortzetten. De kantonrechter heeft overwogen dat artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, wat betekent dat de huurder kan vorderen dat de rechter bepaalt dat de huurovereenkomst met ingang van een door de rechter te bepalen tijdstip niet langer zal voortgezet worden.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de vorderingen van [eiseres] en [eiser] niet zijn weersproken en op de wet zijn gegrond. Daarom heeft de kantonrechter beslist dat [eiser] de huurovereenkomst met ingang van 1 december 2025 niet langer zal voortzetten en dat de toewijzing van het huurrecht aan [eiseres] werking heeft tegenover de verhuurder, Woningstichting GoedeStede. De overige vorderingen zijn afgewezen.