ECLI:NL:RBMNE:2025:7365

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/16/569528 / BE ZA 24-6
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfrechtelijke geschillen tussen broers over nalatenschap en schenkingen

In deze zaak, die voor de Rechtbank Midden-Nederland is behandeld, gaat het om een geschil tussen twee broers, [eiser] en [gedaagde], over de nalatenschap van hun moeder, mevrouw [erflaatster], die op [datum overlijden] 2023 is overleden. De moeder had in haar testament van 27 maart 2014 haar twee zoons als erfgenamen benoemd. [eiser] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard, terwijl [gedaagde] deze zuiver heeft aanvaard en als executeur is aangesteld. Het geschil draait om verschillende geldbedragen die [gedaagde] van de rekening van erflaatster naar zichzelf heeft overgemaakt, waarvoor [eiser] stelt dat geen rechtsgrond bestaat. De rechtbank heeft in eerdere vonnissen, waaronder een tussenvonnis van 2 oktober 2024, al enkele vorderingen beoordeeld, maar op andere vorderingen was nog geen beslissing genomen. De rechtbank heeft deskundigen benoemd om de handtekeningen op verklaringen van erflaatster te onderzoeken, omdat [eiser] stelt dat deze vervalst zijn. De deskundige concludeert dat het zeer waarschijnlijk is dat de handtekeningen niet door erflaatster zijn gezet. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een bedrag van € 18.250,- moet terugbetalen aan de nalatenschap, en dat de omvang van de nalatenschap € 97.563,91 bedraagt. De rechtbank compenseert de proceskosten tussen de partijen en verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/569528 / BE ZA 24-6
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.W. Elzinga-Snoek,
tegen
[gedaagde],
zowel in privé als in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.A.S. van Spanje .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 oktober 2024,
- het herstelvonnis van 18 december 2024,
- het vonnis benoeming deskundige van 22 januari 2025,
- het uitstelverzoek van de deskundige van 30 april 2025,
- het mailbericht van [eiser] van 8 mei 2025,
- het mailbericht van [gedaagde] van 13 mei 2025,
- het uitstelverzoek van de deskundige en het verzoek om een voorziening van 29 juni 2025,
- het bericht van [eiser] van 8 juli 2025 (voor zover dit gaat over de kosten van de deskundige),
- het bericht van [gedaagde] van 14 juli 2025 (voor zover dit gaat over de kosten van de deskundige),
- het deskundigenbericht van 25 juli 2025,
- het mailbericht van [gedaagde] van 4 augustus 2025,
- het aanvullende deskundigenbericht van 7 augustus 2025,
- de akte na deskundigenbericht van [gedaagde] ,
- de akte na deskundigenbericht van [eiser] ,
- het mailbericht van [gedaagde] van 7 oktober 2025.
1.2.
Hierna is bepaald dat vonnis wordt gewezen.
2. De verdere beoordeling
Wat is er gebeurd voor dit vonnis?
Achtergrond van het geschil
2.1.
Partijen zijn broers van elkaar. Hun moeder, mevrouw [erflaatster] , is overleden op [datum overlijden] 2023 (hierna: erflaatster). Zij heeft bij testament van 27 maart 2014 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Hierin heeft zij haar twee zoons voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd. [eiser] heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard en [gedaagde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. Verder heeft zij [gedaagde] aangewezen tot executeur van haar nalatenschap, welke benoeming hij heeft aanvaard.
2.2.
[gedaagde] heeft erflaatster vanaf ongeveer 2010 geholpen met haar administratie en financiën. Hij heeft toen ook toegang gekregen tot de bankrekeningen van erflaatster. Vanaf 2014 had [gedaagde] ook een eigen bankpas van de rekeningen van erflaatster. Deze hulp werd vanaf 2021 intensiever omdat erflaatster toen een herseninfarct kreeg.
2.3.
Volgens [eiser] zijn er vanaf 2014 verschillende geldbedragen overgemaakt van de rekening van erflaatster naar [gedaagde] waarvoor geen rechtsgrond bestaat. Volgens hem moet [gedaagde] die bedragen daarom terugbetalen aan de nalatenschap. Hij heeft (onder meer) verschillende vorderingen ingesteld die hierop zijn gericht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en ook zelf een aantal vorderingen ingesteld tegen [eiser] .
Tussenvonnis van 2 oktober 2024
2.4.
Op een groot aantal vorderingen van [eiser] en [gedaagde] is in het tussenvonnis van 2 oktober 2024 al beslist (hierna: het tussenvonnis). Op een aantal vorderingen is echter nog niet beslist. Het gaat om vorderingen III, V, VII, VIII, IX, X, XIV, XV en XVI in conventie en vorderingen I en III in reconventie. Dit heeft te maken met het volgende.
2.5.
[eiser] stelt dat er in 2020 en 2021 onterecht een bedrag van in totaal € 18.250,- van de rekening van erflaatster naar [gedaagde] is overgemaakt. Volgens [gedaagde] liggen aan deze overboekingen echter schriftelijke verklaringen van erflaatster ten grondslag. Het gaat allereerst om een verklaring die volgens [gedaagde] op 5 augustus 2019 door erflaatster is ondertekend (hierna: verklaring mantelzorgbijdrage). Hierin staat het volgende:
VERKLARING MANTELZOORGBIJDRAG
Hierbij verklaar ik, [erflaatster] , dat ik bij mijn volle verstand mijn zoon [gedaagde] toestemming heb gegeven om maandelijks een bedrag van
€ 500,00 van mijn rekening op te nemen. Dit bedrag is een tegemoetkoming voor zijn en Ina haar werk als mantelzorgers.”
Op basis van deze verklaring heeft erflaatster in 2020 een bedrag van € 6.000,- naar [gedaagde] overgemaakt en in 2021 een bedrag van € 5.650,-, zo stelt [gedaagde] . Verder heeft erflaatster op 22 november 2018 volgens [gedaagde] de volgende verklaring getekend (hierna: verklaring belastingvrije schenking):
VERKLARING – JAARLIJKSE BELASTINGVRIJE SCHENKING
Hierbij verklaar ik, [erflaatster] , dat ik bij mijn volle verstand mijn zoon [gedaagde] opdracht heb gegeven om het jaarlijks maximaal toegestane belastingvrije bedrag als schenking ieder jaar op zijn rekening over te maken.”
Op basis van deze verklaring heeft erflaatster in 2021 een bedrag van € 6.600,- naar hem overgemaakt, aldus [gedaagde] .
2.6.
[eiser] heeft onder overlegging van een deskundigenrapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) gesteld dat de handtekening van erflaatster onder deze verklaringen is vervalst. [gedaagde] heeft de conclusies van de door [eiser] ingeschakelde deskundige gemotiveerd betwist. Om die reden heeft de rechtbank aanleiding gezien om zelf een handschriftdeskundige te benoemen. Partijen zijn in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit voornemen.
Herstelvonnis van 18 december 2024
2.7.
Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over het voornemen van de rechtbank om de heer P.L. Zevenbergen, forensisch schriftexpert, tot deskundige te benoemen. In die aktes hebben zij de rechtbank er ook op gewezen dat er fouten stonden in het tussenvonnis die zich voor eenvoudig herstel in de zin van artikel 31 Rv leenden. De rechtbank heeft deze fouten bij vonnis van 18 december 2024 hersteld (hierna: het herstelvonnis). In de akte hebben partijen ook verzocht om verbetering van een aantal punten waarvoor artikel 31 Rv niet is bedoeld. Op deze opmerkingen zal de rechtbank in dit vonnis ingaan.
