ECLI:NL:RBMNE:2025:7214

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/16/578595 / HA ZA 24-367
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding wegens tekortkoming in nakoming aanneemovereenkomst

De Stichting Woonin heeft een procedure gevoerd tegen een aannemingsbedrijf wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een aanneemovereenkomst. In een tussenvonnis van 30 april 2025 werd reeds vastgesteld dat gedaagde tekort is geschoten en dat Woonin recht heeft op vervangende schadevergoeding.

In dit eindvonnis heeft de rechtbank de omvang van de schade vastgesteld op €80.540,79, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 13 oktober 2023. Daarnaast is gedaagde veroordeeld tot betaling van contractuele korting, minderwerk, onverschuldigde termijn en buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank heeft de vorderingen van Woonin grotendeels toegewezen, met uitzondering van enkele posten die onvoldoende waren onderbouwd of in strijd met de goede procesorde werden ingediend.

De rechtbank heeft ook het bezwaar van gedaagde tegen vermeerdering van eis deels afgewezen en de proceskosten aan Woonin toegewezen. De reconventionele vorderingen van gedaagde zijn afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van ruim €80.000 aan schadevergoeding en bijkomende kosten aan Woonin wegens tekortkoming in nakoming van de aanneemovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/578595 / HA ZA 24-367
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
STICHTING WOONIN,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Woonin,
advocaat: mr. D. Timmerman te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. L.M. Goeree en mr. A. Ben Daoued te Zwolle.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2025;
- de akte van Woonin en vermeerdering van eis van 11 juni 2025 met producties 45 tot en met 58 en bijlage A.1 tot en met bijlage B.9;
- de antwoordakte van [gedaagde] van 23 juli 2025 tevens bezwaar tegen de vermeerdering van eis met productie 31;
- de akte uitlating van Woonin van 3 september 2025 over productie 31 en overlegging productie 59;
- de akte uitlating van [gedaagde] van 8 oktober 2025 over productie 59 en bezwaar tegen de akte uitlating van Woonin.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 30 april 2025 geoordeeld dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen Woonin en [gedaagde] gesloten aanneemovereenkomst en dat zij de hierdoor ontstane vervangende schade van Woonin moet vergoeden. Woonin is in de gelegenheid gesteld om de omvang van deze schade te onderbouwen. In dit eindvonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] € 80.540,79 aan vervangende schadevergoeding moet betalen aan Woonin, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. [gedaagde] moet ook de buitengerechtelijke incassokosten aan Woonin betalen. Daarnaast moet [gedaagde] op basis van dat wat is overwogen in het tussenvonnis een bedrag aan contractuele korting, minderwerk en een onverschuldigd betaalde termijn aan Woonin betalen. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten van Woonin, zowel in conventie als in reconventie.

3.De verdere beoordeling

in conventie
Verzoek van Woonin om terug te komen op beslissing over nieuwe opleverdatum
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van Woonin om terug te komen op de beslissing in het tussenvonnis van 30 april 2025 over de opleverdatum afwijzen. Dat is om de volgende redenen.
3.2.
Bij tussenvonnis is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat partijen een opleverdatum van 1 oktober 2023 hebben afgesproken. De rechtbank heeft hiermee een bindende eindbeslissing gegeven. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag of de eisen van een goede procesorde om een andere reden meebrengen dat de rechter zijn eindbeslissing heroverweegt (Hoge Raad 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2461 en Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Woonin heeft niet gesteld dat van zo’n situatie sprake is. Ook heeft zij geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om van deze bevoegdheid gebruik te maken. De door haar hiertoe in het geding gebrachte producties zijn e-mails die dateren uit 2023 en hadden dus eerder in het geding kunnen worden gebracht. Bovendien doen deze e-mails niets af aan wat is overwogen in het tussenvonnis van 30 april 2025.
Bezwaar van [gedaagde] tegen vermeerdering van eis door Woonin
3.3.
Woonin heeft in haar akte uitlating, tevens vermeerdering van eis, gesteld dat de schade die zij heeft geleden doordat [gedaagde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen, hoger is dan het bedrag dat zij bij dagvaarding heeft gevorderd. Het gevorderde bedrag bij dagvaarding was € 204.167,16, te vermeerderen met 21% BTW, plus rente. Bij akte heeft Woonin haar schade onderverdeeld in onderdeel A en B. Onderdeel A bestaat uit de schade die zij heeft geleden doordat [gedaagde] het perceel niet bouwrijp heeft opgeleverd. Dit is een bedrag van € 335.520,73. Onderdeel B ziet op de schade die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door [bedrijf 2] is gebleken. Dit is een bedrag van € 100.944,38. Van het totaal van deze schadeposten trekt Woonin een bedrag van € 121.514,47 af aan minderwerk voor zandleveranties, zodat een totaalbedrag van € 314.950,64 resteert. [gedaagde] heeft in haar akte van 23 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering, omdat deze in strijd is met de goede procesorde.
