ECLI:NL:RBMNE:2025:7233

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/16/600089 / KG ZA 25-497
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanbestedingsprocedure voor verkeersmanagementsysteem en geschiktheidseisen

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Technolution B.V. en de Gemeente Utrecht, met als tussenkomende partij [bedrijfsnaam] B.V. De zaak betreft een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor de levering van een multimodaal dynamisch verkeersmanagementsysteem (DVM-systeem). Technolution, die als tweede is geëindigd in de aanbestedingsprocedure, betwist de gunning aan [bedrijfsnaam] en stelt dat deze niet voldoet aan de geschiktheidseisen zoals geformuleerd in kerncompetentie 1 van de inschrijvingsleidraad. Technolution vordert onder andere dat de gemeente haar gunningsbeslissing intrekt en de inschrijving van [bedrijfsnaam] terzijde legt. De gemeente stelt dat [bedrijfsnaam] wel degelijk aan de geschiktheidseisen voldoet en dat er geen grond is voor heraanbesteding. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de gemeente op basis van de ingediende referentieopdracht van [bedrijfsnaam] in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat deze aan kerncompetentie 1 voldoet. De vorderingen van Technolution zijn afgewezen, en Technolution is veroordeeld in de proceskosten van zowel de gemeente als [bedrijfsnaam].

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600089 / KG ZA 25-497
Vonnis in kort geding van 2 december 2025
in de zaak van
TECHNOLUTION B.V.,
gevestigd in Gouda,
eisende partij,
advocaat: mr. M.C. Pinto,
tegen
GEMEENTE UTRECHT,
zetelend in Utrecht,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. A.C.M. Kusters en K.F. Carbaat,
met als tussenkomende partij
[tussenkomende partij] B.V.
(voorheen: [bedrijfsnaam] B.V.)
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
tussenkomende partij,
advocaten: mrs. P.F.C. Heemskerk en B.C. Lievers.
Partijen zullen hierna Technolution, de gemeente en [bedrijfsnaam] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 september 2025, met bijlagen;
- de akte houdende wijziging eis aan de zijde van Technolution, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord, met bijlage;
- de conclusie tot interventie;
- de pleitnota van Technolution;
- de pleitnota van de gemeente; en
- de pleitnota van [bedrijfsnaam] .
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 18 november 2025. Bij de mondelinge behandeling waren namens Technolution de heer [A] , [functie 1] bij Technolution bijgestaan door mr. Pinto aanwezig. Namens de gemeente waren de heer [B] , [functie 2] bij de gemeente, samen met mr. Kusters en mr. Carbaat aanwezig. Eveneens waren bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer [C] , general counsel bij [bedrijfsnaam] , samen met mr. Heemskerk en mr. Lievers. Door en namens partijen zijn de standpunten, mede aan de hand van spreekaantekeningen, verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna volgt dit vonnis.

2.De kern

De gemeente heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de levering van een multimodaal dynamisch verkeersmanagementsysteem (DVM-systeem) (hierna: de Opdracht). De gemeente is voornemens om de Opdracht te gunnen aan [bedrijfsnaam] . Technolution stelt zich primair op het standpunt dat niet tot gunning aan [bedrijfsnaam] kan worden overgegaan omdat [bedrijfsnaam] niet voldoet aan de geschiktheidseis zoals geformuleerd in kerncompetentie 1. Subsidiair stelt zij dat de uitleg van kerncompetentie 1 door de gemeente niet alle essentiële onderdelen van de Opdracht dekt, waardoor de Opdracht volgens Technolution moet worden heraanbesteed. De vorderingen van Technolution worden afgewezen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.

3.De achtergrond

3.1.
De gemeente heeft de onder 2 genoemde aanbestedingsprocedure uitgewerkt in onder meer een inschrijvingsleidraad van 19 mei 2025 (hierna: de Inschrijvingsleidraad). Met de aanbesteding beoogde de gemeente met een opdrachtnemer een overeenkomst te sluiten voor de levering van het hiervoor genoemde DVM-systeem.
3.2.