Benoeming deskundige en zijn rapport
2.8.
Bij vonnis van 22 januari 2025 is de heer. P.L. Zevenbergen tot deskundige benoemd in deze zaak (hierna: de deskundige). Aan hem zijn de volgende vragen voorgelegd:
Kunt u, onder vermelding van de mate van waarschijnlijkheid, aangeven of de handtekeningen op de verklaring jaarlijkse belastingvrije schenking van 22 november 2018 en de verklaring mantelzorgbijdrage van 5 augustus 2019 door [erflaatster] zijn geplaatst?
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
2.9.
De deskundige heeft in zijn rapport voornoemde vragen beantwoord. Partijen hebben vervolgens om de beurt een akte genomen. Van belang is dat [eiser] de rechtbank daarin heeft gevraagd om, naar aanleiding van de uitkomsten van het deskundigenrapport, terug te komen op de eerdere beslissing over de schenking van € 50.000,- die erflaatster aan [gedaagde] heeft gedaan. Volgens [gedaagde] is dit niet meer mogelijk en moet aan dit standpunt van [eiser] voorbij worden gegaan.
Waar gaat de zaak nu nog over?
Uit het voorgaande volgt dat er op dit moment nog een drietal onderwerpen voorliggen aan de rechtbank:
  • Een beoordeling van de verzoeken van partijen om terug te komen op (een aantal) beslissingen uit het tussenvonnis, waaronder het verzoek van [eiser] om terug te komen op de beslissing over de schenking van erflaatster aan [gedaagde] van € 50.000,-;
  • De gevolgen van het deskundigenrapport voor de verdere beoordeling van deze zaak;
  • Een beoordeling van de vorderingen waarop in het tussenvonnis nog niet is beslist.
De rechtbank zal hierna één voor één op deze onderwerpen ingaan. Omdat voor elk van deze onderwerpen van belang is hoe de rechtbank het deskundigenrapport waardeert, zal daar eerst bij worden stilgestaan.
Het deskundigenrapport
De inhoud
2.10.
De deskundige heeft de verklaring mantelzorgbijdrage en de verklaring belastingvrije schenking in originele vorm onderzocht (hierna ook: de betwiste verklaringen). Allebei de partijen hebben hem voor dat onderzoek vergelijkingsmateriaal ter beschikking gesteld. Het gaat in totaal om zestien documenten waarvan de deskundige een deel buiten beschouwing heeft gelaten, onder meer omdat het materiaal volgens hem te gedateerd was. Ook heeft hij een boekje met namen en telefoonnummers van erflaatster buiten beschouwing gelaten, omdat niet duidelijk was wanneer erflaatster hierin had geschreven. Uiteindelijk heeft hij twaalf documenten betrokken in zijn onderzoek als vergelijkingsmateriaal. Hij constateerde verder dat één document afweek van het overige vergelijkingsmateriaal, namelijk het document waarin erflaatster op 22 november 2018 verklaart € 50.000,- te schenken aan haar zoon [gedaagde] (hierna: de schenkingsverklaring). Hij schrijft hierover het volgende:
“Vgml. 12 [de schenkingsverklaring, rb] echter – hoewel geplaatst in 2018 – valt zodanig buiten de variatiebreedte van het overige vgml. dat het voor mij de vraag is, of hieruit kan worden afgeleid dat vgml. 12 niet is geproduceerd op de ‘aangegeven datum’ van deze productie (22-11-2018). Het is zo dat het afnemende vermogen om een eigen handtekening adequaat te produceren, door de jaren heen, bij ‘normale’ veroudering tamelijk geleidelijk verloopt maar wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals ziekte, medicijngebruik en andere fysieke en of psychische factoren, verloopt dat schriftbeeld ‘schokkend’ en veelal onomkeerbaar. Omdat vgml. 12 geen enkel ‘motorisch ongemak’ noch een gebrekkige schrijfvaardigheid valt waar te nemen wijkt deze handtekening dermate af van de overige vergelijkingshandtekeningen dat er mijns inziens geen sprake kan zijn van een positieve ‘uitschieter’.”
Daarop heeft de deskundige besloten om twee deelonderzoeken uit te voeren. Hij heeft de betwiste verklaringen vergeleken met deze schenkingsverklaring en hij heeft de betwiste verklaringen vergeleken met het overige referentiemateriaal. Daarbij gaat het volgens de deskundige in essentie om de vraag of een betwiste handtekening binnen de bandbreedte valt van de variatie in een representatieve steekproef. Is dat zo, dan is sprake van een authentieke handtekening. Is dat niet zo, dan is er sprake van een niet-authentieke handtekening. Op basis van dit onderzoek komt hij tot de volgende conclusie ten aanzien van de verklaring mantelzorgbijdrage en belastingvrije schenking:
“Op basis van het mij ter beschikking gestelde materiaal ben ik van mening dat het
zeer veel waarschijnlijkeris dat in beide deelonderzoeken de betwiste handtekeningen zijn geplaatst door een willekeurig ander persoon dan dat deze zijn geplaats door mevrouw [erflaatster] .”
2.11.
[eiser] heeft naar aanleiding van het conceptrapport een vraag gesteld aan de deskundige over de schenkingsverklaring. Die vraag heeft de deskundige als volgt geïnterpreteerd: “is de handtekening op de schenkingsverklaring bij nader inzien toch geen echte handtekening van erflaatster en hoe groot is die kans?”. Ter beantwoording van die vraag schrijft hij het volgende:
“Hoewel de vraag buiten de kaders van de aan mij gegeven opdracht valt en hoewel
de authenticiteit van deze handtekening buiten kijf staat, is wellicht een nader inzicht
af te leiden uit de gebruikelijke definiëring van het begrip “echte handtekening”. Die
definiëring heb ik als bijlage 8 hierbij gevoegd.
Vanuit schriftkundig perspectief luidt die definitie: een handtekening is echt wanneer
deze valt binnen de bandbreedte van de variatie van een representatieve steekproef
van het totale handtekeningrepertoire van die schrijver. Dit betekent dat een
betwiste handtekening, die buiten die bandbreedte valt, dus niet als een echte
handtekening kan worden aangemerkt. Dat wil echter nog niet zeggen, dat die
handtekening
dus valsis. In de beroepspraktijk, maar ook in de vakliteratuur is een
breed scala variabelen bekend, waarom een betwiste handtekening, die valt buiten
de variatiebreedte van een representatieve steekproef uit het totale
handtekeningrepertoire van een bepaalde schrijver, nog geen valse handtekening is
of behoeft te zijn. Vanaf het midden van bladzijde 3 van de definiëring (bijlage 8) zijn
enkele mogelijkheden beschreven, maar er kunnen er meer worden bedacht. Anders
gezegd: een handtekening is echt of niet echt; als een handtekening niet echt is, is
die handtekening nog niet per definitie vals. Met het vorenstaande voor ogen is een
antwoord op de door mr. Elzinga gestelde vraag mogelijk: de handtekening
aangeduid met vgml. 12 [de schenkingsverklaring, rb], kan in vergelijking met het overige vergelijkingsmateriaal (vgml 1 tot en met vgml. 11), niet als een echte handtekening van mevrouw [erflaatster] worden aangemerkt.”
2.12.
[gedaagde] vindt dat de deskundige zich hierover niet mag uitlaten omdat hij daarmee zijn opdracht te buiten gaat. Verder heeft [gedaagde] de deskundige in zijn reactie op het conceptrapport (waarin het voorgaande ook al was opgenomen) verschillende vragen gesteld/opmerkingen gemaakt. Hij heeft de deskundige onder meer gevraagd om de volgens hem ten onrechte geponeerde en suggestieve vraagstelling omtrent de plaatsingsdatum van de handtekening op referentiedocument 12 (de schenkingsverklaring) te verwijderen. Hier heeft de deskundige als volgt op gereageerd:
“Nog een aanvullende opmerking over de door mij in mijn rapportage met vgml. 12 aangeduide vergelijkingshandtekening. De schrijfdynamiek van die vergelijkingshandtekening wijkt dermate af van de rest van het vergelijkingsmateriaal (ook van vgml. 9) dat het mijns inziens niet goed denkbaar is, dat deze handtekening zou zijn geplaatst in 2018 maar veeleer in jaren ervoor, zoals ook kan blijken uit een vergelijking van die handtekening met het handschrift in het adresboekje van mevrouw [erflaatster] , dat ik in originali op 27 mei 2025 ontving van mr. Elzinga. Gezien de leeftijd en de gezondheid van mevrouw [erflaatster] zijn de data waarop de handtekeningen kennelijk zijn geplaatst van belang. Dientengevolge zal ik de vraagstelling omtrent de plaatsingsdatum van de handtekening (punt 5.2 in de brief van de heer Van Spanje ) in mijn eindrapportage niet verwijderen.”
Beoordeling
2.13.
Volgens [gedaagde] deugt het door de deskundige verrichte onderzoek niet. Hij stelt (samengevat) dat de deskundige zijn werkzaamheden slordig en inconsequent heeft uitgevoerd en dat hij het referentiemateriaal inconsistent heeft beoordeeld. Dit maakt volgens hem dat de resultaten van het onderzoeksrapport niet betrouwbaar zijn, zodat geen conclusies kunnen worden getrokken op basis van dat rapport. De rechtbank zal hierna ingaan op de door [gedaagde] aangevoerde gebreken.
Werkzaamheden zijn slordig en inconsequent uitgevoerd
2.14.
Volgens [gedaagde] heeft de deskundige zijn werkzaamheden slordig en inconsequent uitgevoerd. Allereerst wijst [gedaagde] erop dat de deskundige zijn reactie op het conceptrapport van 25 juni 2025 heeft gemist. [gedaagde] begrijpt niet hoe dit heeft kunnen gebeuren. Daarnaast wijst hij erop dat de deskundige zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat hij geen kennis wilde nemen van het procesdossier, maar dat hij daar later op is teruggekomen. Een maand later heeft hij immers een afschrift van het eerder in opdracht van [eiser] verrichte deskundigenonderzoek van het NFO opgevraagd dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier. [gedaagde] benadrukt nog eens dat dit deskundigenonderzoek om meerdere redenen niet deugt, het is hem daarom onduidelijk waarom de deskundige dit rapport heeft bestudeerd. Verder is volgens [gedaagde] ook inconsequent dat de deskundige erkent dat de vraag van [eiser] over de schenkingsverklaring buiten de kaders van zijn opdracht valt, maar de vraag vervolgens toch beantwoordt. Tot slot is het volgens [gedaagde] niet te volgen dat de deskundige enerzijds concludeert dat het boekje met adresgegevens niet kan dienen als referentiemateriaal, terwijl hij vervolgens in zijn aanvullende rapport de handtekening onder de schenkingsverklaring vergelijkt met dit boekje (zie 2.12).
2.15.
De deskundige heeft toegelicht dat hij de brief van [gedaagde] in zijn vakantieperiode helaas over het hoofd heeft gezien. In zijn rapport was hij al ingegaan op de opmerking van [gedaagde] dat de deskundige zijn opdracht te buiten gaat als hij ingaat op de vraag van [eiser] over de schenkingsverklaring. Daarin heeft de deskundige aangegeven dat hij deze opvatting deelt en dat hij zich daarom zal beperken tot opmerkingen die naar zijn mening niet op gespannen voet staan met zijn opdracht. Dit zijn de opmerkingen als weergegeven in 2.11. De overige punten heeft [gedaagde] niet genoemd in zijn brief aan de deskundige, zodat de deskundige daarop niet heeft kunnen reageren.
2.16.
Dat de deskundige een brief over het hoofd ziet betekent niet dat hij zijn werk slecht of slordig heeft gedaan. Dat is een menselijke fout. Toegegeven kan worden dat het rapport een aantal inconsistenties bevat, maar deze zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat het deskundigenrapport als geheel onbetrouwbaar is. Dat de deskundige aanvankelijk geen inzage wilde in het procesdossier en later wel kan bijvoorbeeld een kwestie zijn van voortschrijdend inzicht. Het was verhelderend geweest als de deskundige had toegelicht waarom hij van gedachte was veranderd, maar dit neemt niet weg dat dit hem vrijstaat. De deskundige bepaalt immers wat hij nodig heeft om zijn onderzoek te verrichten. Voor zover een inconsistentie in het deskundigenrapport aanleiding geeft om aan een specifieke conclusie uit dat rapport te twijfelen, komt dat hierna aan bod.
Referentiemateriaal is inconsistent beoordeeld
2.17.
[gedaagde] heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het referentiemateriaal dat de deskundige heeft gebruikt. [gedaagde] vindt het allereerst onbegrijpelijk dat de deskundige een bepaald document (met referentienummer 9) als vergelijkingsmateriaal in zijn onderzoek heeft betrokken. De deskundige schrijft namelijk in zijn rapport dat de lichamelijke en psychische gezondheid van erflaatster ongetwijfeld van invloed is geweest op haar beheersing van de schrijfbeweging. Om die reden besluit de deskundige (zoals gezegd) een aantal wat meer gedateerde stukken buiten beschouwing te laten als vergelijkingsmateriaal. De deskundige betrekt het genoemde document daarentegen wel in zijn onderzoek. Dit terwijl erflaatster op het moment dat dat document zou zijn ondertekend verlamd was aan haar schrijfhand, zo stelt [gedaagde] . Dit blijkt volgens hem uit een cognitieve screening die eerder door hem in het geding is gebracht. Zij kan haar handtekening dus niet hebben gezet onder dat document, aldus [gedaagde] . Ten tweede merkt [gedaagde] ten aanzien van de handtekening onder de schenkingsverklaring op dat hij niet begrijpt dat de deskundige constateert dat juist die handtekening afwijkt van het overige vergelijkingsmateriaal. Alléén van die handtekening staat immers vast dat deze door erflaatster is gezet volgens [gedaagde] . Hij benadrukt dat deze handtekening is gezet in het bijzijn van de huisarts en dat dit door de huisarts ook schriftelijk is bevestigd. Het is volgens hem dan ook onbegrijpelijk dat de deskundige suggereert dat deze handtekening eerder zou zijn gezet dan de datum die staat op de verklaring. Tot slot brengt [gedaagde] naar voren dat de deskundige er zonder nader onderzoek van uitgaat dat het door hem aangeleverde referentiemateriaal authentiek is. Hij had dit volgens [gedaagde] wel moeten onderzoeken. Gelet op het voorgaande komt [gedaagde] tot de slotsom dat de deskundige niet kon oordelen dat het vergelijkingsmateriaal homogeen en consistent was. Sterker nog, omdat alleen vaststaat dat de handtekening onder de schenkingsverklaring van erflaatster is, had de deskundige moeten concluderen dat hij niet voldoende stukken tot zijn beschikking had om een gedegen onderzoek te doen, aldus [gedaagde] .
2.18.
De deskundige heeft in zijn rapport uitgebreid toegelicht welke documenten hij van partijen heeft ontvangen en hoe hij het referentiemateriaal daaruit heeft geselecteerd. In zijn aanvullende rapport is hij specifiek ingegaan op de opmerkingen van [gedaagde] over het vergelijkingsmateriaal. Hij vindt het vreemd dat [gedaagde] hem desgevraagd authentiek referentiemateriaal ter beschikking stelt en vervolgens zelf de authenticiteit ervan in twijfel trekt (met uitzondering van de authenticiteit van de schenkingsverklaring). Wat daar ook van moge zijn, de deskundige stelt dat hij de authenticiteit van het vergelijkingsmateriaal wel degelijk door onderlinge vergelijking van het materiaal heeft onderzocht. Naar zijn opvatting is het vergelijkingsmateriaal, met uitzondering van de schenkingsverklaring, homogeen en consistent zodat geen grond bestaat voor de opvatting van [gedaagde] dat niet vaststaat dat het vergelijkingsmateriaal authentiek is. Als dit waar zou zijn, zijn er volgens de deskundige twee elkaar uitsluitende mogelijkheden: alle vergelijkingshandtekeningen zijn authentiek of het zijn allemaal nabootsingen. De laatste mogelijkheid staat volgens hem op gespannen voet met de realiteit. Verder licht de deskundige voor wat betreft de handtekening onder referentiedocument 9 toe, dat de kern van het ambacht van een forensisch schriftexpert bestaat uit het doen van waarnemingen en het verbinden van conclusies aan die waarnemingen. In principe is volgens hem daarom niet relevant onder welke omstandigheden het schrift is geproduceerd, wat artsen zeggen over de (on)mogelijkheden om schrift te produceren of wat uit een cognitieve screening zou blijken. Om die reden schuift hij ook de opmerkingen van [gedaagde] over referentiedocument 9 terzijde. Afsluitend geeft de deskundige aan dat de opmerkingen en verzoeken van [gedaagde] geen aanleiding geven om zijn conclusies in het deskundigenrapport te heroverwegen.
2.19.
De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt ten aanzien van het referentiemateriaal. [gedaagde] heeft in zijn akte na deskundigenbericht dezelfde argumenten genoemd als in zijn reactie op het conceptrapport van de deskundige. In het (aanvullende) deskundigenbericht heeft de deskundige uitgelegd waarom deze argumenten volgens hem niet opgaan. Die uitleg van de deskundige is naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk. Bovendien betreft de selectie van vergelijkingsmateriaal bij uitstek het terrein waarop de deskundige deskundig is. De rechtbank heeft geen reden om aan zijn deskundigheid te twijfelen. Het voorgaande was mogelijk anders geweest, als een andere handschriftdeskundige de twijfels van [gedaagde] deelde. [gedaagde] had zijn twijfels ten aanzien van het referentiemateriaal kunnen voorleggen aan de eerder door hem geraadpleegde handschriftdeskundige (of een andere deskundige) maar dat heeft hij niet gedaan.
Conclusie
2.20.
De deskundige had geen reden om zijn conclusies te wijzigen naar aanleiding van de opmerkingen van [gedaagde] die hiervoor zijn besproken. De rechtbank heeft, zoals hiervoor toegelicht, geen reden om hierin niet mee te gaan. De rechtbank zal daarom hierna ingaan op de gevolgen van het deskundigenrapport voor de beoordeling van het geschil.
Heroverwegen van eerdere beslissingen – de schenkingsverklaring
Juridisch kader
2.21.
Volgens vaste jurisprudentie kan de rechter een eerder door hem gegeven (maar niet in een einduitspraak vervatte) eindbeslissing heroverwegen, als deze berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank zal aan de hand van dit criterium beoordelen of er reden is om terug te komen op bepaalde beslissingen die zijn genomen in het tussenvonnis.
Standpunt [eiser]
2.22.
[eiser] wijzigt naar aanleiding van het deskundigenrapport zijn standpunt ten aanzien van de schenkingsverklaring, in die zin dat de handtekening onder de schenkingsverklaring niet van erflaatster was. Eerder in de procedure heeft hij gesteld dat de handtekening onder de schenkingsverklaring weliswaar van erflaatster was, maar dat er om andere redenen toch geen schenking tot stand was gekomen. Dit is door [gedaagde] betwist. Hierover heeft de rechtbank in het tussenvonnis het volgende overwogen:
“4.37. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in 2015 een bedrag van € 50.000,- is overgemaakt van de rekening van erflaatster naar de rekening van [gedaagde] . Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat erflaatster op 22 november 2018 de volgende verklaring heeft getekend [1] :
VERKLARING SCHENKING
“Hierbij verklaar ik, [erflaatster] , dat ik bij mijn volle verstand mijn zoon [gedaagde] in mei 2015 opdracht heb gegeven om € 50.000,- als schenking op zijn rekening over te maken. De kosten van schenking waren voor mijn rekening.
De overboeking van het bedrag heeft op 28 mei 2015 plaatsgevonden.
Ter bevestiging van het feit dat ik deze schenking vrijwillig en bij mijn volle verstand heb gedaan heb ik mijn huisarts, Dr. [persoon1] , gevraagd deze verklaring mede te ondertekenen.“
4.38.
Tussen partijen staat wel ter discussie of er een schenking tot stand is gekomen en er dus grond was voor de overboeking. Volgens [eiser] is dit niet het geval, want erflaatster had niet de wil en bedoeling om [gedaagde] geld te schenken. [gedaagde] moet het bedrag daarom volgens hem terugbetalen aan de nalatenschap. In 2021 wist erflaatster namelijk niets van een schenking van € 50.000,- aan [gedaagde] . Erflaatster had ook geen enkele reden om [gedaagde] te bevoordelen, want de relatie tussen hen was slecht. [eiser] wijst er bovendien op dat de verklaring pas in 2018 is opgesteld, terwijl het bedrag al in 2015 is overgemaakt naar [gedaagde] (toen hij zijn badkamer aan het verbouwen was). Hij vraagt zich daarnaast af waarom de verklaring is ondertekend door een huisarts en niet de notaris. Volgens [gedaagde] heeft moeder daarentegen het geld weloverwogen aan hem geschonken. Zij was in 2015 helder van geest en op de hoogte van de schenking. Het is op schrift gesteld om discussie in de toekomst te voorkomen. Om ook discussie over de wilsbekwaamheid van moeder te voorkomen, heeft haar huisarts de verklaring mee ondertekend. Hij heeft gecontroleerd of moeder begreep waarvoor zij tekende. De verklaring is pas in 2018 vastgelegd, omdat moeder toen besloot om haar zoons niet evenveel te schenken. [eiser] had de jaren daarvoor namelijk ook schenkingen ontvangen, maar erflaatster besloot in 2018 om hiermee te stoppen. De reden hiervoor was volgens [gedaagde] dat [eiser] en erflaatster al twee jaar geen contact hadden.
4.39.
Volgens artikel 7:175 BW is een schenking een overeenkomst om niet, welke strekt tot verrijking van de andere partij ten koste van het eigen vermogen. Daarnaast moet de overeenkomst zijn aangegaan met de bedoeling om de andere partij te bevoordelen. Partijen verschillen van mening of aan dit laatste vereiste voor de totstandkoming van een schenking is voldaan. [eiser] heeft, gelet op de betwisting van [gedaagde] , onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit afgeleid kan worden dat deze bevoordelingsbedoeling (en dus een grond voor de overboeking) ontbrak. Dat erflaatster zich in 2021, na haar herseninfarct, niet herinnerde dat zij de schenking aan [gedaagde] had gedaan betekent niet dat zij hier in 2015 en in 2018 (toen zij de onder r.o. 4.37 genoemde verklaring ondertekende) ook niet van afwist. Zij was toen immers nog helder van geest, dat staat ook niet ter discussie tussen partijen. Dit is zelfs gecontroleerd door haar huisarts op het moment dat de verklaring werd getekend. Daarnaast is de tussenkomst van een notaris niet verplicht bij een schenking, ook niet bij een schenking van een groot bedrag. Tot slot heeft [gedaagde] een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat de schenking later pas is vastgelegd. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat sprake is van een schenking van erflaatster aan [gedaagde] van € 50.000,-.”
2.23.
[eiser] vraagt de rechtbank om deze beslissing te heroverwegen. Hetzelfde geldt voor de beslissing over het beroep van [eiser] op vernietiging van deze schenking wegens misbruik van omstandigheden. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij erop dat uit het deskundigenrapport feiten naar voren zijn gekomen over de schenkingsverklaring, die hem eerder niet bekend waren. Hij stelt dat hij eerder op basis van onjuiste informatie heeft aangenomen dat de handtekening op de schenkingsverklaring van erflaatster was. Dit was immers de conclusie van de door hem ingeschakelde deskundige van het NFO. Maar die deskundige beschikte alleen over het vergelijkingsmateriaal dat [eiser] had aangeleverd en dit vergelijkingsmateriaal is door de deskundige buiten beschouwing gelaten, omdat het te gedateerd was. Zou het NFO wel over recenter vergelijkingsmateriaal hebben beschikt, dan zou hun conclusie ten aanzien van de schenkingsverklaring volgens [eiser] waarschijnlijk anders zijn geweest. [eiser] zou dan ook een ander standpunt hierover hebben ingekomen in deze procedure. Gelet op het voorgaande wil [eiser] zijn standpunt ten aanzien van de schenkingsverklaring dus wijzigen, in die zin dat de handtekening onder de schenkingsverklaring niet van erflaatster was. Dit betekent volgens [eiser] dat de schenkingsverklaring niet de wil van erflaatster vertegenwoordigt.
2.24.
Ook wijst [eiser] op een aantal andere onregelmatigheden die hij niet eerder naar voren heeft gebracht. Zo heeft [eiser] naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige opnieuw contact opgenomen met huisarts [persoon1] die betrokken was bij de ondertekening van de schenkingsverklaring. [eiser] constateert dat het verhaal van de huisarts over de gang van zaken rondom het ondertekenen van de schenkingsverklaring verschilt van het verhaal van [gedaagde] die daarbij ook aanwezig was. Volgens [eiser] moet daarom ernstig worden getwijfeld aan de verklaringen van [gedaagde] en de huisarts hierover. Daarbij komt dat de handtekening van de huisarts onder de schenkingsverklaring op het oog sterk afwijkt van een handtekening onder een verwijsbrief die in het dossier zat, aldus [eiser] . Tot slot valt het [eiser] op dat de schenkingsverklaring in de verleden tijd is opgesteld. Er staat dat de kosten voor de schenking van erflaatster ‘waren’, waarmee volgens hem waarschijnlijk wordt gedoeld op schenkbelasting. In de bankafschriften van 2015 t/m 2018 heeft [eiser] echter geen overboeking ter zake van schenkbelasting kunnen terugvinden. Dit alles maakt dat de hiervoor weergeven beslissing van de rechtbank volgens [eiser] niet klopt en moet worden heroverwogen.
Standpunt [gedaagde]
2.25.
[gedaagde] stelt voorop dat de deskundige zijn opdracht te buiten is gegaan door opmerkingen te maken over de schenking van € 50.000,-. Zijn opmerkingen zijn volgens [gedaagde] daarom niet relevant voor de beoordeling van het geschil. [gedaagde] stelt bovendien dat vaststaat dat erflaatster haar handtekening heeft gezet onder de schenkingsverklaring. Dit blijkt volgens hem uit het rapport van het NFO dat [eiser] heeft ingebracht en uit het feit dat erflaatster in het bijzijn van huisarts [persoon1] de schenkingsverklaring heeft ondertekend en de huisarts dit ook per mail heeft bevestigd. Dat de discussie al lang was beslecht, volgt volgens [gedaagde] ook uit r.o. 4.39 van het tussenvonnis (zie hiervoor 2.22). Er bestond tussen partijen geen geschil meer over de schenking van € 50.000,-, totdat de deskundige hier een opmerking over maakte. Hij wijst er verder op dat de deskundige, naast zijn vage onnavolgbare opmerkingen over de echtheid van de handtekening onder de schenkingsverklaring, ook het volgende schrijft “en hoewel de authenticiteit van de handtekening buiten kijf staat”. Kennelijk betwist de deskundige de authenticiteit van de handtekening dus niet. Voor wat betreft de overige onregelmatigheden waarop [eiser] wijst, stelt [gedaagde] dat [eiser] hiermee handelt in strijd met de goede procesorde. Hij had deze argumenten eerder in de procedure moeten innemen, zo stelt [gedaagde] . Hij komt tot de slotsom dat de opmerkingen van de deskundige over de schenkingsverklaring buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Beoordeling
2.26.
De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat de deskundige zijn opdracht te buiten is gegaan. De rechtbank heeft hem immers gevraagd om een oordeel over de handtekening onder de verklaring mantelzorgbijdrage en belastingvrije schenking, maar niet om een oordeel over de handtekening onder de schenkingsverklaring. Dit neemt niet weg dat de rechtbank en partijen kennis hebben genomen van de opmerkingen van de deskundige hierover. Die informatie kan, gelet op het belang van waarheidsvinding, niet zomaar genegeerd of terzijde geschoven worden.
2.27.
Dat er al een beslissing is genomen over de schenkingsverklaring, betekent anders dan [gedaagde] beweert niet dat dit geen onderwerp van geschil meer kan zijn. Zoals in de inleiding is vermeld kan de rechtbank immers terugkomen op een niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing, voor zover deze berust op een onjuiste juridisch of feitelijke grondslag. [eiser] heeft in feite gesteld dat de beslissingen zoals hiervoor genoemd in 2.22 berusten op een onjuiste feitelijke grondslag, namelijk dat de handtekening onder de schenkingsverklaring is gezet door erflaatster. Het is de vraag of op basis van het deskundigenrapport inderdaad de conclusie kan worden getrokken dat dit niet klopt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Dat zal hierna worden uitgelegd.
2.28.