3.4.
De wet bepaalt dat een eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Indien de vermeerdering in strijd is met de goede procesorde kan de rechter de verandering of vermeerdering buiten beschouwing laten. De rechtbank oordeelt als volgt.
Ten aanzien van onderdeel A: de eiswijziging van Woonin wordt toegelaten
3.5.
In de dagvaarding vordert Woonin een bedrag van € 204.167,16. Dit bedrag bestaat uit het bouwrijp maken van de grond van € 321.033,00 - € 121.514,47 voor de zandleveranties + € 4.648,16 aan brandstofkosten van [bedrijf 1] . Woonin vordert bij akte onder onderdeel A een bedrag van € 335.520,73 voor het bouwrijp maken van het perceel. Van dit bedrag moet weer een bedrag van € 121.514,47 worden afgetrokken aan zandleveranties, zodat een bedrag van € 214.626,00 overblijft. Dit betekent dat het verschil tussen het gevorderde bij dagvaarding en dat wat bij akte onder A wordt gevorderd een bedrag van € 10.458,84 is. Omdat ten opzichte van de ingestelde vordering sprake is van een minimale eisvermeerdering ten aanzien van dit onderdeel en de rechtbank niet kan vaststellen dat er andere (soorten) posten in rekening worden gebracht dan de posten waarop de eis in de dagvaarding is gebaseerd, zal de eiswijziging van Woonin ten aanzien van onderdeel A worden toegelaten.
Ten aanzien van onderdeel B: de eiswijziging van Woonin wordt niet toegelaten
3.6.
Onderdeel B ziet op de schade die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door [bedrijf 2] is gebleken. Meer specifiek heeft deze schade betrekking op het inmeten van de bestaande palen op de juiste hoogte en het afknippen hiervan en extra werkzaamheden wegens het verwijderen en afvoeren van een achtergebleven poer. Zoals door [gedaagde] terecht wordt aangevoerd, zijn deze gestelde tekortkomingen van [gedaagde] niet eerder ter sprake gekomen dan bij akte van 11 juni 2025 en maakten deze (nog) geen onderdeel uit van deze procedure. Uit de overgelegde producties blijkt echter dat in elk geval een deel van de werkzaamheden al vóór de mondelinge behandeling was verricht, zodat Woonin toen al bekend had kunnen zijn met (dit deel van) de nadere schade en deze ter sprake had kunnen brengen. [1] Deze schadeposten hadden dan onderwerp kunnen zijn van het debat op zitting. Dat is nu niet mogelijk geweest. De rechtbank acht het daarom in strijd met de goede procesorde om de hierop gebaseerde eisvermeerdering in dit stadium van de procedure nog toe te staan. Dit betekent dat de eisvermeerdering van Woonin die ziet op onderdeel B van de schade niet zal worden toegelaten. De rechtbank zal daarom niet toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van deze schadeposten.
Bezwaar tegen de akte van Woonin
3.7.
[gedaagde] heeft in haar akte uitlating van 8 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen de door Woonin op 3 september 2025 ingediende akte en de daarbij ingediende productie 59, omdat Woonin hierin niet alleen reageert op de door [gedaagde] bij akte van 23 juli 2025 overgelegde productie 31, maar ook inhoudelijk verweer voert tegen het in die akte opgenomen inhoudelijke verweer van [gedaagde] .
3.8.
Dit bezwaar zal worden afgewezen, omdat [gedaagde] productie 31 in het geding heeft gebracht en Woonin in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren. Weliswaar is met productie 31 kennelijk bedoeld slechts met kleur te verduidelijken welke posten volgens [gedaagde] betrekking hadden op zandleveranties, ook alle andere posten van [bedrijf 3] staan erin vermeld. Woonin heeft zich in haar akte wel beperkt tot een reactie op deze posten van [bedrijf 3] . De rechtbank volgt [gedaagde] daarom niet dat zij door de nadere reactie van Woonin in haar belangen zou zijn geschaad. De door Woonin ingenomen stellingen zijn immers relevant voor een juiste beoordeling van het geschil, waarbij ook [gedaagde] gebaat is. Bovendien is het in het kader van waarheidsvinding onwenselijk dat deze akte van Woonin buiten beschouwing wordt gelaten. Daarnaast is [gedaagde] bij akte van 8 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten, waarvoor zij niet veel woorden nodig heeft gehad.
De door Woonin geleden schade
3.9.