Het DVM-systeem dat de gemeente wenst te verkrijgen is bedoeld om ingezet te kunnen worden voor de toenemende en veranderende mobiliteitsbehoefte als gevolg van gebiedsontwikkelingen in de stad Utrecht. Uit paragraaf 1.3. van de Inschrijvingsleidraad volgt dat de gemeente met dit systeem het verkeer (voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto) wil sturen op basis van de actuele of de te verwachte verkeersituatie. Het systeem moet in dat verband de verkeersafwikkeling monitoren en automatisch ingrijpen om vooraf gestelde doelen te behalen.
3.3.
Om in aanmerking te kunnen komen voor gunning van de Opdracht diende een inschrijver op het moment van inschrijving aan de door de gemeente in de Inschrijvingsleidraad opgenomen geschiktheidseisen te voldoen. Deze geschiktheidseisen bestonden onder andere uit ervaringseisen met betrekking tot de vakbekwaamheid die door middel van een referentieopdracht moesten worden aangetoond. In dat licht heeft de gemeente in de Inschrijvingsleidraad een drietal kerncompetenties vastgesteld. Voor deze zaak is kencompetentie 1 van belang. In paragraaf 4.2.3 van de Inschrijvingsleidraad is dit als volgt geformuleerd:

Kerncompetentie 1: Ervaring met gecoördineerd regelen in de praktijk
U beschikt over ervaring met het in de praktijk in onderlinge samenhang gecoördineerd regelen van
voertuigafhankelijke regelingen van een netwerk in een stedelijke omgeving met minimaal vijf
Verkeersregelinstallaties (VRI’s).”
3.4.
Volgens paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad diende een inschrijving terzijde te worden gelegd wanneer niet aan de genoemde geschiktheidseisen werd voldaan.
In paragraaf 3.1. van inschrijvingsleidraad staat voor zover van belang:
“ (…)
3.1 Toetsen op geschiktheidseisen en uitsluitingsgronden
Na sluiting van de termijn voor het indienen van inschrijvingen begint de beoordeling. Eerst toetst de
gemeente uw inschrijving op de geschiktheidseisen en uitsluitingsgronden.
Voldoet u niet aan de gestelde geschiktheidseisen? Of is één van de uitsluitingsgronden van toepassing
op u, of op eventuele derden waarop u zich beroept om te voldoen aan de geschiktheidseisen? Dan wijst de gemeente uw inschrijving af. (…)”
3.5.
Twee partijen hebben op de Opdracht ingeschreven, te weten Technolution en [bedrijfsnaam] . Bij gunningsvoornemen van 4 september 2025 heeft de gemeente de Opdracht (voorlopig) aan [bedrijfsnaam] gegund. Technolution is als tweede geëindigd. Op twee van de drie gunningscriteria scoorde [bedrijfsnaam] aanmerkelijk beter, op één daarvan scoorden de inschrijvers hetzelfde, en op het prijscriterium scoorde [bedrijfsnaam] ook beter.
3.6.
Bij brief van 18 september 2025 heeft Technolution haar twijfels geuit over de vakbekwaamheid van [bedrijfsnaam] . Zij heeft de gemeente verzocht toe te lichten op welke wijze [bedrijfsnaam] een passende referentie voor kerncompetentie 1 heeft aangeleverd en de gemeente deze vervolgens positief heeft beoordeeld. Bij brief van 24 september 2025 heeft de gemeente Technolution medegedeeld dat zij na verificatie van de referentieopdracht geen aanleiding zag om te twijfelen aan de correctheid van de door [bedrijfsnaam] ingediende referentieopdracht.
Standpunt en vordering van Technolution
3.7.
Na kennisneming van het bericht van de gemeente van 24 september 2025 is Technolution van mening dat de gemeente ten onrechte stelt dat [bedrijfsnaam] aan kerncompetentie 1 uit de Inschrijvingsleidraad voldoet. Zij voert een tweetal redenen aan waarom niet tot gunning aan [bedrijfsnaam] kan worden overgegaan.
3.8.
