ECLI:NL:RBMNE:2025:7338

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/7723
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor overkapping achterzijde woning in Hilversum

In deze zaak gaat het om een omgevingsvergunning die is verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum voor het plaatsen van een overkapping aan de achterzijde van een woning. Eisers, buren van de vergunninghouder, zijn het niet eens met deze vergunning en hebben beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak, waarbij het beroep van eisers ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vergunninghouder nog steeds eigenaar is van de woning en dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) valt, die op dat moment nog van toepassing was. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eisers beoordeeld en geconcludeerd dat het college de omgevingsvergunning rechtmatig heeft verleend. De rechtbank heeft onder andere overwogen dat de overkapping niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de belangen van eisers voldoende zijn meegewogen in de besluitvorming. De rechtbank heeft de eisers geen gelijk gegeven en hen in de proceskosten verwezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7723

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen

1.
[eiser sub 1],
2.
[eiser sub 2],
allebei uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum(het college),
verweerder
(gemachtigde: mr. E.W.M. Verdonk).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende], uit [plaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan vergunninghouder voor het plaatsen van een overkapping aan de achterzijde van de woning aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel). Eisers zijn de buren van vergunninghouder en wonen aan de [adres 2] in [plaats] . Zij zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een overkapping aan de achterzijde van de woning langs de erfgrens met het perceel van eisers. Met het besluit van 15 maart 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Tegen de omgevingsvergunning hebben eisers bezwaar gemaakt. Met het besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eisers (hierna: het bestreden besluit) is het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en zij hebben de beroepsgronden aangevuld op 28 januari 2025 en 8 september 2025. Het college heeft een verweerschrift ingediend en vergunninghouders hebben een schriftelijke reactie ingediend.
2.3.
Het beroep is behandeld op de zitting van 24 september 2025. Daarbij waren aanwezig: eisers met hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door zijn partner [A] .

Beoordeling door de rechtbank

Wabo blijft van toepassing
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Procesbelang
4. Eisers voeren aan dat vergunninghouder geen belang meer heeft bij de omgevingsvergunning, omdat zijn woning inmiddels te koop staat.
5. De rechtbank overweegt dat de woning van vergunninghouder volgens vergunninghouder nog niet is verkocht, dat niet is gebleken dat een koopovereenkomst is gesloten en vergunninghouder nog steeds eigenaar van de woning is. Bovendien is, zoals het college op de zitting en in het verweerschrift ook heeft aangegeven, een omgevingsvergunning zaaksgebonden en niet persoonsgebonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Het bestemmingsplan
6. Het perceel heeft op grond van bestemmingsplan Herziening Noordwestelijk Villagebied de bestemming Wonen. Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften bedraagt voor de bouw van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw de afstand tot een erfgrens ten minste 3,5 meter. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de overkapping direct langs de erfgrens wordt gebouwd.
7. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen is daarom ook aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang bezien met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het gaat om een zogeheten kruimelgeval.
8. Op grond van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor komen bijbehorende bouwwerken voor verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking, mits ze niet hoger zijn dan 5 meter en de oppervlakte niet groter is dan 150m².
9. Het college heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat de vermelding in de bijlage bij het bestreden besluit van het kruimelgeval van onderdeel 11 van artikel 4 van het Bor, berust op een verschrijving en dat het kruimelgeval van onderdeel 1 is bedoeld. Eisers hebben hun beroepsgrond over de grondslag van het kruimelgeval op de zitting ingetrokken.
Toetsingskader
10. Een omgevingsvergunning kan bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid via een kruimelgeval slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het college bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, indien de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
Goede ruimtelijke ordening
11. Eisers voeren aan dat uit het bestemmingsplan niet blijkt dat de afstandseis van 3,5 meter tot de perceelsgrens niet geldt voor twee-onder-een-kapwoningen. Het college had de ratio van dit planvoorschrift nader moeten onderzoeken. Volgens eisers is het opzij zetten van de afstandseis, mede gelet op de hoogte van de overkapping, in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
12. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de erfgrenzen een groene dooradering vormen die van belang is voor de ecologische structuur van het gebied en als groene omkadering zorgt voor het versterken van de individualiteit van de vaak bijzondere villa’s en de luchtigheid tussen de afzonderlijke villa’s. De groene omkadering, en daarmee de landschappelijke waarden, worden door de overkapping direct langs de erfgrens in dit geval niet aangetast, omdat geen sprake is van twee individuele villa’s maar van een twee-onder-een-kapwoning en er dus geen sprake is van luchtigheid tussen de woningen.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee toereikend gemotiveerd dat, gelet op de ratio van de afstandseis van 3,5 meter, het bouwen van de overkapping aan de achterzijde van de woning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft dan ook kunnen afwijken van de afstandseis. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
14. Eisers voeren aan dat het college hun belangen onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken en aan hun belangen een zwaarder gewicht moet toekennen. Door de hoogte van de overkapping, die 90cm boven de erfafscheiding uitsteekt, in combinatie met een lengte van 4 meter, direct langs de erfgrens, wordt volgens eisers veel zonlicht weggenomen. Door de schaduwwerking van de overkapping wordt de groei van planten en bomen in hun tuin aangetast. Verder wordt het uitzicht van eisers weggenomen en geeft de overkapping hen een gevoel van opgesloten zijn.
15. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de belangen van eisers in de beoordeling heeft meegenomen. Eisers kunnen negatieve gevolgen ervaren van de overkapping in de vorm van schaduwwerking en verandering van uitzicht. Naar het oordeel van de rechtbank is echter, mede gelet op de diepte van de tuin van eisers, niet aannemelijk geworden dat de gevolgen van het bouwplan zodanig zullen zijn dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. Het college heeft daarom gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.