ECLI:NL:RBMNE:2025:7421

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 23/5388 en UTR 23/5390
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AwrArt. 52a Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen informatiebeschikking WOZ en immateriële schadevergoeding

Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van twee woningen en kreeg een informatiebeschikking opgelegd wegens het niet aanleveren van gevraagde gegevens via een Inlichtingen Formulier Secondaire Kenmerken (IFSO). De heffingsambtenaar had het formulier toegezonden, maar eiser leverde geen gegevens aan, waarna de informatiebeschikking werd genomen.

Eiser stelde dat hij het formulier niet had ontvangen en dat er geen hoorzitting was georganiseerd. De rechtbank oordeelde dat het formulier wel was toegezonden en dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om gehoord te worden, maar hier geen gebruik van maakte.

Eiser verzocht ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de termijn met circa vijf maanden was overschreden, was het financiële belang niet aannemelijk gemaakt boven €1.000,- en was de overschrijding minder dan twaalf maanden. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde de heffingsambtenaar niet in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 18 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/5388 en UTR 23/5390

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: M. Verhoef).

Procesverloop

1.1
Op 3 maart 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de door de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) bij beschikking vastgestelde waarden van de woningen aan de [adres 1] en de [adres 2] in [plaats] (de woningen) voor het belastingjaar 2023.
1.2
In het kader van de afhandeling van het bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij brief van 18 mei 2023 op grond van artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) eiser verzocht inlichtingen te verstrekken over de toestand van de woning middels het invullen van een Inlichtingen Formulier Secondaire Kenmerken (IFSO). In deze brief heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat, indien het formulier niet binnen de gestelde tijd wordt geretourneerd, er een informatiebeschikking wordt genomen. Daarbij is vermeld dat dit inhoudt dat er een omgekeerde en verzwaarde bewijslast van kracht is inzake de gevraagde gegevens.
1.3
Vanwege het uitblijven van de gevraagde inlichtingen heeft de heffingsambtenaar op 27 juni 2023 een informatiebeschikking genomen op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr.
1.4
In de uitspraak op bezwaar van 1 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard.
1.5
Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6
De zaak is behandeld op de zitting van 1 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Overwegingen

De informatiebeschikking
2. Eiser voert met betrekking tot de informatiebeschikking aan dat hij het IFSO niet heeft ontvangen. Verder heeft eiser in zijn beroepschrift en aanvullende geschriften diverse algemeen geformuleerde argumenten aangevoerd, die geen van alle concreet zien op het onderhavige besluit dat de heffingsambtenaar heeft genomen. De overige gronden lijken vooral de vastgestelde WOZ-waarde te betwisten.
3. De heffingsambtenaar voert aan dat het IFSO als bijlage van de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift met de post naar de gemachtigde van eiser verzonden. De heffingsambtenaar heeft geen retourpost ontvangen en poststukken die in het verleden naar dit postnummer zijn verzonden kwamen ook nooit retour. De heffingsambtenaar stelt verder dat aan de per e-mail verzonden informatiebeschikking van 27 juni 2023 een blanco IFSO is toegevoegd om eiser nogmaals de mogelijkheid te geven om de gevraagde informatie toe te sturen. De heffingsambtenaar is van mening dat eiser voldoende gelegenheid heeft gekregen om de gevraagde informatie toe te sturen.
4. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen. In het kader van de behandeling van het bezwaar dat eiser heeft gemaakt tegen de aanslag gemeentelijke belastingen mocht de heffingsambtenaar deze informatie vragen. De rechtbank ziet niet in waarom eiser deze informatie niet heeft kunnen verstrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
De hoorzitting
5. Eiser voert aan dat er, ondanks een verzoek, geen hoorzitting is georganiseerd door de heffingsambtenaar.
6. De heffingsambtenaar voert aan dat de hoorzitting wel is georganiseerd. In de mailwisseling die de heffingsambtenaar heeft aangedragen is eiser uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting. De gemachtigde van eiser heeft als reactie hierop het voorstel gedaan om een verslag van een fictieve mondelinge hoorzitting toe te zenden. De gemachtigde van eiser heeft op 4 oktober 2023 een e-mail gestuurd met daarin opgenomen een verslag van de mondelinge hoorzitting. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen. De heffingsambtenaar heeft eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden. Eiser heeft ervoor gekozen hier geen gebruik van te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
7. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak twee jaar of meer is verstreken. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Het bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking is door de heffingsambtenaar ontvangen op 18 juli 2023. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) vijf maanden. Eiser heeft dus in beginsel recht op vergoeding van immateriële schade.
8. De rechtbank overweegt verder als volgt. Het verzoek van eiser valt onder de werking van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024. [1] Hierdoor geldt dat er niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade als het financieel belang minder is dan € 1.000,- én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden.
9. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. Eiser heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De redelijke termijn is overschreden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om daarvoor een schadevergoeding toe te wijzen. De heffingsambtenaar hoeft daarom het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.