Ten eerste stelt Technolution dat kerncompetentie 1 moet worden uitgelegd in het licht van de overige aanbestedingstukken. Om die reden komt er volgens haar betekenis toe aan de woorden “in de praktijk” die in kerncompetentie 1 zijn opgenomen. Het gaat er volgens Technolution om dat een inschrijver niet alleen ervaring moet hebben met het regelen van een innovatieomgeving, maar die regelingen ook in de praktijk heeft gebracht. Met andere woorden: er moet een koppeling zijn gemaakt met een verkeersregelinstallatie (VRI). Dat is de operationele omgeving waardoor een verkeerslicht daadwerkelijk op rood of groen springt. Volgens Technolution ontbeert [bedrijfsnaam] ervaring met die operationele koppeling en kan zij daardoor geen geldige referentieopdracht overleggen. Om die reden kan [bedrijfsnaam] niet aan kerncompetentie 1 voldoen, aldus Technolution.
3.9.
Ten tweede stelt Technolution dat wanneer de uitleg van de gemeente met betrekking tot kerncompetentie 1 wordt gevolgd niet kan worden achterhaald of de beoogde opdrachtnemer beschikt over de technische bekwaamheid die is vereist voor het uitvoeren van een essentieel onderdeel van de Opdracht, te weten de koppeling met de operationele omgeving. Volgens Technolution volgt uit de relevante Voorschriften uit de Gids proportionaliteit dat geschiktheidseisen moeten worden gesteld voor alle essentiële competenties die nodig zijn voor een goede uitvoering van de Opdracht. Dat heeft de gemeente met haar uitleg van kerncompetentie 1 nagelaten waardoor de gemeente de Opdracht volgens Technolution moet heraanbesteden.
3.10.
Gezien het voorgaande vordert Technolution– samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordeelt:
Primair
te verbieden op basis van haar gunningsvoornemen tot gunning van de Opdracht over te gaan;
te gebieden haar gunningsbeslissing in te trekken en de inschrijving van [bedrijfsnaam] terzijde te leggen;
te gebieden, indien zij de Opdracht nog wenst te vergeven, over te gaan tot gunning aan Technolution;
Subsidiair
4. te gebieden over te gaan tot gedeeltelijke herbeoordeling van de inschrijvingen op de Opdracht;
Meer subsidiair
5. te gebieden, indien zij de Opdracht nog wenst te vergeven, over te gaan tot heraanbesteding van de Opdracht;
Voorwaardelijk
6. te verifiëren of gegevens uit de inschrijving van [bedrijfsnaam] met betrekking tot kerncompetentie vertrouwelijk zijn en, indien dat niet het geval is, deze gegevens aan Technolution te verstrekken;
Primair en subsidiair
7. tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding van elk gebod en verbod;
8. tot iedere andere maatregel in goede justitie te bepalen;
9. tot betaling van de proces- en nakosten.
Standpunt en verweer van de gemeente
3.11.
De gemeente stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat [bedrijfsnaam] bij inschrijving voldeed aan de gestelde geschiktheidseis uit kerncompetentie 1. Volgens de gemeente is met kerncompetentie 1 niet uitgevraagd dat uit de referentieopdracht moet blijken dat een inschrijver ervaring heeft met het daadwerkelijk aansturen van VRI’s. De gemeente meent dat [bedrijfsnaam] bij haar inschrijving een geldige referentieopdracht heeft overgelegd die vervolgens door de gemeente is gecontroleerd. De uitkomst van de die verificatie heeft niet tot enige twijfel over de juistheid van de referentie geleid. De gemeente stelt dat [bedrijfsnaam] daarmee aan kerncompetentie 1 voldoet en zij voor de Opdracht kwalificeert. Volgens de gemeente is er tevens geen grond voor een heraanbesteding van de Opdracht. Zij concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van Technolution.
Standpunt van [bedrijfsnaam]
3.12.
In aanvulling op het verweer van de gemeente heeft [bedrijfsnaam] nog het volgende naar voren gebracht. Volgens [bedrijfsnaam] heeft Technolution niet aannemelijk gemaakt dat er gerede twijfel bestaat over de geldigheid van haar ingediende referentieopdracht. Dat is wel een voorwaarde om de juistheid van een inschrijving te controleren. Desondanks is de gemeente tot verificatie overgegaan en heeft zij bij brief van 21 oktober 2025 de uitgevoerde controle volgens [bedrijfsnaam] inzichtelijk gemaakt en van een motivering voorzien. [bedrijfsnaam] meent dat het Technolution nu niet vrij staat om zelf nader onderzoek te doen via de controle van de gemeente. Van overlegging van nadere gegevens van haar referentieopdracht, zoals door Technolution gevorderd, kan volgens [bedrijfsnaam] geen sprake zijn.

