ECLI:NL:RBMNE:2025:7279

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2400
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 6:20 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:3 AwbArt. 6.2.a Bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning bouw plantenkas op monumentale buitenplaats bevestigd

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een plantenkas aan een bestaande werkschuur op een monumentale buitenplaats. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht heeft de vergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan en een illegale situatie elders op het perceel.

De rechtbank toetst of het college de discretionaire bevoegdheid tot weigering van de vergunning in redelijkheid heeft uitgeoefend. De rechtbank oordeelt dat de illegale situatie op het perceel de goede ruimtelijke ordening aantast, mede vanwege de samenhang en cultuurhistorische waarde van de buitenplaats. Dit rechtvaardigt de weigering van de vergunning.

Verder is geen sprake van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir) en is de besluitvorming zorgvuldig verlopen. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk geworden omdat het college inmiddels heeft beslist, maar eiseres krijgt een proceskostenvergoeding wegens de vertraging.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de plantenkas. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning ongegrond en bevestigt dat het college de vergunning in redelijkheid mocht weigeren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] BV, uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.G.A. de Boer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, college
(gemachtigde: mr. C. Brons).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor de bouw van een serre (plantenkas) aan een bestaande werkschuur op de buitenplaats [locatie] . Eiseres is het niet eens met de weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 24 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een serre (plantenkas) aan een bestaande werkschuur en voor de bouw van een brug.
2.1.
Op 7 april 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het college heeft op 17 april 2025 de omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de brug, maar de omgevingsvergunning voor de bouw van de plantenkas geweigerd. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking tegen het alsnog genomen besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: ing. [A] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, [B] namens het college, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Deze zaak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning om een plantenkas te bouwen tegen een bestaande werkschuur op buitenplaats [locatie] . Op het perceel [adres] te [plaats] geldt het Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Noord’ (het Bestemmingsplan). Het perceel heeft de monumentale bestemming ‘Buitenplaats’ en dubbelbestemming ‘Waarde – cultuurhistorie 1’, ‘Waarde – cultuurhistorie 4’, en ‘Waarde – archeologie 4’. Eiseres wil de plantenkas bouwen ter plaatse van een aanduiding die geen bebouwing toestaat. Dat is in strijd met artikel 6.2.a. van het Bestemmingsplan. Een binnenplanse afwijking op grond van artikel 6.3.2 van het Bestemmingsplan is niet mogelijk omdat er al meer dan 150 m2 aan bijgebouwen aanwezig is op het perceel. Een buitenplanse kruimelafwijking op grond van artikel 4, lid 1, van Bijlage II, behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is mogelijk, mits sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft geweigerd gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan toch een omgevingsvergunning te verlenen voor de plantenkas, omdat sprake is van een illegale (niet-vergunde) situatie elders op het perceel. Tussen partijen is in geschil of het college in redelijkheid kon besluiten om de omgevingsvergunning voor de plantenkas te weigeren.
Beoordelingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [1]
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij zijn besluitvorming over aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan beleidsruimte heeft. Nadat het college heeft vastgesteld dat een activiteit waarvoor een aanvraag is ingediend in strijd is met het bestemmingsplan, kan hij besluiten om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van dat bestemmingsplan. [2] Als het college van mening is dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan hij ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank toetst of het college met de motivering van het bestreden besluit en bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Beroep niet tijdig beslissen
5. Eiseres heeft op 7 april 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 24 maart 2023. Op het moment dat eiseres het beroep wegens niet tijdig beslissen indiende, was het college in gebreke tijdig te beslissen op de aanvraag. Eiseres heeft het beroep dan ook niet ten onrechte ingesteld. Nu het college met het bestreden besluit van 16 april 2025 alsnog een beslissing op de aanvraag heeft genomen, is het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
6. Eiseres krijgt wel vergoeding van haar proceskosten. Eiseres voert in dat kader aan dat extra handelingen zijn verricht vanwege het niet tijdig beslissen. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd en in de specifieke omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om een hogere wegingsfactor dan ‘licht’ te hanteren wat betreft het beroep wegens niet tijdig beslissen.