Woonin heeft haar schade ten aanzien van onderdeel A onderbouwd met producties 46 tot en met 50, 56 en bijlagen A1 tot en met A8. De vordering is opgebouwd uit een post van [bedrijf 3] (producties 46, 47 en 56 en bijlagen A1 tot en met A5), van [bedrijf 1] (producties 48 tot en met 50 en bijlagen A6 en A7) en van [bedrijf 2] (A8). [gedaagde] heeft de posten die genoemd zijn in de bijlagen A1 tot en met A5 onderverdeeld in kosten voor het aanbrengen van zand door [bedrijf 3] en andere kosten. Deze laatste kosten heeft [gedaagde] onderverdeeld in post a tot en met l. De rechtbank zal de vordering van Woonin hierna per onderdeel bespreken, waarbij ze de door partijen gehanteerde onderverdeling zal aanhouden.

Kosten [bedrijf 3] (A1 tot en met A5)
Kosten aanbrengen zand door [bedrijf 3]
3.10.
Op de bijlagen A1 tot en met A3 staan enkele posten vermeld die betrekking hebben op het aanbrengen van zand door [bedrijf 3] , waarover in het tussenvonnis al is overwogen dat dit minderwerk is en Woonin geen betaling kan vorderen voor de daarmee samenhangende kosten (afgezien van de overeengekomen minderwerkvergoeding). Volgens productie 26 bij dagvaarding ging het om een bedrag van € 121.514,47. Woonin trekt dit bedrag af van haar totale (gewijzigde) vordering. Uit de akte van [gedaagde] van 23 juli 2025 volgt echter dat volgens [gedaagde] daarmee nog een deel van de kosten van [bedrijf 3] die samenhangen met het aanbrengen van zand voor haar rekening wordt gebracht. Het gaat daarbij om de volgende posten:
- Leveranties zand
Op de bijlagen A1 tot en met A3 staat voor een totaalbedrag van € 95.126,18 aan leveranties van zand vermeld. Op de door [gedaagde] overgelegde productie 31 zijn deze posten rood gearceerd. Deze bedragen komen geheel overeen met de bedragen genoemd op productie 26 bij dagvaarding. Partijen zijn het dus met elkaar eens dat deze posten betrekking hebben op het minderwerk ‘aanbrengen van zand’ en niet vallen onder de vervangende schadevergoeding die Woonin nader mocht onderbouwen.
- Mobiele kraan
De kosten voor de inzet van een mobiele kraan zijn in productie 26 bij dagvaarding gelijk aan de kosten daarvoor volgens bijlage A2 en komen uit op een bedrag van € 1.430,00. Op de door [gedaagde] overgelegde productie 31 zijn deze posten oranje gearceerd. Partijen zijn het met elkaar eens dat deze kosten niet voor toewijzing als vervangende schadevergoeding in aanmerking komen.
- Inzet rupskraan met giek
In productie 26 bij dagvaarding is voor de inzet van rupskraan met giek een bedrag opgenomen van € 5.920,00. Dit betrof 40 uur inzet van de rupskraan die volgens [bedrijf 3] blijkens dit overzicht zijn besteed aan de werkzaamheden voor het aanbrengen van zand. In bijlage A1 tot en met A3 is een bedrag opgevoerd van in totaal
€ 22.858,00 voor werkzaamheden van [bedrijf 3] . Op de door [gedaagde] overgelegde productie 31 zijn deze posten geel gearceerd. Het verschil tussen de genoemde bedragen kan volgens de overzichten van [bedrijf 3] dus verklaard worden door werkzaamheden die geen betrekking hebben op het aanbrengen van zand. De stelling van [gedaagde] dat dit anders is, heeft [gedaagde] geheel niet onderbouwd, zodat aan die stelling voorbij zal worden gegaan. Dat betekent dat de voor de inzet van de rupskraan met giek een bedrag van (€ 22.858,00 - € 5.920,00 =)
€ 16.938,00zal worden toegewezen.
- Wals
In productie 26 bij dagvaarding is voor de aanvoer en inzet van de wals een bedrag opgenomen van € 3.650,00. In bijlage A1 en A3 is echter een bedrag opgevoerd van in totaal € 4.515,00. Op de door [gedaagde] overgelegde productie 31 zijn deze posten groen gearceerd. Voor deze post geldt hetzelfde wat is overwogen ten aanzien van de rupskraan met giek. Dat betekent dat wordt toegewezen een bedrag van (€ 4.515,00 - € 3.650,00 =)
€ 865,00.
Onderdeel a) voorbereiding
3.11.
