In deze zaak heeft eiseres, een Belgische, beroep ingesteld tegen de Dienst Toeslagen omdat deze niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag van 16 september 2024 voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De rechtbank heeft op 24 december 2025 uitspraak gedaan in deze zaak. Eiseres heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ontvangen van de Dienst Toeslagen, maar beide partijen hebben ervoor gekozen om niet te worden gehoord op een zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarop gesloten.
De rechtbank overweegt dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep kan worden ingesteld, en dat eiseres dit heeft gedaan nadat de beslistermijn was overschreden. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn inderdaad is overschreden, en dat eiseres tijdig beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen alsnog een besluit moet nemen, en dat dit binnen twee weken na de uitspraak moet gebeuren, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een andere termijn rechtvaardigen.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 50,- per dag voor elke dag dat de Dienst Toeslagen de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres heeft ook verzocht om wettelijke rente en een vergoeding voor immateriële schade, maar de rechtbank oordeelt dat deze verzoeken pas aan de orde kunnen komen bij de inhoudelijke behandeling van het bezwaar. De rechtbank heeft de proceskosten van eiseres toegewezen en de Dienst Toeslagen veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om in beroep te gaan bij de Raad van State.