Eiseres heeft op 16 september 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waardoor eiseres op 10 oktober 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, uiterlijk 10 november 2026, alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, moet een dwangsom van € 50,- worden betaald, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van € 453,50 voor proceskosten en wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 53,-. Verzoeken om wettelijke rente en immateriële schadevergoeding worden afgewezen of buiten beschouwing gelaten omdat de procedure nog loopt en de bestuursrechter niet bevoegd is hierover te oordelen.
De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich op 24 december 2025 en is in het openbaar uitgesproken. Partijen zijn niet gehoord omdat zij geen gebruik maakten van dit recht.