Is de weigering voldoende ruimtelijk onderbouwd?
7. Eiseres voert aan dat de weigering van de omgevingsvergunning in ruimtelijk opzicht niet inhoudelijk is gemotiveerd. Dat niet vergund wordt vanwege een vermeend illegale situatie elders op het terrein, is volgens eiseres onvoldoende ruimtelijke onderbouwing. Bovendien gaat het over een situatie aan de andere kant van het perceel. Eiseres wijst ook op de positieve adviezen over de plantenkas van de Provincie, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed en Mooisticht.
7.1.
Het college voert aan dat de plantenkas in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college stelt dat een illegale situatie op het perceel, die afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde, het gehele perceel aantast. Het college wijst erop dat de buitenplaats een bijzondere locatie is en dat op grond van het Afwijkingenbeleid 2014 van de Gemeente Stichtse Vecht sprake is van maatwerk. Het college wenst voor het behoud van de monumentale waarde van de gehele buitenplaats geen medewerking te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan als op het perceel een illegale situatie aanwezig is omdat dan geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening op de buitenplaats.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo een zogenoemde discretionaire (dat wil zeggen: een vrije) bevoegdheid van het college is. De rechtbank moet het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank beoordeelt of het college, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen weigeren van deze bevoegdheid gebruik te maken.
7.3.
Het college heeft in het bestreden besluit de weigering wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening als volgt gemotiveerd:
“De serre/kas is op zichzelf wel denkbaar. Het gebruik past binnen de bestemming ‘Buitenplaats’ en de monumentale waarden worden niet aangetast. Bij de beoordeling of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient echter breder gekeken te worden. Één van de kenmerkende eigenschappen van buitenplaatsen is de samenhang en de structuren binnen de buitenplaats. De bebouwing en inrichting binnen de rijksmonumentale buitenplaats dient, zeker binnen hetzelfde, aanééngesloten perceel met de bestemming ‘Buitenplaats’ daarom ook in samenhang met elkaar beoordeeld te worden. Of er bij een afwijking van het bestemmingsplan sprake is van goede ruimtelijke ordening dient dat in dit geval daarom ook in samenhang met de bebouwing en inrichting binnen de rijksmonumentale buitenplaats en binnen hetzelfde, aanééngesloten perceel met de bestemming ‘Buitenplaats’ te gebeuren. Het afwijken van het bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid. En het feit dat er een illegale situatie binnen de buitenplaats is welke in strijd is met het bestemmingsplan, is reden genoeg om niet mee te werken aan opnieuw een afwijking van het bestemmingsplan. Daarnaast is de illegale situatie in afwijking van de eerder verleende omgevingsvergunning (d.d. 07-04-2021, ons dossiernummer 190002) en in strijd met de adviezen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, MooiSticht en de provincie en bestaat er geen zicht op legalisatie. We kunnen daarom, bij opnieuw een noodzakelijke afwijking van het bestemmingsplan, niet spreken van een goede ruimtelijke ordening binnen de buitenplaats op het moment dat er binnen één en dezelfde buitenplaats een illegale situatie op het perceel aanwezig is.”
7.4.
De rechtbank kan deze motivering waarom de aangevraagde omgevingsvergunning voor de plantenkas in strijd is met een goede ruimtelijke ordening volgen. Met de nadere uitleg van het college in het verweerschrift en op de zitting is helder geworden dat het college bij de beoordeling van de aanvraag het Afwijkingenbeleid heeft toegepast, ook al wordt dit beleid niet genoemd in het bestreden besluit. Op grond van artikel 3.3 van het Afwijkingenbeleid wordt bij een locatie met bijzondere status maatwerk toegepast. Artikel 3.4 van het Afwijkingenbeleid bevat voorwaarden bij maatwerk die een kader bieden waaraan getoetst moet worden om ervoor te zorgen dat de ruimtelijke consequenties bij een afwijking van het bestemmingsplan beperkt blijven, waarbij sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is van oordeel dat het college bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening mocht uitgaan van de situatie op het gehele perceel. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom de illegale situatie maakt dat binnen het gehele perceel sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat het gaat om een buitenplaats waarbij een van de kenmerkende eigenschappen de samenhang en structuren binnen de gehele buitenplaats is. De illegale situatie is een ruimtelijk aspect op het perceel en mocht worden meegewogen bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Dat de illegale situatie op een ander deel van het perceel is, zoals eiseres aanvoert, maakt dit niet anders, nu het gaat om de goede ruimtelijke ordening binnen de gehele buitenplaats. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college in redelijkheid tot het oordeel kan komen dat geen medewerking kan worden verleend aan de afwijking van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit in strijd met het verbod opdétournement de pouvoir?
