Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van het [opposant]
6. Het beroep ging over het besluit van het college van 4 juni 2025, waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van twee woongebouwen met 76 (zorg)woningen en het inrichten van het terrein op het perceel aan de [adres] in [plaats] .
De uitspraak van deze rechtbank van 15 augustus 2025
7. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van het [opposant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met de artikelen 1.6, tweede lid en 1.6a van de Crisis- en herstelwet. De rechtbank kwam tot dit oordeel omdat het [opposant] pas na afloop van de beroepstermijn de gronden van zijn beroep heeft aangevuld.
8. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Een beroep kan alleen zonder zitting niet-ontvankelijk worden verklaard als dat kennelijk het geval is.De term ‘niet-ontvankelijk’ betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep. Als tegen zo’n kennelijk-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen:
(a) of terecht is geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is en
(b) of daar geen twijfel over mogelijk is.
Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Als de rechtbank het verzet ongegrond verklaart, blijft de uitspraak in stand. Als de rechtbank het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak. In dat geval kan de rechtbank het onderzoek voortzetten in de stand waarin het zich bevond of zij kan meteen uitspraak doen op het beroep als nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Toepasselijke regelgeving
9. Artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet bepaalt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd.
10. Artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet luidt:
1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, wordt dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.
2. Indien tegen het besluit beroep openstaat, wordt bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:
a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;
b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en
c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
11. Het [opposant] voert aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat met de
inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 de Crisis- en herstelwet en onderliggende regelgeving zijn komen te vervallen. De wetgever heeft overgangsrecht geregeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet. Daaruit blijkt dat bij projecten waarvoor vóór 1 januari 2024 al een besluit is genomen, de Crisis- en herstelwet blijft doorwerken voor latere besluiten binnen datzelfde project. Voor projecten waarbij alleen een aanvraag was ingediend maar nog geen besluit genomen, grijpt dit overgangsrecht niet aan. Dit betekent volgens het [opposant] dat de Crisis- en herstelwet in die gevallen niet langer van toepassing is vanaf 1 januari 2024.In deze zaak was nog geen besluit genomen en was de Crisis- en herstelwet dus niet meer van toepassing. Dat betekent dat beroep op nader aan te voeren gronden wel degelijk mogelijk was en het [opposant] dan ook ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep.
12. Dit standpunt van het [opposant] is onjuist. Artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet ziet niet op aanvragen om een omgevingsvergunning. Voor een aanvraag om een omgevingsvergunning is het overgangsrecht geregeld in artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Dat bepaalt dat als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing blijft tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend op 4 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
13. Het argument van het [opposant] dat er sprake is van een nieuwe aanvraag nu bijlage 2 van de vergunning veel tekeningen en berekeningen omvat die na 1 januari 2024 zijn ingediend brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit argument ziet op de vraag of het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in stand kan blijven of niet en had binnen de beroepstermijn moeten worden aangevoerd.
14. Het [opposant] voert ook aan dat er noch in de beide publicaties, noch in de rechtsmiddelenclausule van de vergunning op wordt gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend. Dit is in strijd met de cumulatieve eisen die artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet stelt. Daarom bestond er geen aanleiding haar beroepsgronden buiten beschouwing te laten.Ook wijst het [opposant] er op dat er drie verschillende publicaties zijn geweest over de verleende omgevingsvergunning, waardoor ook sprake is van een foutieve en/of ondoorzichtige bekendmaking.
15. Deze grond slaagt niet. Omdat de Crisis- en herstelwet afwijkt van het stelsel neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, kan bij een schending van artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet een belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. De rechtbank oordeelt dat dat hier het geval is. De rechtbank stelt vast dat bij het indienen van het pro forma beroepschrift een afschrift van het besluit van 4 juni 2025, inclusief de drie bij dat besluit behorende bijlagen, is gevoegd. In bijlage III: rechtsmiddelen staat een kopje genaamd “Crisis- en herstelwet van toepassing”. Daaronder staat onder andere vermeld dat in het beroepschrift moet worden aangegeven welke beroepsgronden worden aangevoerd tegen het besluit en dat na afloop van de termijn van zes weken geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Ook wordt er op gewezen dat in het beroepschrift vermeld moet worden dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Het [opposant] wist dus of had kunnen weten dat de beroepsgronden binnen zes weken moesten worden ingediend. Over de publicaties overweegt de rechtbank dat de tekst van de rectificatie van 6 juni 2025, nummer 252059, overeenkomt met die van de publicatie op 4 juni 2025, nummer 246236, met als enige verschil dat de informatie over het van toepassing zijn van de Crisis- en herstelwet is toegevoegd. De rechtbank vindt het daarmee duidelijk dat de rectificatie ziet op de eerdere publicatie van 4 juni 2025. De tweede publicatie van
6 juni 2025, nummer 248672, heeft mogelijk voor enige verwarring kunnen zorgen maar daar staat tegenover dat het college op 13 juni 2025 zowel aan het [opposant] als aan [B] een brief heeft gestuurd waarin is medegedeeld dat de omgevingsvergunning is verleend en dat de beroepstermijn op 7 juni 2025 is gestart. Verder wordt in deze brief expliciet vermeld dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is en dat na afloop van de beroepstermijn geen gronden meer kunnen worden ingediend. Dat in de publicaties, het besluit en in de brief van 13 juni 2025 niet is vermeld dat een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, vindt de rechtbank geen reden om artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet in dit geval niet toe te passen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het [opposant] (via de advocaat-gemachtigde) niet bekend was of had moeten zijn met deze consequentie. Verder doet dit ook niet af aan de vaststelling dat het [opposant] wist of had kunnen weten dat de beroepsgronden binnen de beroepstermijn ingediend moesten worden.
De brief van 15 augustus 2025
16. De brief van 15 augustus 2025 van het [opposant] is ontvangen nadat al uitspraak was gedaan op het beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank die uitspraak niet had kunnen doen zonder het beroep op zitting te behandelen of zonder kennis te nemen van deze brief. Aan de hand van het pro forma beroepschrift in combinatie met het overgelegde besluit bleek immers duidelijk dat niet was voldaan aan artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet, terwijl in de bijlage bij het besluit duidelijk was vermeld dat na de termijn van zes weken geen nieuwe beroepsgronden meer konden worden aangevoerd.
Fait trial en duur traject
17. Het [opposant] vindt het onevenredig om in dit stadium artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet strikt toe te passen. De nadere gronden herhalen en concretiseren uitsluitend reeds jaren bekende thema’s die sinds 2020 via zienswijzen, petities en interne adviezen bij de gemeente bekend zijn. Het voorkomen van verrassingsgronden speelt hier dus niet. Bij een traject dat al 4,5 jaar loopt, vindt het [opposant] het absoluut onbillijk om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het slechts twintig dagen te laat indienen van beroepsgronden.
18. Volgens vaste rechtspraak tast artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan.Bovendien kunnen binnen de beroepstermijn ingediende beroepsgronden buiten de beroepstermijn nog worden aangevuld met nieuwe argumenten. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkte termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden zoals opgenomen in artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet zich niet verdraagt met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.