ECLI:NL:RBMNE:2025:7326

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/3598
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es – de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 2 Gemeentewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken onmiddellijk laden en lossen

Eiser kreeg op 27 maart 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn voertuig zonder betaling geparkeerd stond op de Vleutenseweg in Utrecht. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij aan het laden en lossen was, maar kon dit niet aantonen met foto’s of andere bewijzen. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag en de rechtbank behandelde het beroep op 26 november 2025.

De rechtbank overwoog dat volgens artikel 225, lid 2 van de Gemeentewet onder parkeren wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor onmiddellijk in- en uitstappen of onmiddellijk laden en lossen. De bewijslast voor het onmiddellijk laden en lossen rust op eiser. Uit de foto’s bleek geen directe laad- of losactiviteiten, geen open portieren of brandende verlichting, en waren er geen personen zichtbaar. Eiser voerde aan dat hij niet op de foto’s stond omdat hij in het pand bezig was en dat hij de knipperlichten niet aan had omdat hij in een parkeervak stond.

De rechtbank volgde de heffingsambtenaar en oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van onmiddellijk laden en lossen van zaken van enige omvang en gewicht. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser moet de aanslag betalen zonder vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard en eiser moet de aanslag betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3598

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Koopmans).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 27 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2
Met de uitspraak op bezwaar van 23 april 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 26 november 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen, zonder bericht van verhindering.

Overwegingen

2. Op 15 maart 2024 stond het voertuig van eiser met kenteken [plaats] geparkeerd op de Vleutenseweg in Utrecht, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] om 16:58 uur opgelegd.
3. Eiser voert aan dat hij aan het laden en lossen was. Dit ging om onder andere kantoorspullen. Eiser is van mening dat als hij niet op de foto’s staat dat niet wil zeggen dat je niet bezig bent met laden en lossen. In reactie op het verweerschrift vult eiser aan dat hij niet op de foto’s te zien was omdat hij op dat moment bezig was in het pand om de spullen neer te zetten. Hij laat hierbij zijn kofferbak niet open omdat er teveel gestolen wordt bij het openlaten van voertuigen. Het was bij hem niet bekend dat hij de knipperlichten aan had moeten zetten aangezien deze lampen bedoeld zijn als gevarenlicht en hij in een parkeervak stond.
4. De heffingsambtenaar licht toe dat artikel 225, lid 2 van de Gemeentewet bepaalt, dat onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Volgens vaste rechtspraak moet het bij het ‘onmiddellijk laden of lossen van zaken’ gaan om het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Voor de vraag of sprake is van het ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’ rust op eiser de bewijslast. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat daarvan geen sprake was. Vervolgens geeft de heffingsambtenaar de werkwijze weer, waarbij er geen naheffingsaanslag wordt opgelegd als uit de foto’s duidelijk blijkt dat sprake is van laden en lossen. Als er daarna door de deskcontrol medewerker getwijfeld wordt of de aanslag terecht is opgelegd, hij kan besluiten om alsnog een parkeercontroleur ter plaatse te laten controleren. Daarvan kan sprake zijn als iemand in het voertuig zit of als de lampen aan staan. In dit geval is er volgens de heffingsambtenaar geen aanleiding geweest om te twijfelen of er al dan niet sprake was van parkeren. Daarom heeft er geen nacontrole plaatsgevonden. Uit de foto’s blijkt niet dat er sprake is van directe laad/los activiteiten, open portieren c.q. laadklep dan wel of sprake is van brandende verlichting. Ook staan er geen personen op de foto’s. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat het ook echt moet gaan om zaken die moeilijk anders dan met een auto vervoerd kunnen worden.
5. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen en is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Op het moment dat iemand zijn auto neerzet op een plek waar normaal gesproken voor moet worden betaald, en daarbij gebruik wilt maken van een uitzondering op die regel, zoals voor het onmiddellijk laden en lossen, dan moet de bestuurder kunnen aantonen dat daar sprake van is. [1] Daarnaast moet de bestuurder aan kunnen tonen dat het gaat om zaken van enige omvang en gewicht, die niet op een andere manier dan met de auto vervoerd hadden kunnen worden. Dat heeft eiser niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser de naheffingsaanslag moet betalen. Er is daarom geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 december 2025.
de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.