Woonin vordert voorbereidingskosten. Onder deze kosten vallen onder bijlage A1 het maken van een GPS kraanmodel, verwerken meetgegevens gele fase en verwerken meetgegevens blauwe fase, in totaal € 1.500,00. Onder deze kosten vallen onder bijlage A3 het verwerken van meetgegevens toren 1 en 2 voor in totaal € 750,00. De gezamenlijke voorbereidingskosten zijn dus € 2.250,00. [gedaagde] heeft bij akte van 23 juli 2025 aangevoerd dat onduidelijk is waar deze post op ziet en waarom deze post voor rekening van [gedaagde] moet komen. Woonin stelt vervolgens in haar akte van 3 september 2025 dat het maken van het GPS kraanmodel en het verwerken van meetgegevens voor rekening van [gedaagde] komt, omdat dat volgens besteksparagraaf 10.32.13-a.0 tot de overeenkomst behoort. Woonin licht toe dat deze post betrekking heeft op het inmeten van de palen en dat dit behoorde tot de overeengekomen werkzaamheden van [gedaagde] . Dit is door [gedaagde] niet weersproken, behalve dat de kwalificatie als ‘kosten voor voorbereiding’ niet juist zou zijn. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van Woonin dat deze kosten zijn gemaakt en dat zij voor rekening van [gedaagde] komen. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de voorbereidingskosten van
€ 2.250,00toewijsbaar is.
Onderdeel b) aanvoer rupskraan en draglineschotten
3.12.
Woonin heeft in haar akte van 3 september 2025 gesteld dat de rupskraan niet alleen nodig was voor het aanvoeren en verwerken van zand, maar ook voor het noodzakelijke baggeren, het afvoeren van het puin en het ontgraven. Dit alles had [gedaagde] moeten doen, aldus Woonin. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat Woonin voor deze kosten [2] geen uitsplitsing heeft gemaakt voor de werkzaamheden die verricht zijn voor het aanleveren van zand en voor het bouwrijp maken. Dit had wel op de weg van Woonin gelegen, omdat [gedaagde] alleen verantwoordelijk was voor het bouwrijp maken en de zandleveranties door Woonin uit de opdracht zijn gehaald. Dit betekent dat Woonin de gevorderde € 510,00 (bijlage A1) [3] die ziet op de aanvoer van de rupskraan en draglineschotten onvoldoende heeft onderbouwd. Deze vordering zal worden afgewezen. Hierna, onder onderdeel f, zal worden ingegaan op de vordering van Woonin ten aanzien van de inzet van draglineschotten.
Onderdeel c) inzet grondwerker t.b.v. opruimen spullen [gedaagde]
3.13.
Volgens Woonin heeft [gedaagde] spullen op het terrein achtergelaten die door Woonin moesten worden afgevoerd. Zij onderbouwt deze post door te verwijzen naar bijlage A1 tot en met A3. [gedaagde] heeft in haar akte van 23 juli 2025 aangevoerd dat dit een post betreft van € 97,00. Dit is door Woonin niet weersproken. De post is terug te vinden op bijlage A1. Dat [gedaagde] spullen zou hebben achtergelaten, wordt door haar niet betwist. Bovendien voert [gedaagde] in haar akte van 23 juli 2025 aan dat ze zich kan voorstellen dat dit een post is die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat de vordering ter hoogte van
€ 97,00zal worden toegewezen.
Onderdeel d en e) inzet knijperauto voor het aanbrengen watermeterput en grondwerker
3.14.
Woonin heeft om deze kosten te onderbouwen verwezen naar bijlage A1. Volgens [gedaagde] is deze post doorgestreept in bijlage A1 en is het totaalbedrag van € 400,00 niet in mindering gebracht op de factuur. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. In de door Woonin overgelegde bijlage A1 is deze post niet doorgestreept. Woonin handhaaft in haar akte van 3 september 2025 deze schadepost ook en heeft toegelicht dat de watermeter noodzakelijk is voor het bijhouden van het bemalingsdebiet tijdens het ontgraven van de put, voorafgaand aan het knippen van de palen. De put kan alleen droog worden ontgraven en de palen kunnen alleen in een droge bouwput worden afgeknipt, aldus Woonin. [gedaagde] heeft daarop gereageerd in haar akte van 8 oktober 2025 en voert aan dat het op de weg van Woonin had gelegen om uit te splitsen welke bemaling noodzakelijk was voor het bouwrijp maken en welke bemaling voor het aanbrengen van het zandbed. De rechtbank begrijpt uit de vordering van Woonin echter dat deze niet ziet op de kosten van bemaling, maar de werkzaamheden voor het aanbrengen van de waterput. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] haar betwisting daarom onvoldoende onderbouwd. Omdat op [gedaagde] de verplichting rust om bouwrijp op te leveren en deze kosten daar betrekking op hebben, is de vordering ten aanzien van deze post toewijsbaar. Dit betekent dat het gevorderde bedrag van
€ 400,00toewijsbaar is.
