ECLI:NL:RBMNE:2025:7330

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
UTR 21/1371
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde van onroerende zaak en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar op € 1.068.000,- is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft deze waarde onderbouwd met een taxatiematrix en heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft eerder verzet aangetekend tegen een niet-ontvankelijk verklaring van zijn beroep, wat door de rechtbank gegrond is verklaard. Tijdens de zitting op 15 december 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat de gemachtigde van eiser niet tijdig concrete gronden heeft ingediend, waardoor de rechtbank de gronden die op de zitting zijn aangevoerd buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Daarnaast heeft eiser verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn met 3 jaar en 10 maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 4.000,-. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar en de Staat aan als partijen die ieder een deel van de schadevergoeding moeten betalen. De rechtbank heeft ook proceskosten vergoed en het griffierecht toegewezen aan eiser. De uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren en is openbaar uitgesproken op 22 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1371

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [plaats 2], verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).
Verder heeft als partij deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).

Inleiding

1.1
In de beschikking van 29 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats 1] (de woning) voor het belastingjaar 2020 naar de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 1.068.000,-. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.3
In de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hierbij is de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.4
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van
27 september 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.5
Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Bij uitspraak van 21 maart 2022 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend.
1.6
De zaak is behandeld op de zitting van 15 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

Procedeergedrag
2.1
Het door de gemachtigde van eiser opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en de andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er al eerder op gewezen dat zij daar niets mee kan. [1]
2.2
Pas op zitting wordt door de gemachtigde van eiser concreet gemaakt waarom eiser het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Nadat de heffingsambtenaar in de beroepsfase de WOZ-waarde nader heeft onderbouwd met het verweerschrift (ontvangen door de rechtbank op 24 september 2025 en op 25 september 2025 doorgestuurd naar de gemachtigde van eiser met een verzoek om reactie) heeft de gemachtigde van eiser echter ruimschoots de kans gehad om daar op tijd op te reageren. Met dit procedeergedrag ontneemt de gemachtigde verweerder én de rechtbank de kans om zich adequaat voor te bereiden op (een reactie op) standpunten die pas op de zitting concreet aan een onroerende zaak worden gerelateerd. De rechtbank staat dit procedeergedrag niet toe wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat daarom de gronden die de gemachtigde op de zitting heeft aangevoerd en die niet een nadere onderbouwing zijn van gronden uit zijn beroepschrift of pinpointbrief buiten beschouwing. De rechtbank behandelt dus alleen de gronden die de gemachtigde eerder op schrift heeft gesteld en zijn geconcretiseerd op zitting.
Beoordelingskader
3. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
4. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2019) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
Feiten
5. De woning is een vrijstaande bungalow gebouwd in 1960. De woning heeft een inpandige garage van 75 m², een zwembad, een souterrain/woonkelder van 94 m² en een aanbouw van 38 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 160 m² en ligt op een perceel van 1.540 m².
Geschil
6. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2019. Eiser bepleit een lagere waarde
.De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 1.068.000,-.
7. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vier verkopen in [plaats 1] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 30 maart 2018 voor € 557.500,-;
- [adres 3] , verkocht op 1 februari 2019 voor € 600.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 3 april 2018 voor € 450.000,-;
- [adres 5] , verkocht op 27 juli 2018 voor € 440.000,-.
Beoordeling van het geschil
8
.De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, het taxatierapport en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook drie vrijstaande woningen zijn die in [plaats 1] liggen en één vrijstaande woning in het nabijgelegen Werkhoven en die niet te ver van de waardepeildatum zijn. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning ten aanzien van onder meer de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau door voor de woning een m²-prijs onder de gemiddelde m²-prijs van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
9. Nu de gemachtigde van eiser niet tijdig concrete op de zaak toegespitste gronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
11. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. [2]
12. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (11 maart 2020) en de dag van deze uitspraak zit afgerond 5 jaar en 10 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met 3 jaar en 10 maanden en dat een schadevergoeding moet worden toegekend.
13. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. [3] Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van
€ 500,- per half jaar. Vanwege de overschrijding met 3 jaar en 10 maanden heeft eiser dus recht op € 4.000,-.
14. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. De bezwaarfase heeft afgerond 11 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 5 maanden is overschreden. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 19 maart 2021, afgerond 58 maanden geduurd en daarmee 40 maanden te lang. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar afgerond € 637,68 aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat afgerond € 3.362,32.
.
15. De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij dit beroep. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000,- is, hoeft de minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren.
Proceskosten en griffierecht
16. Omdat de rechtbank het verzet gegrond heeft verklaard en de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er ook aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Voor het verzet komt voor vergoeding in aanmerking € 647,- ( 1 punt voor het indienen van het verzetschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank volgt voor de vergoeding van de proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn het uitgangspunt van de Hoge Raad om 1 punt toe te kennen met een wegingsfactor van 0,25. [4] Omdat het beroep ongegrond is, worden er geen andere punten toegekend. Een punt heeft in beroep een waarde van € 907,-. Het gaat dus om een bedrag van € 907,- x 0,25 = € 226,75. De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 873,75
.
17. Voor de vergoeding van het griffierecht sluit de rechtbank aan bij het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [5] Nu het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan vóór de datum van dit arrest en de redelijke termijn al vóór deze datum was overschreden, zal de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat opdragen het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De heffingsambtenaar en de Staat moeten ieder de helft vergoeden van de proceskosten en het griffierecht. [6]
18. De rechtbank wijst de Staat en de heffingsambtenaar erop dat zij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en immateriële schadevergoeding uitsluitend mogen uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 637,68 schadevergoeding aan eiser;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van € 3.362,32 schadevergoeding aan eiser;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 97,08 aan proceskosten aan eiser;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 776,67 aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht tot een bedrag van € 24,50 aan eiser moet vergoeden;
  • bepaalt dat de Staat het griffierecht tot een bedrag van € 24,50 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 december 2025.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 is de rechtbank ingegaan op het procedeergedrag van de gemachtigde van eiser.
2.Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
3.Artikel IV, onder b, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 e.v.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.