4.De beoordeling

Geen proceskostenveroordeling in het incident tot tussenkomst
4.1.
[bedrijfsnaam] heeft gevorderd te mogen tussenkomen, met veroordeling van Technolution in de kosten van het incident. Technolution en de gemeente hebben zich niet verweerd tegen de vorderingen in het incident. Het verzoek tot tussenkomst is ter zitting toegewezen. De rechter heeft nog niet beslist op het verzoek Technolution te veroordelen in de kosten van het incident. Omdat Technolution en de gemeente geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd in het incident en een vordering tot tussenkomst dan wel voeging standaard zijn in aanbestedingszaken, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd: iedere partij draagt haar eigen kosten.
In de hoofdzaak
Spoedeisend belang
4.2.
Omdat de gemeente voornemens is de opdracht aan [bedrijfsnaam] te gunnen en er tevens sprake is van een vervaltermijn voor het entameren van een juridische procedure, zoals is opgenomen in het gunningsvoornemen van de gemeente, heeft Technolution een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorzieningen.
De te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis
4.3.
In deze procedure spelen twee (hoofd)vragen:
  • de eerste vraag is wat de reikwijdte is van kerncompetentie 1 en in vervolg daarop of de inschrijving van [bedrijfsnaam] voldoet aan de door de gemeente gestelde geschiktheidseis uit kerncompetentie 1;
  • de tweede vraag is of de gemeente tot heraanbesteding dient over te gaan indien blijkt dat de door de gemeente gestelde geschiktheidseis in kerncompetentie 1 niet de essentiële competenties dekt die nodig zijn voor een goede uitvoering van de Opdracht.
De voorzieningenrechter beantwoordt die vragen hierna.
i.) Voldoet de inschrijving van [bedrijfsnaam] aan de gestelde geschiktheidseis inzake vakbekwaamheid, zoals geformuleerd in kerncompetentie 1 in paragraaf 4.2.3 van de Inschrijvingsleidraad?
Reikwijdte van kerncompetentie 1
4.4.
Vooropgesteld wordt dat een aanbestedende dienst op grond van artikel 2.90 Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw) geschiktheidseisen kan stellen en dat deze eisen op grond van het tweede lid, onderdeel b, van dit artikel technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kunnen betreffen. Op grond van artikel 2.92a, lid 1, Aw kunnen de geschiktheidseisen als bedoeld in voormeld artikel onder meer betrekking hebben op de ervaring waarover een inschrijver moet kunnen beschikken om een overheidsopdracht volgens een passende kwaliteitsnorm uit te voeren. In artikel 2.92a, lid 2, Aw is vervolgens bepaald dat een aanbestedende dienst in dat verband in het bijzonder kan eisen dat een inschrijver door middel van referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten aantoont over voldoende ervaring te beschikken. Op grond van artikel 2.93, lid 1 aanhef en onder b, Aw toont een inschrijver zijn technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid aan door middel van een lijst van voornaamste leveringen of diensten die in de afgelopen periode van ten hoogste drie jaar werden verricht. Met het formuleren van kerncompetentie 1 zoals opgenomen in de Inschrijvingsleidraad heeft de gemeente een ervaringseis als voornoemd op grond van artikel 2.92a Aw uitgevraagd.
4.5.
Het geschil tussen Technolution en de gemeente ziet met name op de vraag op welk gedeelte van de scope van de Opdracht kerncompetentie 1 betrekking heeft. Tussen partijen staat niet ter discussie wat de omvang van de Opdracht is, noch welke technische onderdelen daarvoor vereist zijn. Centraal staat hoe kerncompetentie 1 moet worden uitgelegd.
4.6.
