ECLI:NL:RBMNE:2025:7332

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/5415
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en wettelijke rente over dwangsom

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die door de heffingsambtenaar op 25 oktober 2023 is opgelegd. Eiser heeft op 6 december 2023 bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Aangezien er geen tijdige uitspraak op het bezwaar volgde, heeft eiser de heffingsambtenaar op 14 mei 2024 in gebreke gesteld. Op 14 augustus 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op 25 oktober 2024 uitspraak gedaan op het bezwaar, waarbij de naheffingsaanslag is vernietigd en eiser in aanmerking kwam voor een dwangsom van € 1.442,-. Eiser heeft echter verzocht om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten en om wettelijke rente over de dwangsom, die niet tijdig was uitbetaald.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd is over de dwangsom vanaf 3 september 2024, omdat de betalingstermijn niet is nageleefd. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten aan eiser. De proceskosten zijn vastgesteld op € 453,50. De rechtbank heeft de zaak als licht gekwalificeerd, aangezien het geschil beperkt was tot de vraag of de wettelijke rente over de dwangsom moest worden toegewezen. De uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam op 9 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: W.G. Vos).

Procesverloop

1. De heffingsambtenaar heeft eiser op 25 oktober 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. [1] Op 6 december 2023 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt.
2. Eiser heeft de heffingsambtenaar op 14 mei 2024 in gebreke gesteld, omdat er nog geen uitspraak op zijn bezwaar was gedaan.
3. Op 14 augustus 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag.
4. De heffingsambtenaar heeft eiser bij brief van 29 augustus 2024 (verzonden
2 september 2024) laten weten dat hij in aanmerking komt voor een dwangsom van
€ 1.442,-. Op 25 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak gedaan op het bezwaar van eiser. Het bezwaar is gegrond verklaard en de naheffingsaanslag is vernietigd.
5. Bij brief van 29 oktober 2024 heeft eiser aan de rechtbank laten weten dat hij zich inhoudelijk met de uitspraak op bezwaar kan verenigen, maar wel verzoekt om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten wegens het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Daarnaast geeft eiser aan dat de heffingsambtenaar de verbeurde dwangsom nog niet en dus niet tijdig heeft uitbetaald. Eiser verzoekt daarom tevens om de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 over de dwangsom.
6. De heffingsambtenaar heeft meegedeeld dat het dwangsombedrag van € 1.442,- op
6 november 2024 (alsnog) aan eiser is uitbetaald.
7. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Overwegingen

8. Het resterende geschil tussen partijen gaat over de vraag of de heffingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd is wegens het niet tijdig uitbetalen van de dwangsom. Daarnaast zijn de proceskosten wegens het beroep niet tijdig beslissen aan de orde.
Wettelijke rente over de dwangsom
9. In artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De
dwangsom bedraagt maximaal € 1.442,-. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb). De betalingstermijn van de dwangsom is zes weken na bekendmaking van de beschikking (artikel 4:87, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:100 van de Awb is, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de heffingsambtenaar het maximale bedrag van
€ 1.442,- aan dwangsom verschuldigd is en dat dat bedrag inmiddels aan eiser is voldaan. Toegepast op deze zaak zijn de data die in de vorige alinea zijn genoemd als volgt. Aangezien eiser de heffingsambtenaar op 14 mei 2024 in gebreke heeft gesteld, begon de periode dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd raakte te lopen op
28 mei 2024. De maximale dwangsom was 42 dagen later, op 9 juli 2024, bereikt. De heffingsambtenaar had de dwangsom binnen twee weken daarna, dus uiterlijk op
23 juli 2024, moeten vaststellen. De rechtbank is het niet eens met de heffingsambtenaar dat deze vaststellingstermijn pas begon te lopen met het verzenden van de brief over de dwangsom op 2 september 2024. Volgens de wetsgeschiedenis moet de vaststellingsbeschikking namelijk worden genomen binnen twee weken na de dag waarop de maximale dwangsom is bereikt, terwijl de heffingsambtenaar uitgaat van de datum van het versturen van de brief over de vastgestelde dwangsom. [3] Vervolgens had de dwangsom binnen zes weken, dus uiterlijk op 3 september 2024 moeten worden uitbetaald. Dit heeft tot gevolg dat de heffingsambtenaar vanaf 3 september 2024 tot en met dag der voldoening van de dwangsom wettelijke rente over de dwangsom aan eiser dient te vergoeden.
11. Aangezien de heffingsambtenaar niet heeft aangevoerd dat de grens van € 10,- niet is overschreden als hij de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 verschuldigd is, gaat de rechtbank ervan uit dat de uitzondering van artikel 4:98, eerste lid, van de Awb zich niet voordoet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank kwalificeert het gewicht van deze zaak als licht nu het geschil is beperkt tot de vraag of de wettelijke rente over de dwangsom moet worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar over het bedrag van € 1.442,- aan dwangsom wettelijke rente is verschuldigd vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 9 oktober 2023 om 09:28 uur.
2.Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie Kamerstukken II 2004/5, 29 934, nr. 6 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29934-6.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), p. 15