2.2Pas op zitting wordt door de gemachtigde van eiseres concreet gemaakt waarom eiseres het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Nadat de heffingsambtenaar in de beroepsfase de WOZ-waarde nader heeft onderbouwd met het verweerschrift (ontvangen door de rechtbank op 24 juli 2025 en op dezelfde datum doorgezonden met een verzoek om reactie) heeft de gemachtigde van eiseres echter ruimschoots de kans gehad om daar op tijd op te reageren. Op 19 november 2025 heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix ingediend. Op 18, 19 en 25 november 2025 heeft de rechtbank opnieuw brieven van de gemachtigde van eiseres ontvangen die vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Met dit procedeergedrag ontneemt de gemachtigde verweerder én de rechtbank de kans om zich adequaat voor te bereiden op (een reactie op) standpunten die pas op de zitting concreet aan een onroerende zaak worden gerelateerd. De rechtbank staat dit procedeergedrag niet toe wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat daarom de gronden die de gemachtigde op de zitting heeft aangevoerd en die niet een nadere onderbouwing zijn van gronden uit zijn beroepschrift of pinpointbrief buiten beschouwing. De rechtbank behandelt dus alleen de gronden die de gemachtigde eerder op schrift heeft gesteld en zijn geconcretiseerd op zitting.
Beoordelingskader niet-woningen
3. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarden van de objecten op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. De WOZ-waarde is de waarde in het economisch verkeer. Om de waarden te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar taxatiematrices overgelegd, waarin hij de waarde berekent met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ. De huurwaardekapitalisatiemethode kent als variabelen de brutohuurwaarde en de kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit transacties van vergelijkbare objecten. Bij gebrek aan geschikte verkoopreferenties of als extra onderbouwing kan de heffingsambtenaar gebruik maken van de bottom-up methode voor het vaststellen van de kapitalisatiefactor.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode.
5. De rechtbank zal wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waardes heeft aangevoerd, meewegen.
Het geschil over het object [adres 1] (UTR 25/1460)
6. Het object is een kantoorpand met twee kantoren van elk 306 m², een kantine van
100 m², een opslag/magazijn van 701 m², een entresol van 95 m² en twee werkplaatsen van elk 290 m². Het object heeft een totale oppervlakte van 2088 m². Het object is gebouwd in 1988.
7. In geschil is de WOZ-waarde van het object op de waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 1.013.000,-. Eiseres bepleit een lagere waarde.
8
.De heffingsambtenaar is uitgegaan van een brutohuurwaarde van € 100.074,- per jaar. De heffingsambtenaar heeft de huurwaarde van dit object onderbouwd door een vergelijking te maken met gerealiseerde huurprijzen uit de markt van soortgelijke objecten in [gemeente] . De heffingsambtenaar heeft de kapitalisatiefactor van 9,8 voor het object vastgesteld aan de hand van een bottom-up methode
.
9. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met onder andere het taxatierapport, het verweerschrift en de toelichting die hij op zitting heeft gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van het object niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten gehanteerd die voldoende vergelijkbaar zijn en waarvan de huurtransacties voldoende dicht rondom de waardepeildatum zijn gelegen. De getaxeerde huurwaarde per m² ligt onder de gerealiseerde huurwaarden van de referentieobjecten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar met de bottom-up berekening en de toelichting daarop, aannemelijk heeft gemaakt dat het leegstandsrisico niet te laag is vastgesteld en daarmee de kapitalisatiefactor niet te hoog. Hiermee maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
10. Wat eiseres in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Aangezien de beroepsgronden voor beide objecten gelijk zijn, zal de rechtbank die hierna in r. 16 bespreken.
Het geschil over het object [adres 2] (UTR 25/1461)
11. Het object is een kantoorpand met kantoor van 126 m², een werkplaats van 176 m² en een opslag/magazijn van 428 m². Het object heeft een totale oppervlakte van 730 m². Het object is gebouwd in 1991.
12. In geschil is de WOZ-waarde van het object op de waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 274.000,-. Eiseres bepleit een lagere waarde.
13. De heffingsambtenaar is uitgegaan van een brutohuurwaarde van € 28.652.- per jaar. De heffingsambtenaar heeft de huurwaarde van dit object onderbouwd door een vergelijking te maken met gerealiseerde huurprijzen uit de markt van soortgelijke objecten in [gemeente] . De heffingsambtenaar heeft de kapitalisatiefactor van 9,8 voor het object vastgesteld aan de hand van een bottom-up methode
.
14. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met onder andere het taxatierapport, het verweerschrift en de toelichting die hij op zitting heeft gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van het object niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten gehanteerd die voldoende vergelijkbaar zijn en waarvan de huurtransacties voldoende dicht rondom de waardepeildatum zijn gelegen. De getaxeerde huurwaarde per m² ligt onder de gerealiseerde huurwaarden van de referentieobjecten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar met de bottom-up berekening en de toelichting daarop, aannemelijk heeft gemaakt dat het leegstandsrisico niet te laag is vastgesteld en daarmee de kapitalisatiefactor niet te hoog. Hiermee maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
15. Wat eiseres in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
16. Eiseres stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de huurinformatie door geen huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren te overleggen. Omdat de heffingsambtenaar onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt met welke stukken de door hem gehanteerde huurwaarde wordt onderbouwd, is niet aannemelijk gemaakt dat de huurwaarde per m² niet te hoog is vastgesteld.