Bij het antwoord op de vraag op welke wijze de aanbestedingsvoorwaarden dienen te worden uitgelegd en te worden toegepast, is van belang wat het Europese Hof van Justitie in de zaak Succhi di Frutta (HvJ 29 april 2004, ECLI:EU:C:2004:236) en de Hoge Raad in zijn arrest van 4 november 2005
(ECLI:NL:HR:2005:AU2806) hebben overwogen en als uitgangspunt voorop hebben gesteld, namelijk dat het aanbestedingsrecht twee centrale beginselen kent: het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel.
4.7.
Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offerte gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden.
4.8.
Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, zodat enerzijds alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde wijze kunnen interpreteren, en anderzijds de aanbestedende dienst in staat is om daadwerkelijk na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Dat brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsvindt.
4.9.
Daarnaast moet acht worden geslagen op de bewoordingen van de aanbestedingsvoorwaarden, gelezen in het licht van de gehele tekst van in beginsel alle aanbestedingsstukken. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn gesteld, zulks binnen de context van het totaal van de aanbestedingsstukken. Bij die uitleg kan onder meer worden gekeken naar de elders in de aanbestedingsstukken gebruikte formuleringen en verschafte informatie. De bedoelingen van de aanbestedende dienst zijn slechts relevant voor zover die bedoelingen uit de aanbestedingsstukken kenbaar zijn.
4.10.
Toegepast op deze zaak volgt uit kerncompetentie 1, zoals onder 3.3 is opgenomen, dat een inschrijver dient te beschikken over ervaring met het in onderlinge samenhang en gecoördineerd aansturen van voertuigafhankelijke regelingen binnen een netwerk. Uit de betekenis die – naar objectieve maatstaven – uit die bewoordingen voortvloeit volgt dat die ervaring binnen een specifieke context moet zijn opgedaan. Ten eerste geldt dat de ervaring in de praktijk moet zijn opgedaan. Een partij die enkel via een simulatie een multimodaal dynamisch verkeersmanagementsysteem heeft ontwikkeld voldoet dus niet aan deze eis. Het gaat erom dat het systeem aantoonbaar in een reële omgeving heeft gefunctioneerd. De woorden “in de praktijk” staan aan het begin van de uitgevraagde kerncompetentie en slaan daarmee op de volledig uitgevraagde ervaring. Uit het vervolg van de formulering van de kerncompetentie blijkt vervolgens ten tweede de situatie waarin de gevraagde ervaring moet zijn opgedaan, namelijk in een netwerk van tenminste vijf VRI’s in een stedelijke omgeving. Met andere woorden: bij kerncompetentie 1 draait om het verwerken van alle data uit verschillende databronnen om op basis daarvan een instructie te formuleren die voor vertaling naar een (slim) systeem wordt gestuurd. De kerncompetentie ziet dus niet op het daadwerkelijk aansturen van de VRI’s, zoals door Technolution wordt gesteld. Dit volgt immers niet uit de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin kerncompetentie 1 is gesteld, mede om de simpele reden dat het er gewoonweg niet staat.
4.11.
De gemeente vraagt met kerncompetentie 1 – samengevat – enkel ervaring met het gecoördineerd regelen en niet meer dan dat. Indien de gemeente specifiek had verlangd dat ook de aansturing van de VRI’s onder de ervaringseis zou vallen, dan had zij dat expliciet in de omschrijving van kerncompetentie 1 hebben moeten opnemen, zodat voor alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers duidelijk was geweest dat zij (ook) ervaring moet hebben met het technisch aansturen van een VRI.
4.12.
De uitleg die Technolution aan kerncompetentie 1 geeft, in die zin dat ook de aansturing van VRI’s daaronder valt, volgt naast de objectieve bewoordingen van de kerncompetentie ook niet uit de bedoeling van de gemeente waarmee zij kerncompetentie 1 heeft opgesteld. Zoals onder 4.9 aan de orde is gekomen zijn de bedoelingen van de aanbestedende dienst slechts relevant voor zover die bedoelingen uit de aanbestedingsstukken kenbaar zijn. Uit het geheel van de aanbestedingsstukken volgt juist dat de aansturing van de VRI’s bewust buiten de gevraagde kerncompetenties is gelaten.
4.13.
