Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
Procesverloop
2 september 2024) laten weten dat hij in aanmerking komt voor een dwangsom van
€ 1.442,-. Op 25 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak gedaan op het bezwaar van eiser. Het bezwaar is gegrond verklaard en de naheffingsaanslag is vernietigd.
6 november 2024 (alsnog) aan eiser is uitbetaald.
Overwegingen
dwangsom bedraagt maximaal € 1.442,-. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb). De betalingstermijn van de dwangsom is zes weken na bekendmaking van de beschikking (artikel 4:87, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:100 van de Awb is, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
€ 1.442,- aan dwangsom verschuldigd is en dat dat bedrag inmiddels aan eiser is voldaan. Toegepast op deze zaak zijn de data die in de vorige alinea zijn genoemd als volgt. Aangezien eiser de heffingsambtenaar op 14 mei 2024 in gebreke heeft gesteld, begon de periode dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd raakte te lopen op
28 mei 2024. De maximale dwangsom was 42 dagen later, op 9 juli 2024, bereikt. De heffingsambtenaar had de dwangsom binnen twee weken daarna, dus uiterlijk op
23 juli 2024, moeten vaststellen. De rechtbank is het niet eens met de heffingsambtenaar dat deze vaststellingstermijn pas begon te lopen met het verzenden van de brief over de dwangsom op 2 september 2024. Volgens de wetsgeschiedenis moet de vaststellingsbeschikking namelijk worden genomen binnen twee weken na de dag waarop de maximale dwangsom is bereikt, terwijl de heffingsambtenaar uitgaat van de datum van het versturen van de brief over de vastgestelde dwangsom. [3] Vervolgens had de dwangsom binnen zes weken, dus uiterlijk op 3 september 2024 moeten worden uitbetaald. Dit heeft tot gevolg dat de heffingsambtenaar vanaf 3 september 2024 tot en met dag der voldoening van de dwangsom wettelijke rente over de dwangsom aan eiser dient te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.