8. Eiseres voert aan dat sprake is van strijd met het verbod op
détournement de pouvoiromdat het college de illegale situatie als enige reden noemt om de plantenkas te weigeren. Volgens eiseres kan het verschil van inzicht over een situatie op een ander deel van het perceel via een handhavingsprocedure beslecht worden.
8.1.
Het college voert aan dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid. Met betrekking tot de illegale situatie loopt een afzonderlijk handhavingstraject.
8.2.
Het verbod op
détournement de pouvoiris vastgelegd in artikel 3:3 van Pro de Awb. Deze bepaling schrijft voor dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet in strijd met het verbod op
détournement de pouvoirheeft gehandeld. De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de gestelde illegale situatie mocht worden meegewogen bij de besluitvorming over de goede ruimtelijke ordening, nu het gaat om een ruimtelijk aspect binnen het gehele perceel. Het weigeren van de aanvraag vanwege de illegale situatie levert daarom geen strijd op met
détournement de pouvoir. De bevoegdheid tot het nemen van een besluit is niet voor een ander doel gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van onzorgvuldige besluitvorming?
9. Eiseres voert aan dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige behandeling. Zij voert aan dat niet is gereageerd op het verzoek om twee afzonderlijke besluiten te nemen op de aanvraag. Ook acht zij het besluit in strijd met de rechtszekerheid omdat het college zou hebben aangegeven dat de brug vergund kon worden, maar desalniettemin pas laattijdig op de aanvraag heeft beslist met een gedeeltelijk weigeringsbesluit.
9.1.
Het college voert aan dat het tijdsverloop niet maakt dat sprake is van een onzorgvuldige behandeling. Het college voert aan dat splitsing van de aanvraag niet mogelijk was en dat het de eigen keuze van eiseres is geweest om één aanvraag te doen. Op een aanvraag moet met één besluit worden beslist.
9.2.
Artikel 3:2 van Pro de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Uit dit artikel vloeit voor dat overheidshandelen zorgvuldig moet zijn.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. Weliswaar is sprake van een lange behandelduur, maar dat betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldige behandeling. Bovendien biedt de wet mogelijkheden om bij het uitblijven van een beslissing het bestuursorgaan te bewegen een beslissing te nemen. Van die mogelijkheid heeft eiseres ook gebruik van gemaakt. Eiseres’ betoog dat de omgevingsvergunning van de brug al eerder verleend had moeten worden, treft geen doel. Eiseres heeft immers één aanvraag ingediend die zag op twee activiteiten, te weten de brug als de plantenkas. Daarbij heeft zij aangekruist blokkerende onderdelen weg te laten, als gevolg waarvan deels is vergund en deels is geweigerd. Dat sprake zou zijn van strijd met de rechtszekerheid is onvoldoende onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek dwangsom
Eiseres verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de verbeurde dwangsom moet worden betaald, bij gebreke waarvan een dwangsom wordt verbeurd. Het college heeft aangegeven dat de dwangsom op 22 juli 2025 is betaald. De rechtbank zal hier daarom geen beslissing meer over nemen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het college de omgevingsvergunning voor de plantenkas mocht weigeren.
11.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten omdat pas na het beroep wegens niet tijd beslissen op de aanvraag is beslist. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 0,5).
11.2.
Ook moet het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt het college tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 453,50 vanwege het beroep wegens niet tijdig beslissen.
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van N.B. Yalcinkaya, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
de griffier is verhinderd de rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Dit is geregeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 2° of 3° van de Wabo.