Uit paragraaf 1.3 van de Inschrijvingsleidraad volgt wel dat de gemeente een systeem wenst waarin het verkeer wordt gestuurd. Met andere woorden: de opdrachtnemer dient bij uitvoering van de Opdracht te zorgen dat de verkeerslichten in de VRI’s – afhankelijk van wat het systeem op basis van de beschikbare data als instructie geeft – op rood of groen springen. Het voorgaande betekent echter niet dat de technische aansturing van de VRI’s daarmee ook onder kerncompetentie 1 valt. Uit het toepasselijke Programma van Eisen, dat mede onderdeel uitmaakt van de aanbestedingsstukken, volgt namelijk dat aansturing van de VRI’s onderdeel vormt van de gevraagde eisen waar inschrijvers bij inschrijving aan dienen te voldoen. Op die wijze borgt de gemeente de aansturing van de VRI’s. Uit de elders in de aanbestedingsstukken gebruikte formuleringen en verschafte informatie volgt dus dat het niet de bedoeling van de gemeente is geweest om de aansturing van een VRI (mede) in de vorm van een kerncompetentie vast te leggen. De formulering van kerncompetentie 1 is juist gericht op de stap voor de aansturing van de VRI’s: het verwerken van de data en het formuleren van een instructie. In dat kader heeft de gemeente voldoende toegelicht dat die stap het meest complexe onderdeel van het uitgevraagde DVM-systeem is en de kern raakt waar de gemeente naar op zoek is en daarom ervaring mee wenst.
4.14.
Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver de door de gemeente gestelde geschiktheidseis vastgelegd kerncompetentie 1 overeenkomstig de gebruikte bewoordingen had moeten begrijpen, in die zin dat het in de kern gaat om het hebben van ervaring met het gecoördineerd regelen van voertuigafhankelijke regelingen, waarbij minimaal vijf VRI’s zijn betrokken. Daaronder valt niet de daadwerkelijke aansturing van de VRI’s.
Referentieopdracht van [bedrijfsnaam]
4.15.
Nu de reikwijdte van kerncompetentie 1 is vast komen te staan moet worden beoordeeld of de door [bedrijfsnaam] in dat kader ingediende referentieopdracht voldoet, [bedrijfsnaam] daarmee over kerncompetentie 1 beschikt en zij daardoor kwalificeert voor de Opdracht.
4.16.
Op grond van de Aanbestedingswet en bestendige jurisprudentie mag een aanbestedende dienst in beginsel afgaan op de juistheid van de inhoud van een inschrijving en de verklaringen van een inschrijver. Dat neemt echter niet weg dat de aanbestedende dienst nader onderzoek moet doen, met name wanneer er gerede twijfel is op een onderdeel van de inschrijving. Dit kan (bijvoorbeeld) aan de orde zijn indien een andere inschrijver stelt dat de winnende inschrijver niet aan een bepaalde eis voldoet of zal voldoen (zoals Technolution in dit geval doet) en dit zodanig onderbouwt dat daarover gerede twijfel ontstaat. Van een ongeclausuleerde onderzoeksplicht door de aanbestedende dienst is echter geen sprake (vgl. o.a. Hof Den Haag 15 maart 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0867, Hof Den Haag 18 januari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP1258 en rechtbank Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7110).
