In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen een vennootschap onder firma, hierna te noemen [eiseres], en een gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde]. De procedure betreft een vordering van [eiseres] tot betaling van een factuur voor werkzaamheden die zijn verricht in het kader van een aankoopkeuring van een jacht. De feiten van de zaak zijn als volgt: [eiseres] heeft op 7 april 2025 een aankoopkeuring uitgevoerd op verzoek van [gedaagde]. Na de keuring heeft [eiseres] een factuur van € 4.916,10 gestuurd, waartegen [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt. Na dagvaarding heeft [gedaagde] een bedrag van € 3.871,00 betaald, maar het resterende bedrag van € 1.045,10 bleef onbetaald. De kantonrechter heeft beoordeeld of [gedaagde] nog kosten aan [eiseres] verschuldigd is. De rechter oordeelt dat [gedaagde] het resterende bedrag moet betalen, omdat hij akkoord is gegaan met de opdrachtbevestiging waarin de kosten zijn vermeld. De rechter heeft ook geoordeeld dat de kosten voor foto’s en verblijfskosten terecht in rekening zijn gebracht. De vordering van [eiseres] is toegewezen, met inbegrip van wettelijke rente en proceskosten. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.