ECLI:NL:RBMNE:2025:7336

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/16/593536 / FL RK 25-575
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen over de woning, het gezag over de kinderen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 5 december 2025 een beschikking uitgesproken in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, die in 2009 in Caïro (Egypte) zijn getrouwd. De partijen hebben zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw verblijft sinds februari 2025 met de kinderen in Egypte, terwijl de man in Nederland woont. De rechtbank Den Haag heeft eerder bepaald dat de kinderen terug naar Nederland moeten komen, maar deze beslissing is niet uitgevoerd. De man heeft de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om te beslissen over het huurrecht van de woning en het gezag over de kinderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk rechtsgeldig is en dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de echtscheiding en de nevenvoorzieningen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken, het huurrecht van de woning aan de man toegewezen en bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de man toekomt. De vrouw is niet verschenen tijdens de zitting en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw het contact met de man heeft verbroken en dat het in het belang van de kinderen is dat de man alleen het gezag uitoefent. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/593536 / FL RK 25-575
Echtscheiding en nevenvoorzieningen
Beschikking van 5 december 2025
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.F. Achekar,
tegen
[de vrouw],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) in [woonplaats] ,
volgens de man wonende in Caïro (Egypte),
hierna te noemen: de vrouw.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 15 mei 2025 het verzoekschrift met bijlagen van de man ontvangen.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
21 november 2025. Daarbij waren aanwezig: de man met zijn advocaat en [persoon] namens de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de Raad). De vrouw is niet verschenen, hoewel zij juist is opgeroepen.
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 2] niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2009 met elkaar getrouwd in Caïro (Egypte).
2.2.
Partijen bezitten volgens de man allebei zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Partijen zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [woonplaats] .
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen moeten nemen.
2.5.
Sinds 15 februari 2025 zijn de vrouw, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Egypte. Na een teruggeleidingsverzoek van de man heeft rechtbank Den Haag de terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland gelast. Deze beslissing is op 11 juli 2025 genomen en is inmiddels onherroepelijk geworden. Dit betekent dat partijen niet tegen de beslissing in hoger beroep zijn gegaan en dat de beslissing daarom definitief is.
2.6.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij beschikking van
1 augustus 2025 de volgende voorlopige voorzieningen getroffen (zaaknummer: C/16/593531 / FL RK 25-574):
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn toevertrouwd aan de man;
  • de man is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] .
2.7.
De man verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
2.8.
Daarnaast verzoekt de man de rechtbank om te bepalen dat:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
  • het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] wordt toebedeeld aan hem;
  • het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt beëindigd en uitsluitend toekomt aan de man.