4.17.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de overgelegde stukken voldoende dat de gemeente naar aanleiding van de bezwaren in de brief Technolution van 18 september 2025 de inschrijving van [bedrijfsnaam] heeft geverifieerd en onderzocht of de opgegeven referentieopdracht aan kerncompetentie 1 voldeed. De gemeente heeft toegelicht dat [bedrijfsnaam] haar referentieopdracht heeft beschreven in het daartoe door de gemeente voorgeschreven formulier 'Opgave referentieopdrachten' dat onderdeel uitmaakt van de aanbestedingsdocumenten. Die beschrijving was volgens de gemeente passend en riep geen vragen op. Naar aanleiding van voornoemde brief van 18 september 2025 heeft de gemeente desondanks per e-mail contact opgenomen met de referent (gemeente Amsterdam) en verzocht om een verificatie, zowel om te bevestigen dat [bedrijfsnaam] de referentieopdracht daadwerkelijk heeft uitgevoerd, als om te controleren dat de referentieopdracht voldoet aan kerncompetentie 1. Volgens de gemeente heeft de uitkomst van het verificatieproces niet tot enige twijfel geleid. Dat wordt bevestigd door de brief van 21 oktober van 2025 van (de advocaat van) de gemeente aan Technolution waarin is uiteengezet op welke wijze de gemeente haar onderzoek heeft uitgevoerd alsmede de daarbij overgelegde
e-mailcorrespondentie tussen de gemeente en de gemeente Amsterdam in dat kader. Uit die e-mailcorrespondentie volgt de schriftelijke bevestiging van de gemeente Amsterdam dat wat [bedrijfsnaam] in het referentieformulier heeft beschreven klopt en dat de gemeente Amsterdam volledig tevreden is over wat door [bedrijfsnaam] is geleverd. Gezien het onderzoek dat is verricht door de gemeente en de overgelegde e-mailcorrespondentie met de gemeente Amsterdam is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gemeente in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de referentieopdracht van [bedrijfsnaam] aan kerncompetentie 1 voldoet.
4.18.
De gemeente heeft met de uitgevoerde verificatie gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht. Technolution kan niet van de gemeente verlangen dat zij meer informatie verstrekt over de aard en inhoud van de referentieopdracht van [bedrijfsnaam] dan dat zij heeft gedaan. Voor zover Technolution betoogt dat de gemeente inzage had moeten verstrekken in de referentieopdracht van [bedrijfsnaam] wordt Technolution daarin niet gevolgd. Het is aan de gemeente als aanbestedende dienst om de inschrijvingen te beoordelen en het vereiste van effectieve rechtsbescherming gaat niet zo ver dat Technolution inzage zou moeten krijgen in (een onderdeel van) de inschrijving van [bedrijfsnaam] om de opgegeven referentieopdracht in het kader van kerncompetentie 1 zelf te controleren. Technolution heeft nog aangevoerd dat de waarde van de referentieopdracht bij de gemeente Amsterdam dermate laag is dat zij niet representatief kan zijn. Met kerncompetentie 1 heeft de gemeente echter geen ervaring in een bepaalde omvang voorgeschreven, in de zin van een bepaalde financiële waarde of voor een bepaalde duur.
4.19.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat de gemeente op basis van de inschrijving van [bedrijfsnaam] , de (nadere) verificatie en de (daarbij) overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de gemeente en de gemeente Amsterdam er zonder verdergaand onderzoek vanuit mocht gaan dat [bedrijfsnaam] met de door haar opgegeven referentieopdracht aan kerncompetentie 1 voldeed. Daarin heeft de gemeente dus geen reden hoeven te zien om de inschrijving van [bedrijfsnaam] ongeldig te verklaren. Technolution heeft verder ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die gerede twijfel zouden moeten oproepen en aanleiding zouden geven tot aanvullend onderzoek. Geconcludeerd wordt daarom dat [bedrijfsnaam] een geldige inschrijving heeft ingediend en er geen aanleiding bestaat om [bedrijfsnaam] van de aanbestedingsprocedure uit te sluiten.
ii.) Moet de gemeente tot heraanbesteding overgaan wanneer kerncompetentie 1 niet de essentiële competenties van de Opdracht dekt?
4.20.
Technolution heeft zich - subsidiair - op het standpunt gesteld dat wanneer de aansturing van VRI’s niet onder kerncompetentie 1 valt de geschiktheidseisen de risico’s van de Opdracht onvoldoende afdekken. Volgens Technolution kan in dat geval niet worden vastgesteld of de boogde opdrachtnemer beschikt over de technische bekwaamheid die is vereist voor het uitvoeren van een essentieel onderdeel van de Opdracht. Het gaat daarbij om de aansturing van de VRI’s via de zogenaamde IVERA-module (de taal waarmee het verkeersmanagementsysteem met de VRI’s “praat”). Het gevolg hiervan is dat de Opdracht volgens Technolution heraanbesteed moet worden.
4.21.
