ECLI:NL:RBMNE:2025:7328

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/1413 t/m 25/1415
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde van onroerende zaken gegrond, waardes verlaagd

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap. Eiser had beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van drie onroerende zaken in [plaats], die door de heffingsambtenaar waren vastgesteld op respectievelijk € 99.000,-, € 81.000,- en € 53.000,-. De heffingsambtenaar had in een eerdere beschikking van 30 april 2024 deze waarden vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met als waardepeildatum 1 januari 2021. Eiser had bezwaar gemaakt tegen deze waarden, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Tijdens de zitting op 15 december 2025 heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de vastgestelde waardes geen stand kunnen houden en heeft hij voorgesteld om de waardes te verlagen naar respectievelijk € 50.000,-, € 40.000,- en € 26.000,-. Eiser stemde in met deze voorgestelde waardes, waardoor de rechtbank het beroep gegrond verklaarde. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden en dat eiser recht heeft op een vergoeding van de proceskosten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De uitspraak is openbaar uitgesproken en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/1413 t/m UTR 25/1415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Inleiding

1.1
In de beschikking van 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden van diverse onroerende zaken in [plaats] voor het belastingjaar 2022 naar de waardepeildatum 1 januari 2021 als volgt vastgesteld:
Zaaknummer
Woning/niet-woning
Object
Vastgestelde waarde
UTR 25/1413
Woning
[adres 1] [plaats]
€ 99.000,-
UTR 25/1414
Woning
[adres 2] [plaats]
€ 81.000,-
UTR 25/1415
Woning
[adres 3] [plaats]
€ 53.000,-
1.2
De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de objecten ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.3
In de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hierbij zijn de WOZ-waarden van de objecten gehandhaafd.
1.4
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 15 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

Procedeergedrag
2.1
Het door de gemachtigde van eiser opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en de andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaken betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er al eerder op gewezen dat zij daar niets mee kan. [1]
2.2
Pas op zitting wordt door de gemachtigde van eiser concreet gemaakt waarom eiser het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Nadat de heffingsambtenaar in de beroepsfase de WOZ-waardes nader heeft onderbouwd met het verweerschrift (ontvangen door de rechtbank op 13 oktober 2025 en op dezelfde dag doorgestuurd naar de gemachtigde van eiser met een verzoek om reactie) heeft de gemachtigde van eiser echter ruimschoots de kans gehad om daar op tijd op te reageren. Met dit procedeergedrag ontneemt de gemachtigde verweerder én de rechtbank de kans om zich adequaat voor te bereiden op (een reactie op) standpunten die pas op de zitting concreet aan een onroerende zaak worden gerelateerd. De rechtbank staat dit procedeergedrag niet toe wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat daarom de gronden die de gemachtigde op de zitting heeft aangevoerd en die niet een nadere onderbouwing zijn van gronden uit zijn beroepschrift of pinpointbrief buiten beschouwing. De rechtbank behandelt dus alleen de gronden die de gemachtigde eerder op schrift heeft gesteld en zijn geconcretiseerd op zitting.
Beoordelingskader
3. De WOZ-waarde van de woningen is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woningen meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woningen zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woningen wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woningen. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woningen. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
4. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woningen op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waardes heeft aangevoerd, meewegen.
Beoordeling van het geschil
5. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift aangegeven dat de vastgestelde waardes geen stand kunnen houden en heeft voorgesteld de waardes als volgt te verlagen:
- [adres 1] , vastgesteld € 99.000,-, voorgestelde waarde € 50.000,-;
- [adres 2] , vastgesteld € 81.000,-, voorgestelde waarde € 40.000,-;
- [adres 3] , vastgesteld € 53.0000,-, voorgestelde waarde € 26.000,-.
Omdat de heffingsambtenaar heeft aangegeven dat de vastgestelde waardes geen stand kunnen houden is het beroep gegrond. Eiser heeft tijdens de behandeling van de zaak op de zitting aangegeven akkoord te zijn met deze voorgestelde waardes. De rechtbank zal de waardes van de betreffende woningen conform waardevoorstel verlagen.
Proceskosten en griffierecht
6. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Eiser heeft, zowel in de beroeps- als in de bezwaarfase verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar ook te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep.
7. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 [2] en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
8. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
9. Zowel de aanslag als de uitspraak op bezwaar dateren van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase dan ook vast met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ op € 615,25 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,125, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 907,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). De rechtbank gaat in beroep niet uit van een factor 1,5 voor samenhangende zaken. Eiser heeft één beroepschrift ingediend tegen in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar. Daarom is voor de toepassing van de regeling inzake proceskostenvergoeding sprake van één zaak. [3]
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
10. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
11. Het bezwaarschrift is ontvangen op 3 mei 2024. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet overschreden is. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • stelt de waarde van de woning aan de [adres 1] , vast op € 50.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2021;
  • stelt de waarde van de woning aan de [adres 2] , vast op € 40.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2021;
  • stelt de waarde van de woning aan de [adres 3] , vast op € 26.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2021;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig vermindert;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 615,25 aan proceskosten aan eiser;
  • wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 december 2025.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 is de rechtbank ingegaan op het procedeergedrag van de gemachtigde van eiser.
2.ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij
3.vgl. HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3953 en hof Arnhem-Leeuwarden 20 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8134.