Onderdeel f) inzet draglineschotten
3.15.
De door Woonin gevorderde schade ten aanzien van de inzet van draglineschotten is toewijsbaar, omdat [gedaagde] op basis van de overeenkomst de verplichting had om bouwrijp op te leveren. Doordat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, moesten rijplaten en draglineschotten worden ingezet om veilig met materieel te kunnen werken, zoals door Woonin onweersproken is gesteld. Anders dan [gedaagde] stelt, heeft Woonin wel verklaard dat de rupskraan (onderdeel b) ook nodig was voor het aanvoeren en verwerken van zand, maar dat geldt niet ten aanzien van de draglineschotten. Dit betekent dat deze kosten voor rekening van [gedaagde] komen. Dit gaat om een totaalbedrag van
€ 840,00(bijlage A1: €280 en € 168,00 en bijlage A3: € 280,00 en € 112,00).
Onderdeel g) aanvoer, huur en afvoer rijplaten
3.16.
Woonin heeft ten aanzien van dit onderdeel gesteld dat deze platen nodig waren voor onder meer de afvoer van bagger en puin. Op [gedaagde] rustte op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst de verplichting om bouwrijp op te leveren, zodat deze kosten voor rekening van [gedaagde] komen, aldus Woonin. Volgens [gedaagde] is deze kostenpost niet toewijsbaar, omdat deze platen noodzakelijk waren voor het aanvoeren van zand en dat dit onderdeel door Woonin uit de opdracht is gehaald. Dat deze platen ook gebruikt zijn om zand aan te voeren, wordt door Woonin niet weersproken. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, heeft Woonin niet onderbouwd gesteld dat zij deze kosten niet ook had moeten maken zonder tekortschieten van [gedaagde] . Woonin heeft dus niet onderbouwd dat sprake is van schade. Om die reden moet de vordering van Woonin worden afgewezen.
Onderdeel h) plaatsen en huur schaftwagen en dixi
3.17.
Woonin vordert een bedrag voor het plaatsen en de huur van de schaftwagen en de dixi voor de op het overzicht van [bedrijf 3] genoemde periode van week 43 tot en met 48, die volgens Woonin niet was voorzien in de oorspronkelijke planning. Deze vordering is niet toewijsbaar. Uit de door Woonin overgelegde bijlages A1 tot en met A3 blijkt dat de schaftwagen en dixi zijn gehuurd in dezelfde periode waarin de werkzaamheden voor het minderwerk zand zijn uitgevoerd. Volgens Woonin is zij gehouden om tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden een schaftwagen en dixi beschikbaar te stellen. Dit betekent dat Woonin – ook als [gedaagde] niet zou zijn tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst – gedurende deze periode een schaftwagen en dixi had moeten plaatsen. Woonin heeft daarom geen extra kosten gemaakt waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is.
Onderdeel i) uitvoeren AP04 onderzoek, baggerdepot en maaiveld
3.18.
Woonin stelt ten aanzien van dit deel van de vordering dat zij moest laten onderzoeken of het door [gedaagde] op de bouwplaats achtergelaten puin en afval vervuild was, om dat over de weg te mogen afvoeren. [gedaagde] heeft niet betwist dat dit onderzoek noodzakelijk was, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. [gedaagde] heeft aangevoerd dat uit bijlage A1 kan worden afgeleid dat [bedrijf 3] dit onderzoek twee keer in rekening heeft gebracht. Zoals door [gedaagde] terecht wordt opgemerkt, is door Woonin niet toegelicht waarom dat zo is. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van deze kosten één keer zullen worden toegewezen, dit is een bedrag van
€ 2.800,00.
Onderdeel j) afvoer baggerdepot en grond
3.19.
