Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VORDERING
3.BEOORDELING VAN DE VORDERING
4.BESLISSING
wijstde vordering van de officier van justitie
af.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 9 december 2025 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €98.943,09, voortvloeiend uit een veroordeling voor medeplichtigheid aan het handelen in strijd met de Opiumwet.
De officier van justitie stelde dat de veroordeelde voordeel had genoten uit de exploitatie van een hennepkwekerij door zijn woning ter beschikking te stellen. De verdediging betoogde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel nihil moest worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat de veroordeelde meer dan €6.000,- had ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn woning. Tevens was de veroordeelde vrijgesproken van diefstal van elektriciteit, maar had hij de schade van Liander N.V. van €9.137,86 via een betaalregeling vergoed, wat hoger was dan het gestelde voordeel.
Gezien deze feiten concludeerde de rechtbank dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten en wees de vordering van de officier van justitie af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van genoten voordeel.