De voorzieningenrechter begrijpt de stelling van Technolution zo dat wanneer essentiële competenties in de geschiktheidseisen achterwege worden gelaten er sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure dat tot heraanbesteding moet leiden. Los van de vraag of de zogenaamde IVERA-module daadwerkelijk een essentieel onderdeel van de Opdracht is, heeft te gelden dat het aan de aanbestedende dienst is welke geschiktheidseisen zij wenst te stellen. Op grond van artikel 2.90 lid 4 Aw dient die bevoegdheid worden beperkt tot het stellen van geschiktheidseisen die kunnen garanderen dat een gegadigde of inschrijver over de juridische en financiële capaciteiten en de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid beschikt om de overheidsopdracht uit te voeren. Daaruit volgt dus niet dat op de aanbestedende dienst de verplichting rust om daadwerkelijk alle essentiële onderdelen van de Opdracht middels geschiktheidseisen af te dekken. De door Technolution in dit kader aangehaalde Voorschriften 3.5 B en F uit de Gids proportionaliteit in samenhang met voornoemd lid 4 alsmede lid 8 van artikel 2.90 Aw zien enkel op de situatie dat wordt voorkomen dat door de aanbestedende dienst te zware eisen worden gesteld die niet of onvoldoende verband houden met het voorwerp van de opdracht en die daarmee niet in een redelijke verhouding staan. Het betreft een nadere invulling van het proportionaliteitsbeginsel. Deze Voorschriften hebben nadrukkelijk niet de strekking dat alle essentiële competenties middels geschiktheidseisen moeten worden uitgevraagd, zoals Technolution betoogt. Op grond van het voorgaande is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure niet gebleken, waardoor er voor een heraanbesteding van de Opdracht geen plaats is.
4.22.
Hetzelfde heeft te gelden voor de door Technolution tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stelling inhoudende dat wanneer kerncompetentie 1 zo wordt uitgelegd dat tussen het DVM-systeem en de VRI’s niet een directe koppeling hoeft te worden gerealiseerd er sprake is van een wijziging van de Opdracht die tot heraanbesteding moet leiden. In 4.14 van dit vonnis is geconcludeerd dat een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver uit de formulering van kerncompetentie 1 in het licht van de overige aanbestedingsstukken heeft moeten begrijpen dat de daadwerkelijke aansturing van de VRI’s daar niet onder valt. Van een (wezenlijke) wijziging van de Opdracht is dus geen sprake. Voor een heraanbesteding is daarom ook op deze grond geen plaats.
Slotsom en proceskosten
4.23.
Op basis van al het voorgaande moet geconcludeerd dat [bedrijfsnaam] aan de geschiktheidseis uit kerncompetentie 1 voldoet. Tevens is niet komen vast te staan dat er een grond voor heraanbesteding bestaat. De vorderingen van Technolution zullen daarom worden afgewezen.
4.24.
Omdat de gemeente er blijk van heeft gegeven nog altijd uitvoering te willen geven aan haar gunningsvoornemen brengt voormelde beslissing mee dat [bedrijfsnaam] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. [bedrijfsnaam] zal worden veroordeeld in de kosten van de gemeente, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de gemeente als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks deze afwijzing moet Technolution in haar verhouding tot [bedrijfsnaam] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [bedrijfsnaam] was tenslotte om te voorkomen dat het de gemeente zou worden verboden om uitvoering te geven aan haar gunningsvoornemen, welk doel is bereikt. Technolution zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van [bedrijfsnaam] . Verder zal Technolution, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de gemeente. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van zowel de gemeente als [bedrijfsnaam] begroot op een bedrag van:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten €
178,00(plus verhoging als in het dictum vermeld)
Totaal € 1.999,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt, als niet weersproken, toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
In het incident
5.1.
compenseert de proceskosten tussen partijen;
In de hoofdzaak
Vorderingen Technolution
5.2.
wijst de vorderingen af;
5.3.
veroordeelt Technolution in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van de gemeente worden begroot op een bedrag van € 1.999,00 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval betaling binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt Technolution in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [bedrijfsnaam] worden begroot op een bedrag van € 1.999,00, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
5.5.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
Vorderingen [bedrijfsnaam]
5.6.
wijst de vorderingen af;
5.7.
veroordeelt [bedrijfsnaam] voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de gemeente in de kosten van de gemeente, tot dusver begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
type: BEv / 4998
coll: