Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VORDERING
3.BEOORDELING VAN DE VORDERING
4.BESLISSING
wijstde vordering van de officier van justitie
af.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingsvordering van de officier van justitie. De vordering was gericht op het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplichtigheid aan het handelen in strijd met de Opiumwet. De officier van justitie had een bedrag van € 98.943,09 gevorderd, maar de verdediging stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil moest worden vastgesteld. Tijdens de zitting op 25 november 2025 is de vordering inhoudelijk behandeld, waarbij de rechtbank kennisnam van de standpunten van zowel de officier van justitie als de verdediging. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had verkregen. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde slechts € 6.000,- had ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn woning voor de exploitatie van een hennepkwekerij, terwijl de schade die hij had vergoed aan Liander N.V. als gevolg van diefstal van elektriciteit aanzienlijk hoger was. Gezien deze overwegingen heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie afgewezen.