De rechtbank kan de opmerkingen van de deskundige over de handtekening onder de schenkingsverklaring om meerdere redenen niet volgen. Allereerst stelt de deskundige dat de authenticiteit van deze handtekening buiten kijf staat, maar ook dat de handtekening niet echt is. Het is de rechtbank onduidelijk hoe deze opmerkingen zich tot elkaar (kunnen) verhouden. Daarnaast is het de rechtbank niet duidelijk in hoeverre de conclusie die de deskundige trekt ten aanzien van de handtekening onder de schenkingsverklaring - dat deze in vergelijking met het overige vergelijkingsmateriaal niet als echte handtekening van erflaatster kan worden aangemerkt - verschilt van de conclusie die hij trekt ten aanzien van de handtekening onder de verklaring belastingvrije schenking en mantelzorgbijdrage. Deze conclusie luidt dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de handtekeningen niet door erflaatster zijn gezet maar door een willekeurig ander persoon. Dit terwijl het lijkt alsof de deskundige hetzelfde onderzoek heeft verricht om tot die conclusies te komen, namelijk een vergelijking van de ‘betwiste’ handtekening met het vergelijkingsmateriaal. Ook heeft [gedaagde] er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat het onnavolgbaar is dat de deskundige het adresboekje niet als vergelijkingsmateriaal in zijn onderzoek betrekt omdat dit geen datum bevat, maar dit boekje vervolgens wel vergelijkt met de handtekening van erflaatster onder de schenkingsverklaring. Op basis daarvan stelt hij dat het goed denkbaar is dat de handtekening onder die verklaring niet is gezet in 2018, maar in de jaren daarvoor. De rechtbank begrijpt niet dat deze opmerking kan worden gemaakt als onduidelijk is wanneer erflaatster in het boekje met adresgegevens heeft geschreven. Los gezien daarvan, begrijpt de rechtbank hieruit (en ook uit de conclusie dat de handtekening niet echt is, maar niet per definitie vals) dat de handtekening onder de schenkingsverklaring naar het oordeel van de deskundige wel een handtekening van erflaatster kán zijn, zodat ook om die reden het standpunt van [eiser] niet kan worden gevolgd.
2.29.
De conclusie van de deskundige over de handtekening onder de schenkingsverklaring roept kortom te veel vragen op bij de rechtbank en zal dan ook niet worden gevolgd. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiser] die hieraan is ontleend, namelijk dat vaststaat dat de handtekening onder de schenkingsverklaring niet van erflaatster is. Niet gezegd kan worden dat de beslissing die hiervoor in 2.22 is geciteerd (en de beslissing over het beroep van [eiser] op misbruik van omstandigheden) is gebaseerd op een feitelijke onjuistheid. Er is dus geen reden om deze beslissing te heroverwegen.
2.30.
De rechtbank ziet ook geen reden om in te gaan op de overige argumenten die [eiser] naar voren heeft gebracht in verband met de schenkingsverklaring. De reden hiervoor is dat [eiser] deze argumenten pas voor het eerst noemt nadat de rechtbank in het tussenvonnis over de schenkingsverklaring heeft geoordeeld. Deze argumenten kunnen dus in principe niet meer van invloed zijn op die beslissing, tenzij deze zien op een juridische of feitelijke onjuistheid in het tussenvonnis en daarvan is geen sprake. Maar ook als daarvan wel sprake was, is van belang dat [eiser] deze argumenten eerder naar voren had kunnen brengen maar dat niet heeft gedaan.
Heroverwegen van eerdere beslissingen - de overige opmerkingen van partijen over het tussenvonnis
2.31.
Partijen hebben verschillende opmerkingen gemaakt in hun aktes na het tussenvonnis, waarop de rechtbank nu (voor zover nodig en met inachtneming van het hiervoor in 2.21 geschetste juridisch kader) zal ingaan. Het gaat om de volgende opmerkingen:
  • De opmerking van [gedaagde] in randnummers 3 en 4 van zijn antwoordakte over de bedoeling van de rechtbank met rechtsoverweging 4.58;
  • De opmerking van [eiser] in randnummer 6 van zijn antwoordakte over de mate waarin mantelzorg werd verleend;
  • De opmerking van [gedaagde] in randnummer 14 van zijn akte na tussenvonnis waarin verwoord dat de redenering van de rechtbank niet meer klopt;
  • De opmerking van [gedaagde] in randnummer 16 van zijn akte na tussenvonnis ter zake de maandelijkse mantelzorgvergoeding;
  • De opmerking van [gedaagde] in randnummer 18 ter zake het niet langer logisch zijn van de vervolgzin;
  • De opmerking van [gedaagde] in randnummer 21 van zijn akte na tussenvonnis ter zake rechtsoverweging 4.49 van het tussenvonnis welke opmerking de rechtbank verstaat als een verzoek tot heroverweging van de beslissing van de rechtbank;
  • De opmerking van [eiser] in de randnummers 12 en 13 van zijn akte na tussenvonnis waarin [eiser] aanvoert dat een deel van de beoordeling door de rechtbank feitelijk onjuist is en de rechtbank wordt verzocht dit onderdeel te heroverwegen;
  • De opmerking van [eiser] in de randnummers 14 tot en met 17 van zijn akte na tussenvonnis met verzoek aan de rechtbank om dit onderdeel volledig te heroverwegen.
2.32.
Een deel van deze opmerkingen is een uiting van onvrede van partijen over een bepaalde rechtsoverweging of een verzoek om een bepaalde rechtsoverweging uit te leggen, maar daar hoeft en zal de rechtbank gelet op het juridisch (beoordelings-)kader niet op in te gaan. Slechts wanneer een (niet in een einduitspraak vervatte) eindbeslissing zou berusten op een feitelijke of juridische onjuistheid, gaat de rechtbank er opnieuw naar kijken. De rechtbank zal daarom alleen ingaan op de opmerkingen die hierop zien.
De opmerkingen van [gedaagde] in randnummer 14 en van [eiser] in randnummers 12 en 13 van hun aktes na tussenvonnis
2.33.
Beide opmerkingen van partijen gaan over rechtsoverweging 4.13 van het tussenvonnis waarin het volgende staat:
“4.13. In het licht van de betwisting van [gedaagde] , heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat erflaatster geen inzage had in haar bankafschriften. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit de overgelegde stukken het beeld naar voren komt dat erflaatster haar beide zoons, die met elkaar gebrouilleerd waren, tevreden wilde stellen. Zo verklaarde zij in april 2021 tijdens de mondelinge behandeling waarop het verzoek tot onderbewindstelling van erflaatster werd besproken dat zij wilde dat [gedaagde] haar financiën bleef verzorgen. Kort daarna in oktober 2021 machtigde zij echter [eiser] op haar bankrekeningen. Daarom kent de rechtbank niet veel gewicht toe aan de geluidsopnames van de gesprekken tussen erflaatster en (de echtgenote van) [eiser] .”
2.34.
[gedaagde] wijst erop dat de redenering niet meer klopt, nu de datum van de mondelinge behandeling in het herstelvonnis is aangepast. Het bewind is ingesteld in 2022 en niet in 2021. [eiser] stelt dat hij nooit gemachtigd is op de bankrekening van erflaatster en dit deel van de redenering dus ook niet klopt.
2.35.
De rechtbank constateert dat hier een feitelijke fout in het vonnis is geslopen. Niet alleen uit de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van het instellingsverzoek voor bewind bleek dat erflaatster wenste dat [gedaagde] haar financiën bleef verzorgen, maar ook uit een brief van mevrouw [persoon2] , specialist ouderengeneeskunde, aan de huisarts van erflaatster Dit was in april 2021. Het voorgaande volgt zowel uit productie 7 als 8 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde] . Kort daarna, in oktober 2021, heeft zij [eiser] gemachtigd op haar bankrekeningen, althans dat heeft zij geprobeerd door de formulieren in te vullen die daarvoor nodig zijn. Dit blijkt uit productie 11 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde] . Deze machtiging is echter nooit geformaliseerd, dit had de rechtbank in haar overweging nauwkeuriger moeten formuleren. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, ondanks de feitelijke onjuistheden in het tussenvonnis, geen reden om terug te komen op de beslissing die hiermee samenhangt, namelijk dat de rechtbank niet veel gewicht toekent aan de geluidsopnames tussen erflaatster en (de echtgenote van) [eiser] .