3.De beoordeling

De echtscheiding
Erkenning van het huwelijk
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat er tussen partijen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland erkend wordt. [1]
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.2.
Omdat de laatste gewone verblijfplaats van partijen in Nederland is én de man hier nog steeds verblijft, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de man om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. [2] Het Nederlands recht is op dat verzoek van toepassing. [3]
Het ontbreken van het ouderschapsplan
3.3.
Het is partijen nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over de kinderen, zoals wanneer de kinderen bij wie zijn en hoe partijen elkaar op de hoogte houden over de kinderen. Als partijen geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat partijen zo’n plan hebben gemaakt. De
rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van partijen kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.
3.4.
De rechtbank vindt dat van partijen niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken. De man heeft namelijk onweersproken en daarmee voldoende uitgelegd dat er op dit moment geen communicatie mogelijk is tussen partijen. De man heeft de vrouw toestemming gegeven om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te gaan naar Egypte van 15 februari 2025 tot en met 23 februari 2025. In Egypte heeft de vrouw het contact met de man verbroken. De man heeft de vrouw en zijn kinderen sindsdien niet meer gezien. Dit was de reden dat hij een teruggeleidingsprocedure is gestart. De rechtbank vindt daarom dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk zullen worden behandeld.
De echtscheiding
3.5.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [4] De man vindt namelijk dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De woning
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.6.
Aangezien de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen over de echtscheiding, is de Nederlandse rechter ook bevoegd om te beslissen op het (neven)verzoek van de man om het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toe te bedelen. [5] De rechtbank zal op dit verzoek haar interne recht toepassen. Dat is Nederlands recht.
Het huurrecht
3.7.
Vaak moet de rechtbank voor deze beslissing een belangenafweging maken tussen de belangen van partijen bij het huurrecht van de woning. De rechtbank komt in dit geval niet toe aan zo’n afweging, omdat de vrouw geen verweer heeft gevoerd en zelf geen verzoek hierover heeft ingediend. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen. Dit betekent dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de woning.
Het gezag
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.8.
Of de Nederlandse rechter bevoegd is om een beslissing te nemen over het ouderlijk gezag, is afhankelijk van het land waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun ‘gewone verblijfplaats’ hadden bij de indiening van het verzoekschrift. [6] De rechtbank is van oordeel dat dit in Nederland is. Zij vindt hierbij het volgende van belang.
3.9.
De man heeft zijn verzoekschrift op 15 mei 2025 ingediend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven toen al drie maanden met de vrouw in Egypte. Hun feitelijke verblijfplaats was dus in Egypte. Dit betekent niet automatisch dat hun ‘gewone verblijfplaats’ ook in Egypte was. Dit is namelijk niet hetzelfde. De ‘gewone verblijfplaats’ van een kind is de plaats waar het centrum van zijn leven is. [7] Waar dit is, hangt af van de omstandigheden van het geval. In deze zaak is relevant dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren in Nederland. Zij hebben sindsdien altijd met hun ouders in Nederland gewoond. Zij zijn hier in Nederland naar school gegaan en hebben hier vriendjes en vriendinnetjes. Verder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] allebei (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit en staan zij nog steeds ingeschreven op een adres in Nederland. Dat de feitelijke verblijfplaats van de kinderen op dit moment in Egypte is, weegt hier in dit geval niet tegenop. Hierbij speelt mee dat de kinderen sinds 23 februari 2025 ongeoorloofd met hun moeder in Egypte zijn. Dat was de dag waarop de vrouw en de kinderen weer terug naar Nederland zouden komen volgens de afspraak met de man.
3.10.
Omdat de ‘gewone verblijfplaats’ van de kinderen bij de indiening van het verzoekschrift in Nederland was, is de Nederlandse rechter ook bevoegd om een beslissing te nemen over het ouderlijk gezag. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen. [8]
Het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
3.11.
De rechtbank zal beslissen dat de man voortaan alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. Dit betekent dat de man voortaan zelfstandig de beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.12.
Het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind(eren). Hier kan van worden afgeweken als er een te groot risico bestaat dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt door de strijd tussen de ouders [9] óf als dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [10] De vrouw houdt de kinderen inmiddels negen maanden ongeoorloofd in Egypte. Zij heeft het contact met de man verbroken en neemt zonder overleg met de man beslissingen over de kinderen. Ook belemmert de vrouw het contact tussen de kinderen en de man. De vrouw heeft dit niet weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat beëindiging van het gezag van de vrouw in dit geval in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Spoedraadsonderzoek
3.13.
De Raad heeft aangeboden om een spoedonderzoek over het gezag uit te voeren om de vrouw nogmaals de kans te geven haar kant van het verhaal te vertellen. De rechtbank vindt dit niet nodig. De vrouw heeft namelijk voldoende kansen gekregen om iets van zich te laten horen, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt. De vrouw is namelijk in de teruggeleidingsprocedure, de voorlopige voorzieningenprocedure én deze procedure in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo snel mogelijk terugkomen naar Nederland. Door het gezag van de vrouw te beëindigen heeft de man hiertoe de volledige beslisbevoegdheid.
De hoofdverblijfplaats
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.14.
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen op het verzoek van de man over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Hun ‘gewone verblijfplaats’ was namelijk in Nederland bij de indiening van het verzoekschrift. Dit is hiervoor onder 3.8 en 3.9 uitgelegd). Op dit verzoek wordt Nederlands recht toegepast. [11]
Afwijzen bepalen hoofdverblijfplaats
3.15.
De hoofdverblijfplaats van kinderen is een gezagskwestie. [12] Geschillen hierover kunnen aan de rechtbank worden voorgelegd. Omdat de rechtbank de man alleen met het gezag over de kinderen zal belasten, kan de man zelfstandig (en dus zonder instemming van de vrouw) beslissen over de hoofdverblijfplaats. De man heeft daarom geen belang meer bij zijn verzoek over de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.16.
De rechtbank zal de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing niet hoeft te worden gevolgd vanaf het moment dat één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. In dat geval moeten partijen wachten op de beslissing van het gerechtshof. De rechtbank legt hierna per onderwerp uit waarom zij dit (niet) doet.
3.17.
De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.18.
De beslissing over het huurrecht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening een beslissing is genomen over het uitsluitend gebruik van de woning. De als voorlopige voorziening genomen beslissing over het uitsluitend gebruik van de woning blijft gelden tot de beslissing over het huurrecht in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Hiervan is sprake zodra geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.
3.19.
Een beslissing tot wijziging van het gezag kan in een echtscheidingsprocedure niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [13]
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum huwelijk] 2009 in Caïro (Egypte);
4.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder is van de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] ;
4.3.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf nu alleen toekomt aan de man;
4.4.
wijst de overige verzoeken van de man af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.M.E. Manning, (kinder)rechter, en ondertekend door mr. L.P. de Haas, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L.J. Pel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 3 sub a onder ii van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019
3.Artikel 10:56 BW.
4.Artikel 1:151 BW.
5.Artikel 4 lid 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in relatie tot
6.Artikel 7 lid 1 Brussel II-ter.
7.HvJ EU 28 juni 2018, C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513.
8.Artikel 15 lid 1 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (HKBV 1996).
9.Artikel 1:251a lid 1 sub a BW.
10.Artikel 1:251a lid 1 sub b BW.
11.Artikel 15 lid 1 HKBV 1996.
12.Artikel 1:253a lid 2 sub b BW.
13.Artikel 1:253p lid 2 BW.