Woonin vordert een totaalbedrag van € 46.527,50 ten aanzien van de afvoer van baggerdepot en grond, omdat [gedaagde] niet bouwrijp heeft opgeleverd. In bijlage A3 staan drie grondstromen vermeld. Deze drie stromen zien op (1.020 + 550 + 819 =) 2.389 m3 grond, zo volgt uit deze bijlage. Deze hoeveelheid noemt Woonin ook in haar akte van
11 juni 2025 en sluit aan bij de hoeveelheid in bijlage A5. Daarin staat op welke dag, met welke vrachtwagen, welke hoeveelheid bagger is afgevoerd. [gedaagde] voert bij akte van
23 juli 2025 aan dat bijlage A5 onnavolgbaar is, omdat de hoeveelheden niet te controleren zijn. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Woonin heeft bij akte van 3 september 2025 als productie 59 begeleidingsbrieven in het geding gebracht waarop het overzicht in bijlage A5 is gebaseerd. Uit deze brieven kan worden afgeleid op welke datum, welke hoeveelheid en soort grond is afgevoerd door welke vrachtwagen (kenteken), zodat de hoeveelheden afgevoerde grond controleerbaar zijn. In bijlage A5 staan (onder andere) de drie verschillende soorten artikelomschrijvingen waarvoor Woonin onder onderdeel j vergoeding vordert: baggerslib, grond klasse industrie en grond klasse wonen. De hoeveelheid (m3) van de op deze bijlage genoemde baggerslib komt overeen met de hoeveelheid van de afvoer baggerdepot industrie (nat met baggertrailers) genoemd in bijlage A3. Dit geldt ook voor de op deze bijlage genoemde hoeveelheid grond klasse industrie. Deze komt overeen met de in de bijlage A3 genoemde afvoer baggerdepot industrie (droog, stapelbaar) en met de hierop vermelde hoeveelheid grond klasse wonen. Die komt overeen met de in bijlage A3 genoemde hoeveelheid m3 van de afvoer grond uit maaiveld, klasse wonen. [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat de eenheidsprijzen nergens uit zijn af te leiden. Gelet op de overgelegde bijlage A3 waarin deze eenheidsprijzen door [bedrijf 3] zijn vermeld, beschouwt de rechtbank de stelling van [gedaagde] als een kale betwisting en gaat ze daaraan voorbij. Dat [gedaagde] van mening is dat het afvoeren van bagger noodzakelijk was voor het aanbrengen van de draine als voorbereiding van de nieuwbouw van [bedrijf 2] , is niet relevant; Woonin had deze werkzaamheden immers niet hoeven verrichten als [gedaagde] haar verplichtingen was nagekomen. Dit alles betekent dat Woonin haar vordering voor deze post voldoende heeft onderbouwd, op hetgeen onder 3.20 is overgewogen na.
3.20.
[gedaagde] voert verder aan dat het drainagezand wel in dit overzicht van bijlage A5 is opgenomen, terwijl dit niet voor rekening van [gedaagde] komt. Uit de door Woonin overgelegde bijlage A3 en de toelichting die Woonin heeft gegeven volgt echter dat het drainagezand niet aan haar in rekening is gebracht. [4] Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de hoeveelheid (m3) grond klassen wonen op het overzicht in bijlage A5 niet klopt. Op
27 november 2023 zou door een trailer met kenteken 60-BPS-3 (de rechtbank begrijpt:
60-BSP-3) een vracht van 144 m3 getransporteerd zijn. Volgens de begeleidingsbrieven is dit een vracht van 100 m3. De rechtbank stelt vast dat op de door Woonin overgelegde begeleidingsbrief inderdaad een vracht vermeld staat van 100 m3. Dit betekent dat Woonin haar vordering voor 44m3 onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de vordering voor een bedrag van
€ 45.867,50toewijsbaar (€ 46.527,50 – € 660,00 (44m3 x € 15)).
Onderdeel k) afvoer puin, vrijgekomen uit ontgravingen en transport
3.21.
Woonin vordert een bedrag van
€ 283,80(bijlage A1) en stelt hiertoe dat op [gedaagde] de verplichting rustte om alle puin af te voeren en zij dit niet heeft gedaan. [gedaagde] voert aan dat deze post haar vreemd voorkomt, omdat er volgens haar bij het bouwrijp maken geen ontgravingen horen te zijn. [gedaagde] heeft echter niet betwist dat op haar de verplichting rustte om alle puin af te voeren, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is.
Onderdeel l) opslagpercentages ter zake uitvoeringskosten, algemene kosten en winst & risico
3.22.
Woonin heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij schade heeft geleden doordat zij opslagpercentages verschuldigd was voor uitvoeringkosten, algemene kosten en winst & risico. [gedaagde] voert daartegen aan dat deze kosten de redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Woonin heeft in haar akte van 3 september 2025 toegelicht waarom de in rekening gebrachte percentages in dit geval redelijk zijn, waaronder de omstandigheid dat zij op korte termijn een derde partij moest inschakelen. Vastgesteld kan bovendien worden dat deze percentages ook bij Woonin in rekening zijn gebracht. Gelet daarop had het op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt nader te concretiseren. De rechtbank volgt echter het standpunt van [gedaagde] dat de kosten niet kunnen worden aangemerkt als schade voor zover deze opslagpercentages in rekening zijn gebracht over posten die voor rekening van Woonin komen. Uit wat hiervoor onder 3.10 tot en met 3.21 is overwogen, volgt dat [gedaagde] € 70.341,30 dient te vergoeden voor de hiervoor genoemde onderdelen, zodat de volgende opslagen daarover in rekening gebracht kunnen worden, overeenkomstig bijlage A1 tot en met A3:
  • Uitvoeringskosten 3,50 % € 2.461,95
  • Algemene kosten 8,00 % € 5.627,30
  • Winst & risico 3,00% € 2.110,24
Dit betekent dat voor dit onderdeel een bedrag van
€ 10.199,49toewijsbaar is.

