ECLI:NL:RBMNE:2025:7212

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
11952341 \ MV EXPL 25-182 D/51246
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 huurovereenkomstArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en betaling huurachterstand bedrijfsruimte na verstekvonnis

In deze kortgedingprocedure vorderen eiseres partijen ontruiming van een bedrijfsruimte en betaling van een huurachterstand met contractuele boete van de gedaagde, die niet is verschenen en verstek is verleend.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen grotendeels gegrond zijn, maar wijst af de vorderingen die zien op toekomstige kosten zoals extra aanmaningskosten, contractuele boetes over toekomstige huurtermijnen, en schadevergoeding wegens onduidelijkheid over schade aan de bedrijfsruimte. Ook buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De huurachterstand inclusief voorschot nutsvoorzieningen en de contractuele boetes over de achterstallige termijnen worden toegewezen. De ontruiming wordt bevolen, maar de machtiging tot zelfuitvoering wordt afgewezen als overbodig. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand met boete, proceskosten en wettelijke rente na verstek.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11952341 \ MV EXPL 25-182 D/51246
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025 met 13 producties;
- de e-mail van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] van 10 december 2025;
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 17 december 2025 was [eiser sub 1] aanwezig, bijgestaan door zijn zoon [gemachtigde] . [gedaagde] was niet aanwezig.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurt van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] . [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen onder meer ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van de huurachterstand met de contractuele boete van 10%. De voorzieningenrechter zal de vorderingen grotendeels toewijzen.
3. De beoordeling
Verstek tegen [gedaagde]
3.1.
[gedaagde] heeft niet gereageerd op de vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en is ook niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Bij de dagvaarding zijn de in de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. Daarom zal de voorzieningenrechter verstek tegen [gedaagde] verlenen. Dat betekent dat het kort geding buiten de aanwezigheid van [gedaagde] behandeld kan worden.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
3.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen.
De vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden grotendeels toegewezen
3.3.
Omdat [gedaagde] niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, moet de voorzieningenrechter alleen beoordelen of de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] onrechtmatig of ongegrond zijn. Dat is voor een aantal vorderingen het geval. Zo vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] betaling van extra kosten op grond van artikel 33 van Pro de huurovereenkomst. Uit deze bepaling volgt dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een bedrag van € 25,- bij [gedaagde] in rekening mogen brengen voor elke benodigde herinnering of aanmaning. Het is niet de taak van de voorzieningenrechter om aan de hand van de door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ingediende producties te berekenen op welk bedrag [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aanspraak kunnen maken. Voor zover [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben bedoeld om de kosten voor toekomstige aanmaningen of herinneringen te vorderen, zijn deze kosten nog niet opeisbaar. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom afwijzen.
3.4.
Daarnaast vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de contractuele boete van 10% over de toekomstige huurtermijnen. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen. De contractuele boete over de toekomstige huurtermijnen is nog niet opeisbaar.
3.5.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen ook een vergoeding voor de schade die zij eventueel aan de bedrijfsruimte (naar de voorzieningenrechter begrijpt: door toedoen van [gedaagde] ) lijden. Op dit moment is nog onduidelijk of er schade aan de bedrijfsruimte is en zo ja, of [gedaagde] daarvoor aansprakelijk is, om welke schade het gaat en hoe hoog de kosten voor het herstel van de schade zijn. De voorzieningenrechter zal de vordering daarom afwijzen.
3.6.
Verder vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in de dagvaarding geen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten genoemd. Zij hebben ook niet duidelijk gemaakt wat de grondslag van deze vordering is en hoe de vordering zich verhoudt tot de extra kosten die worden genoemd in artikel 33 van Pro de huurovereenkomst.
3.7.
De voorzieningenrechter merkt verder op dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dubbele vorderingen hebben ingesteld. Zo vorderen zij betaling van de huurachterstand tot en met de maand oktober 2025 inclusief een doorbelast voorschot voor de nutsvoorzieningen, te vermeerderen met een bedrag van € 45,- per maand aan voorschot op de kosten voor de nutsvoorzieningen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen ook de contractuele boetes dubbel. De voorzieningenrechter zal de huurachterstand inclusief het doorbelaste voorschot voor de nutsvoorzieningen en de contractuele boetes toewijzen zoals vermeld onder de beslissing.
3.8.
De voorzieningenrechter zal ook de vordering tot ontruiming toewijzen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren zal worden afgewezen, omdat zij op grond van artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overbodig is.
3.9.
De overige vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10.
[gedaagde] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben geen recht op salaris gemachtigde en nakosten, omdat zij zich hebben laten bijstaan door een familielid. De proceskosten van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,55
- griffierecht
257,00
Totaal
402,55
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld onder de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de gehuurde ruimte aan de [adres] in [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn, en om het gehuurde met afgifte van de sleutels en de afstandsbediening van het dock (rolluik) ter vrije beschikking van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te betalen:
I. € 2.621,- aan achterstallige huur inclusief het voorschot op de kosten voor de nutsvoorzieningen tot en met 31 oktober 2025, te vermeerderen met de contractuele boete van 10% over de huurtermijnen van in totaal € 2.541,-;
II. € 1.270,50 aan huur per maand vanaf 1 november 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
III. € 45,- aan voorschot op de kosten voor de nutsvoorzieningen per maand vanaf 1 november 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 402,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.