ECLI:NL:RBMNE:2025:7286

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
UTR25/1342
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersbesluit voor laadpalen en de rechtsgeldigheid daarvan

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 26 november 2025, staat het verkeersbesluit centraal dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is genomen. Dit besluit betreft de aanwijzing van twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen, gelegen ter hoogte van de zijgevel van de woning van eisers. Eisers zijn het niet eens met dit besluit en hebben beroep ingesteld, waarbij zij verschillende beroepsgronden aanvoeren. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid tot dit verkeersbesluit heeft kunnen komen.

De rechtbank concludeert dat het college de belangen van de betrokkenen zorgvuldig heeft afgewogen en dat de nadelige gevolgen voor eisers niet onevenredig zijn ten opzichte van het doel van het verkeersbesluit. De rechtbank stelt vast dat het college beoordelingsruimte heeft bij het nemen van dit besluit en dat de argumenten van eisers, waaronder de veiligheid van de locatie en de impact op flora en fauna, niet opwegen tegen het belang van het realiseren van laadplekken voor elektrische voertuigen.

Uiteindelijk oordeelt de rechtbank dat het beroep van eisers ongegrond is, wat betekent dat zij geen gelijk krijgen en geen vergoeding van proceskosten ontvangen. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging bij verkeersbesluiten en de toepassing van beleidsregels zoals de Plaatsingsleidraad voor laadinfrastructuur.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1342