Kosten [bedrijf 1] (Bijlage A6 en A7)
3.23.
Woonin stelt in haar akte van 11 juni 2025 dat zij aan [bedrijf 1] opdracht heeft gegeven om de aanwezige heipalen in te meten, omdat [gedaagde] dit niet heeft gedaan. Volgens Woonin heeft zij hiervoor, inclusief brandstofkosten, een bedrag van (€ 35.000,00 + € 35.000,00 + € 4.648,18 =) € 74.648,18 aan [bedrijf 1] betaald. Woonin stelt dat van dat bedrag nog een bedrag van € 21.150,00 afgetrokken moet worden, omdat deze posten dubbel door [bedrijf 1] in rekening zijn gebracht. Dit doet Woonin vervolgens niet. Woonin verwijst ter onderbouwing van haar vordering naar bijlage A6, A7 en producties 48, 49 en 50. De rechtbank volgt [gedaagde] in haar standpunt dat deze post veel vragen oproept die onbeantwoord blijven. Onduidelijk is hoe het gevorderde bedrag is opgebouwd; de producties 48 tot en met 50 sluiten immers niet aan op de bijlagen A6 en A7. Ook ontbreekt een toelichting op bijlage A6 waarom slechts een deel van de daar genoemde posten in mindering worden gebracht op de factuur van [bedrijf 1] . De rechtbank volgt [gedaagde] ook in haar opmerking dat door het ontbreken van het Plan van Aanpak de opgevoerde posten niet goed te plaatsen zijn. De rechtbank is van oordeel dat het [gedaagde] daarmee niet kan worden aangerekend dat zij de vordering in vrij algemene bewoordingen betwist. Dit geldt te meer nu de stukken van [bedrijf 1] dateren uit de periode van 12 oktober 2023 tot
7 februari 2024, dus allemaal van (ruim) voor het uitbrengen van de dagvaarding en de offerte van [bedrijf 1] zelfs van de dag voor het uitbrengen van de omzettingsverklaring. Dit betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.

Kosten [bedrijf 2] (bijlage A8)
3.24.
Woonin vordert een bedrag van € 15.567,60 aan kosten van [bedrijf 2] voor werkzaamheden en huur van materiaal en materieel die noodzakelijk waren voor het uitvoeren van de werkzaamheden die [gedaagde] heeft nagelaten te verrichten, zoals afrastering en stroomaansluiting voor bemaling. Als onderbouwing hiervan verwijst Woonin naar bijlage A8. [gedaagde] voert aan dat bijlage A8 een begroting is en dat niet wordt toegelicht waarom Woonin geen factuur overlegt. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat Woonin deze kosten sowieso had moeten maken. Dit verweer slaagt. Het had op de weg van Woonin gelegen om onderbouwd te stellen dat en waarom [bedrijf 2] kosten heeft gemaakt die zij niet had gemaakt als [gedaagde] niet zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dat heeft Woonin niet gedaan. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van deze kostenpost zal worden afgewezen.
3.25.
De door Woonin gevorderde staartkosten van € 31.842,28 onder 2.11 van haar akte van 11 juni 2025 zullen ook worden afgewezen. Op grond waarvan deze kosten door [gedaagde] verschuldigd zijn en hoe deze kosten zijn opgebouwd, is – zoals door [gedaagde] terecht wordt opgemerkt – door Woonin in zijn geheel niet gesteld. Dit had wel op haar weg gelegen.
Conclusie: [gedaagde] moet€ 80.540,79
aan vervangende schadevergoeding betalen aan Woonin
3.26.
Dat wat hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat [gedaagde] een totaalbedrag van € 80.540,79 aan vervangende schadevergoeding moet betalen aan Woonin. De vordering ten aanzien van dat bedrag is dan ook toewijsbaar. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:
  • Inzet rupskraan met giek:€ 16.938,00
  • Wals:€ 865,00
  • Onderdeel a) voorbereiding:€ 2.250,00
  • Onderdeel c) inzet grondwerker t.b.v. opruimen spullen [gedaagde] :€ 97,00
  • Onderdeel d en e) inzet knijperauto voor het aanbrengen watermeterput en grondwerker:€ 400,00
  • Onderdeel f) inzet draglineschotten:€ 840,00
  • Onderdeel i) uitvoeren AP04 onderzoek, baggerdepot en maaiveld:€ 2.800,00
  • Onderdeel j) afvoer baggerdepot en grond:€ 45.867,50
  • Onderdeel k) afvoer puin, vrijgekomen uit ontgravingen en transport:€ 283,80
  • Kosten in verband met opslagpercentages:€ 10.199,49
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente over de vervangende schadevergoeding betalen; geen BTW
3.27.