De opmerking van [gedaagde] in randnummer 21 van zijn akte na tussenvonnis
2.36.
De opmerking van [gedaagde] ziet op rechtsoverweging 4.49 en 4.50 van het tussenvonnis waarin het volgende is overwogen:
“4.49. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in 2016, 2018 en 2019 een bedrag naar zichzelf overgemaakt van de rekening ter zake van de CAK bijdrage van erflaatster. Volgens [gedaagde] heeft hij dit gedaan, omdat hij de CAK bijdrage van erflaatster had voorgeschoten van zijn eigen rekening. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij facturen overgelegd van de betreffende CAK-bijdrages.
4.50.
De rechtbank is het met [eiser] eens dat uit de overgelegde facturen niet kan worden afgeleid dat [gedaagde] die facturen ook daadwerkelijk heeft betaald van zijn eigen rekening. Het had op zijn weg gelegen om bankafschriften te overleggen en dat heeft hij niet gedaan. [eiser] kan dit ook niet doen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] een bedrag van in totaal €1.243,72 moet terugbetalen aan de nalatenschap.”
2.37.
Na het tussenvonnis heeft [gedaagde] alsnog bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij de CAK bijdrage van erflaatster heeft voorgeschoten van zijn eigen rekening. Hiertegen is door [eiser] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom terugkomen op de beslissing dat [gedaagde] € 1.243,72 moet terugbetalen aan de nalatenschap, omdat daar geen grond meer voor is. De rechtbank zal vordering VI in conventie dan ook afwijzen.
De opmerking van [eiser] in randnummers 14 t/m 17 van zijn akte na tussenvonnis
2.38.
De opmerking van [eiser] ziet op rechtsoverweging 4.38 en 4.39 van het tussenvonnis (zie hiervoor 2.22). Volgens hem zijn deze overwegingen feitelijk onjuist. De stelling van [gedaagde] dat de schenking van € 50.000,- pas in 2018 is vastgelegd omdat erflaatster toen besloot haar zoons niet evenveel te schenken, blijkt volgens hem uit niets. De reden die hiervoor wordt gegeven, namelijk dat erflaatster en [eiser] geen contact meer hadden, is evenmin waar volgens [eiser] . [eiser] stelt dat hij en erflaatster wel degelijk contact hadden. Ter onderbouwing van dit standpunt legt hij een zelf opgesteld document over, waaruit volgens hem blijkt op welke momenten hij erflaatster heeft bezocht.
2.39.
De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat uit het door [eiser] zelf opgestelde overzicht van contactmomenten niet kan worden afgeleid dat dit contact er daadwerkelijk was. Maar ook als dit contact er was, verandert dit de beslissing niet gelet op al het andere dat in verband met de schenkingsverklaring is overwogen. Ook het voorgaande is dus geen reden om op de beslissing over de schenking van € 50.000,- terug te komen.
Terugbetalen van het bedrag van € 18.250,-
Het deskundigenbericht
2.40.
De deskundige komt tot de conclusie dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de handtekeningen onder de verklaring belastingvrije schenking en mantelzorgbijdrage zijn gezet door een willekeurig ander persoon dan door erflaatster (zie 2.10). Uit zijn rapport blijkt, dat dit de op één na hoogste waarschijnlijkheidsgraad is die aan een conclusie kan worden verbonden.
Standpunten van partijen
2.41.
Volgens [eiser] is de conclusie van de deskundige duidelijk en moet [gedaagde] het bedrag van € 18.250,- terugbetalen aan de nalatenschap.
2.42.
Zoals gezegd, heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek van de deskundige onbetrouwbaar is. De deskundige kon en mocht op basis van dit onderzoek niet tot de hiervoor vermelde conclusie komen. Afgezien daarvan, leidt deze discussie volgens [gedaagde] alleen maar af van waar het werkelijk om gaat: de wil van erflaatster. Volgens hem blijkt uit de woorden en daden van erflaatster duidelijk wat zij wilde en daar gaat het om. [gedaagde] stelt dat de verklaringen zo bezien overbodig zijn. Erflaatster wilde schenkingen doen aan haar zoons en besloot één jaar niet aan allebei haar zoons te schenken, namelijk in 2021. Tijdens een instellingszitting voor bewind, waarbij [eiser] ook aanwezig was, is besproken waarom zij dat zo wilde. [eiser] was volgens [gedaagde] dus zowel bekend met het feit dat [gedaagde] schenkingen had ontvangen als de reden waarom [eiser] in 2021 géén schenking had ontvangen en [gedaagde] wel. [eiser] heeft volgens [gedaagde] nooit eerder bezwaren hiertegen geuit, maar nu wel. Hij legt ten onrechte een verband tussen de handtekening onder de schenkingsverklaring en het feit dat [gedaagde] één schenking meer heeft ontvangen dan hem en dat is onjuist, zo stelt [gedaagde] . Ook is volgens hem duidelijk dat erflaatster [gedaagde] en zijn echtgenote wilde bedanken voor hun mantelzorg in de vorm van een vergoeding. Ook hiervan was [eiser] op de hoogte en ook hiertegen heeft hij nooit bezwaren geuit. Hij legt wederom onterecht een verband tussen de handtekening onder de verklaring en het feit dat [gedaagde] deze vergoeding heeft ontvangen. [gedaagde] vindt dat de rechtbank met haar voorlopig oordeel in r.o. 4.19 van het tussenvonnis dat inhoudt dat de uitkomst van het deskundigenonderzoek bepaalt of [gedaagde] het bedrag van in totaal € 18.250,- moet terugbetalen aan de nalatenschap, voorbij gaat aan dit alles. [gedaagde] vraagt de rechtbank dan ook om het voorgaande ook in haar overweging te betrekken.
De beoordeling
2.43.
De rechtbank heeft geen reden om de conclusie van de deskundige ten aanzien van de verklaring belastingvrije schenking en mantelzorgbijdrage in twijfel te trekken. De conclusie van de deskundige is duidelijk, inzichtelijk en kent een zeer hoge waarschijnlijkheidsgraad, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de handtekening op de betreffende verklaringen niet van erflaatster zijn. In lijn met het voorlopige oordeel in r.o. 4.19 van het tussenvonnis, zal de rechtbank daarom beslissen dat [gedaagde] het bedrag van
€ 18.250,- moet terugbetalen aan de nalatenschap (vordering XIV in conventie). Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. De rente wordt toegekend vanaf de datum van dagvaarding, omdat in de dagvaarding geen concrete datum wordt vermeld.
2.44.
De argumenten die [gedaagde] verder heeft aangedragen, hierop neerkomende dat indien aan de wil van erflaatster niet volgt uit haar verklaring dan toch in ieder geval uit haar woorden en daden, volgt de rechtbank niet leiden en leiden niet tot een ander oordeel.
2.45.