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eisers] , uit [plaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: M.T. Smits).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit om twee parkeerplaatsen aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen. De parkeerplaatsen bevinden zich ter hoogte van de zijgevel van de woning in de [adres] . Dit is de woning van eisers. Eisers zijn het niet eens met het besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college het besluit genomen om twee parkeervakken in gebruik te geven in de [straat] (ter hoogte van zijgevel huisnummer [nummer] ) voor uitsluitend het opladen van elektrische auto’s.
1.1.
Bij besluit van 10 januari 2025 ( het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
1.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Bij brieven van 5 en 7 augustus 2025 hebben eisers aanvullende stukken toegestuurd ter onderbouwing van hun beroep.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingsruimte
2.1.
Het college heeft beoordelingsruimte bij een besluit als dit: dit betekent dat de gemeente voor deze plek mag kiezen, ook als een andere locatie ook had gekund. Daarbij geldt wel dat het college het besluit voldoende moet motiveren en de betrokken belangen kenbaar moet afwegen. Daarbij gaat het er in de eerste plaats om dat het verkeersbesluit één of meer belangen uit artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 dient. In de tweede plaats gaat het erom of de uitkomst van die beoordeling opweegt tegen de voor belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. De bestuursrechter gaat niet na of zij in het concrete geval tot eenzelfde besluit zou zijn gekomen.
Heeft het college het verkeersbesluit genomen overeenkomstig de Plaatsingsleidraad?
3. Eisers betwisten niet dat het verkeersbesluit de belangen uit artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 dient. Zij voeren aan dat het college het beleid ‘Plaatsingsleidraad en inrichtingskader publieke laadinfrastructuur’ (de Plaatsingsleidraad) niet goed heeft toegepast. Het college heeft de terminologie in de Plaatsingsleidraad namelijk gewijzigd. Eerst stond volgens eisers in het beleid dat laadpalen liever voor een blinde gevel (een gevel zonder ramen) werden geplaatst, daarna een minder prominente gevel en nu een zijgevel. De zijgevel waar de laadpalen zijn geplaatst is wel prominent. In de zijgevel zitten de ramen van de keuken, werkkamer en slaapkamers van de kinderen van eisers.
4. De rechtbank stelt vast dat in de Plaatsingsleidraad gewenste plaatsingscriteria staan opgesomd. Hierin staat ook dat laadpalen bij voorkeur worden gepositioneerd bij zijgevels, dan wel de minst prominente gevel. Zelfs als de zijgevel de meest prominente gevel van de woning zou zijn, zou dat niet betekenen dat de laadpaal daar niet geplaatst mag worden volgens de Plaatsingsleidraad. In het beleid staat namelijk dat het slechts een wens is om de laadpaal niet voor de meest prominente gevel te plaatsen. Ook staat er nergens dat het college op een dergelijke plek geen parkeerplekken voor elektrisch opladen zouden mogen reserveren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het beleid niet verkeerd heeft toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college de belangenafweging in het nadeel van eisers laten uitvallen?
5. Eisers voeren aan dat de nadelige gevolgen niet in verhouding staan tot het doel van het besluit. De laadpaal staat op een onveilige plek. Dat komt omdat de brand die ontstaat door een elektrische auto gevaarlijker is dan bij een benzineauto. Wanneer een elektrische auto in brand vliegt, is er volgens eisers niet genoeg ruimte om de brand te doven. Eisers verwijzen daarvoor naar het rapport ‘Literatuuronderzoek naar de brandeffecten van Lithium-ion batterijbranden’ (het rapport), een lijst van branden, krantenartikelen en andere algemene informatie. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat het daarnaast problematisch is als het water vervolgens wegloopt via de rioolput bij de laadpaal, omdat het water dan in de riolering terecht komt. Daarbij wijzen eisers erop dat dit ook niet mag volgens de Plaatsingsleidraad. Tot slot wijzen eisers op de overlast die de laadpaal geeft. Ze hebben last van het blauwe licht van de laadpaal in de tuin en het geluid van de opladende auto’s. Ook bestaat er een risico dat de waarde van hun woning daalt en bestaat het praktische probleem dat het lastig is om een steiger bij de woning te plaatsen als er onderhoud verricht moet worden. Er zijn daarnaast alternatieve locaties om een laadpaal te plaatsen.
6. De rechtbank is van oordeel dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en de nadelige gevolgen van eisers niet onevenredig zijn ten opzichte van het doel van het verkeersbesluit.
6.1.
Ten aanzien van de veiligheid van de locatie van de laadpaal, begrijpt de rechtbank dat eisers bezorgd zijn over de gevaren van een eventuele brand, zeker aangezien eiser vanuit zijn werkveld ervaring daarmee heeft. Op zitting is vastgesteld dat ook het college op basis van het rapport ziet dat als een elektrische auto in brand vliegt, dit lastiger te blussen is. Het college zegt echter terecht dat dit niet opweegt tegen het doel van het bestemmen van de parkeervakken voor elektrisch opladen. Uit de stukken blijkt weliswaar dat een elektrische auto lastiger te blussen is, maar die brand kan wel worden gedoofd. De weg is bovendien breed genoeg om een eventuele brand te doven. Ook betrekt het college terecht dat uit het rapport niet blijkt dat er vanwege dit risico geen parkeerplekken voor elektrisch laden bij een gevel zouden mogen worden geplaatst. Wat betreft het bluswater dat wegloopt via de rioolput, overweegt de rechtbank dat uit de Plaatsingsleidraad volgt dat snelladers moeten worden geplaatst op een afstand van 2,5 meter afstand van de kern van een riolering, maar voor reguliere laders geldt dit niet.
6.2.
De rechtbank oordeelt verder dat eisers door het verkeersbesluit niet onevenredig in hun belangen worden geraakt. Het college heeft terecht overwogen dat de ervaren overlast niet opweegt tegen het belang van het realiseren van plekken voor elektrisch opladen. Niet is gebleken dat het geluid van het opladen dusdanig storend is dat het verkeersbesluit niet had mogen worden genomen. De intensiteit van het blauwe licht dat in de tuin van eisers schijnt, is daarnaast inmiddels naar beneden bijgesteld en op zitting heeft het college geopperd dat hij met de eigenaar van de laadpaal zal overleggen of bijvoorbeeld een kapje het licht nog verder kan dempen. Verder overweegt de rechtbank dat het plaatsen van een steiger een onvoldoende concreet gevolg van dit verkeersbesluit is en het besluit dus ook niet onevenredig maakt. Dat de laadpaal invloed zou hebben op de waarde van de woning is door eisers niet met stukken onderbouwd. Tot slot betekent het feit dat er alternatieve locaties zijn om een laadpaal te plaatsen, niet dat het college deze parkeerplekken hiervoor niet mocht reserveren. De beroepsgrond slaagt niet.
Het relativiteitsvereiste
7. Tot slot voeren eisers aan dat de laadpaal invloed heeft op de flora en fauna. Eisers hebben na de plaatsing van de laadpaal geen vleermuizen meer gezien. Ook de egels blijven weg. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het blauwe licht van de laadpaal.
8. De rechtbank overweegt dat zij een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van het belang van eisers. [1] De beroepsgrond ziet op bescherming van het belang van de flora en fauna, in plaats van het belang van eisers. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:79a van de Algemene wet bestuursrecht.