De zaak betreft een vordering van een voormalig medeaandeelhouder en bestuurder van P&S Holding tot afstorting van pensioenrechten en lijfrente. Partijen sloten in 1995 een lijfrenteovereenkomst en bouwden pensioen op binnen de vennootschap. Vanaf 1 mei 2024 vordert eiser maandelijkse uitkeringen, die P&S Holding weigert te betalen.
De kantonrechter oordeelt dat eiser recht heeft op indexering van zijn pensioen, zoals vastgelegd in een pensioenovereenkomst uit 2005, ondanks betwisting van de echtheid door P&S Holding. Het verweer dat documenten zijn vervalst wordt verworpen, mede omdat de pensioenovereenkomst onderdeel was van de administratie van de accountant en P&S Holding jarenlang pensioenberekeningen heeft toegestuurd conform deze overeenkomst.
Ten aanzien van de lijfrente wijst de kantonrechter het beroep van eiser op rekenrente af en legt uit dat het overeengekomen doelvermogen het eindvermogen betreft. P&S Holding wordt veroordeeld tot afstorting van het pensioen en de lijfrente binnen gestelde termijnen, met dwangsommen bij niet-naleving. De vordering tot benoeming van een actuaris wordt afgewezen omdat P&S Holding geen verzoek tot pensioenverevening binnen de wettelijke termijn heeft ontvangen.
De provisionele vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan belang na dit vonnis. P&S Holding wordt veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.