Woonin vordert 21% BTW over de vervangende schadevergoeding. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat Woonin geen feiten heeft gesteld op grond waarvan de BTW als vergoedbare schadepost kan worden aangemerkt. De door Woonin gevorderde wettelijke handelsrente over de vervangende schadevergoeding is wel toewijsbaar, omdat de grondslag van de vervangende schadevergoeding een tekortkoming in de nakoming van een handelsovereenkomst is. De wettelijke handelsrente is toewijsbaar vanaf 13 oktober 2023. Dat is de datum waarop Woonin een omzettingsverklaring aan [gedaagde] heeft gestuurd.
De conclusies uit het tussenvonnis
3.28.
In het tussenvonnis van 30 april 2025 is ten aanzien van de toe te wijzen vorderingen het volgende bepaald:
  • Woonin kan aanspraak maken op een contractuele korting van € 12.000,00, te vermeerderen met 21% BTW en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) over dit bedrag vanaf 13 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;
  • [gedaagde] moet een bedrag van € 7.975,00 aan Woonin betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW Pro) vanaf 15 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, omdat de opdracht tot het aanvullen van schoon zand uit de overeenkomst is gehaald door Woonin;
  • [gedaagde] moet een bedrag van € 19.084,00 aan onverschuldigd betaalde termijn aan Woonin betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW Pro) vanaf 15 juli 2024 tot de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen aan Woonin
3.29.
Woonin vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.691,63 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding
voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).De rechtbank stelt vast dat Woonin voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incasso-werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag aansluiten bij het in de Besluit bepaalde tarief voor het bedrag dat wordt toegewezen, te vermeerderen met BTW, omdat Woonin ten aanzien van dit onderdeel onweersproken heeft gesteld dat zij geen BTW kan verrekenen. Dit is een bedrag van € 1.912,29 inclusief BTW.
3.30.
De gevorderde wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro is toewijsbaar over de buitengerechtelijke incassokosten, als een vorm van vermogensschade. Dit betekent dat de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na dit vonnis, tot de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet de proceskosten in conventie betalen aan Woonin
3.31.
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonin worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
139,42
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
5.787,00
(3 punten × € 1.929,00)
- nakosten
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.821,42
3.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
3.33.
De rechtbank blijft bij dat wat in het tussenvonnis van 30 april 2025 is overwogen. Dit betekent dat de reconventionele vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen aan Woonin
3.34.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Woonin worden in reconventie begroot op € 4.357,00 aan salaris advocaat (1 punt x tarief VIII van € 4.357,00).

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonin te betalen een bedrag van € 80.540,79 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 13 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonin te betalen een bedrag van € 12.000,00 aan contractuele korting, te vermeerderen met 21% BTW en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 13 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonin te betalen een bedrag van € 7.975,00 aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf
15 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonin te betalen een bedrag van € 19.084,00 aan onverschuldigd betaalde termijn, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel
6:119 BW vanaf 15 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonin te betalen een bedrag van € 1.912,29 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 dagen na dit vonnis, tot de dag van volledige betaling;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Woonin van € 12.821,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.9.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
4.10.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Woonin van € 4.357,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en in reconventie
4.11.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van betekening van dit vonnis als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.12.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.7 en 4.10 uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner, rechter, en in aanwezigheid van
mr. D. van Wijk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
4809

Voetnoten

1.Productie B1: werkzaamheden t.a.v. oude palen weken 47 en 48 van 2024 en weken 2 tot en met 10 van 2025, Productie B6 tot en met B8: extra werkzaamheden [bedrijf 3] weken 49 en 50 van 2024 (de rechtbank begrijpt het jaartal 2023 in de akte als een verschrijving), Productie B9: werkzaamheden van [bedrijf 4] , kennelijk van half oktober 2024, voor akkoord afgetekend november 2024.
2.Deze kosten vallen niet onder de geel gearceerde posten van productie 31 van [gedaagde] , die hiervoor al zijn besproken onder overweging 3.10.
3.In de akte van [gedaagde] staat een bedrag vermeld van € 1.350,00. Daarin is inbegrepen een bedrag van € 840,00 voor de inzet van de draglineschotten (onderdeel f).
4.In bijlage A3 staat achter leverantie drainagezand “n.v.t.” en staat onder bedrag een streepje in plaats van een bedrag.