Het gaat om een bedrag van € 11.650,- ter zake van door [gedaagde] opgenomen bedragen met de pinpas van erflaatster en om een bedrag van € 6.600 ter zake van door [gedaagde] ten titel van schenking aan hemzelf overgeboekte bedragen. [eiser] heeft ook gevorderd dat de rechtbank per ‘type’ transactie voor recht verklaart dat de nalatenschap een vordering heeft op [gedaagde] (vordering III en V in conventie) maar daarbij heeft [eiser] geen belang. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
Overige openstaande vorderingen
Verbeurdverklaring (vordering VII in conventie)
2.46.
[eiser] doet een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW. Hierin staat dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het begrip ‘opzettelijk’ als hier bedoeld niet zo moet worden verstaan dat is vereist dat de betreffende deelgenoot het oogmerk had om de rechten van de andere deelgenoten of schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als hier bedoeld is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262). Het is aan degene die zich op het artikel beroept om (op basis van de hoofdregel van artikel 150 Rv) relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen waaruit het voorgaande blijkt. Aan het bewijs van het in artikel 3:194 lid 2 bedoelde opzet moeten hoge eisen worden gesteld. Aan de hand van dit juridisch kader zal de rechtbank ingaan op de vordering van [eiser] .
2.47.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] alle financiële touwtjes in handen had. Ook wijst hij erop dat [gedaagde] als executeur de aangifte erfbelasting heeft ingediend en dat daarin geen melding heeft gemaakt van de vorderingen die de nalatenschap op hem had. Toen [eiser] vragen stelde over de afname van het vermogen van erflaatster, heeft [gedaagde] de stukken met vervalste handtekeningen overgelegd op basis waarvan hij het geld naar zichzelf heeft overgemaakt. Hij weigerde bovendien openheid van zaken te geven, zo stelt [eiser] .
2.48.
Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is zoals gezegd niet alleen vereist dat [gedaagde] het vorderingsrecht heeft verzwegen (daar zien de stellingen van [eiser] voornamelijk op), maar ook dat hij wist dat de nalatenschap een vordering op hem had. Deze tweede vraag moet bevestigend worden beantwoord als [gedaagde] degene is die de vervalste verklaringen heeft opgemaakt en ondertekend. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld, zeker niet gelet op de hoge eisen die hieraan worden gesteld. Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat [gedaagde] de handtekeningen onder de verklaringen heeft vervalst (en daarvan dus op de hoogte was), geldt dat de deskundige schrijft dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de handtekening is geplaatst door een willekeurige derde dan door erflaatster. Die willekeurige derde kan [gedaagde] zijn maar dit hoeft niet. Dat de rechtbank nu vaststelt dat de nalatenschap wel degelijk een vordering op [gedaagde] heeft, doet aan het voorgaande niet af. Alles samengenomen zal de rechtbank vordering VII in conventie afwijzen.
Onrechtmatig handelen (vorderingen IX, X en XV in conventie)
2.49.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem omdat hij vervalste stukken heeft verstrekt en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden en een veroordeling van [gedaagde] om deze schade aan hem te vergoeden. De rechtbank zal deze vorderingen om dezelfde reden als hiervoor in 2.48 genoemd afwijzen. Ook het beroep op onrechtmatige daad is gebaseerd op de veronderstelling van [eiser] dat [gedaagde] wist dat de stukken vervalst waren, maar die conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet getrokken worden op basis van de overgelegde stukken. De rechtbank zal daarom de vorderingen IX, X en XV in conventie afwijzen.
De omvang van de nalatenschap van erflaatster en de verdeling ervan (vordering VIII in conventie en vordering I in reconventie)
2.50.
Tussen partijen staat vast (productie 13 bij dagvaarding) dat het saldo op de ervenrekening op 10 november 2023 € 79.313,91 was. Volgens [eiser] moet hierbij de erfbelasting die [gedaagde] verschuldigd was van € 1.937,- worden opgeteld, net als de vordering die de nalatenschap op [gedaagde] heeft. [gedaagde] betwist dat.
2.51.
Erfbelasting is een schuld van de nalatenschap op grond van artikel 4:7 lid 1 sub e BW. De rechtbank ziet daarom geen reden om te bepalen dat de erfbelasting van [gedaagde] bij het actief van de nalatenschap van erflaatster moet worden opgeteld. Bovendien blijkt uit de rekening en verantwoording dat zowel de erfbelasting van [eiser] als van [gedaagde] uit de nalatenschap is betaald. Wel moet het actief worden verhoogd met het bedrag dat [gedaagde] moet terugbetalen aan de nalatenschap. Dit is een bedrag van € 18.250,- (zie 2.43). De omvang van de nalatenschap van erflaatster bedraagt dus (€ 79.313,91 + € 18.250,- =) € 97.563,91. De rechtbank zal dit voor recht verklaren. De rechtbank merkt hierbij op het saldo op de ervenrekening mogelijk iets kleiner (door bankkosten) of iets groter (bijschrijving rente) is. Uiteraard dient bij de daadwerkelijke verdeling te worden uitgegaan van het op dat moment aanwezige saldo.
2.52.
[eiser] en [gedaagde] zijn ieder gerechtigd tot de helft van voornoemd bedrag. De rechtbank zal de nalatenschap van erflaatster verdelen, door te bepalen dat zowel [eiser] als [gedaagde] de helft van dit bedrag toekomt.
De proceskosten (vordering XVI in conventie en III in reconventie)
2.53.
Partijen hebben over en weer een proceskostenveroordeling gevorderd. De rechtbank ziet echter in de familierelatie tussen partijen aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.54.
De rechtbank heeft eerder al besloten dat de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van [gedaagde] komen. [gedaagde] heeft de rechtbank gevraagd om dit oordeel te heroverwegen. [gedaagde] heeft echter niet aangevoerd waarom daar reden voor is, anders dan dat hij het niet eens is met deze beslissing. Daarbij komt dat [gedaagde] (grotendeels) in het ongelijk is gesteld, zodat de rechtbank ook gelet daarop geen reden ziet om dit oordeel te heroverwegen. De rechtbank laat de beslissing over de kosten van de deskundige daarom in stand. De kosten van het deskundigenbericht zijn hoger dan het voorschot dat door [gedaagde] is voldaan. Maar omdat [gedaagde] het restant ook al heeft voldaan, is er geen reden meer om [gedaagde] in dit vonnis te veroordelen tot betaling van (het restant van de) kosten van de deskundige.

3.De beslissing

De rechtbank
In conventie en reconventie
3.1.
veroordeelt gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie ( [gedaagde] ) tot betaling van een bedrag van € 18.250,- aan de nalatenschap (ervenrekening) van erflaatster, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
verklaart voor recht dat de omvang van de nalatenschap van erflaatster is: het saldo op de ervenrekening (op 10 november 2023: € 97.563,91 verminderd met nadien verschenen kosten en vermeerderd met nadien verschenen rente) te vermeerderen met het hiervoor onder 3.1 genoemde bedrag;
3.3.
stelt de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast door te bepalen dat partijen ieder de helft van het onder 3.2 genoemde bedrag toekomt;
3.4.
verstaat dat de kosten van de in deze procedure benoemde deskundige geheel voor rekening van eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie ( [gedaagde] ) komen;
3.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.6.
verklaart de beslissing als genoemd onder 3.1 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Voetnoten

1.De door [eiser] zelf ingeschakelde deskundige concludeert dat de handtekening onder deze verklaring zeer veel waarschijnlijker een authentieke handtekening is dan een vervalste handtekening.