ECLI:NL:RBMNE:2025:7424

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2266, UTR 24/2268 t/m UTR 24/2272
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarden woningen en toekenning proceskostenvergoeding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarden van zes woningen die door de heffingsambtenaar waren vastgesteld voor het belastingjaar 2023. Na een uitspraak op bezwaar waarbij de waarden werden gehandhaafd, heeft de heffingsambtenaar in het beroepschrift de waarden verlaagd en een taxatiematrix ingediend met nieuwe waardes.

Op de zitting van 1 december 2025 zijn partijen overeengekomen de WOZ-waarden te verlagen naar de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en past de WOZ-waarden aan. Tevens wordt de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig verminderd.

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiseres, waarbij de wegingsfactor 1 wordt toegepast conform jurisprudentie. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat het financiële belang niet boven € 1.000,- uitkomt en de termijnoverschrijding minder dan twaalf maanden bedraagt.

De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries en griffier A.A. Mulder op 18 december 2025. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de WOZ-waarden worden verlaagd en proceskosten worden aan eiseres toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/2266, UTR 24/2268 t/m UTR 24/2272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [plaats 2], verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van verschillende objecten aan de [adres 1] in de gemeente [plaats 1] (de woningen) voor het belastingjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 als volgt vastgesteld:
Adres:
Vastgestelde waarde:
Zaaknummer
[adres 2]
€ 399.000,-
UTR 24/2266
[adres 3]
€ 401.000,-
UTR 24/2268
[adres 4]
€ 399.000,-
UTR 24/2269
[adres 5]
€ 401.000,-
UTR 24/2270
[adres 6]
€ 391.000,-
UTR 24/2271
[adres 7]
€ 358.000,-
UTR 24/2272
1.2
De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenares van de woningen ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
1.3
In de uitspraak op bezwaar van 3 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hierbij zijn de WOZ-waarden van de woningen gehandhaafd.
1.4
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op 2 september 2025 een verweerschrift overlegd. Hierin geeft de heffingsambtenaar aan dat de waarden van de woningen uit de uitspraak op bezwaar niet verdedigbaar zijn. De heffingsambtenaar stelt daarom voor om de waarden te verlagen. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar op 5 november 2025 een taxatiematrix ingediend. De heffingsambtenaar stelt de volgende waarden voor:
Adres:
Voorgestelde waarde
Zaaknummer
[adres 2]
€ 360.000,-
UTR 24/2266
[adres 3]
€ 377.000,-
UTR 24/2268
[adres 4]
€ 360.000,-
UTR 24/2269
[adres 5]
€ 377.000,-
UTR 24/2270
[adres 6]
€ 360.000,-
UTR 24/2271
[adres 7]
€ 328.000,-
UTR 24/2272
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 1 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

2. Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat de WOZ-waarden van de woningen worden verlaagd naar de door de heffingsambtenaar in beroep voorgestelde waarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
3. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en de door heffingsambtenaar vastgestelde waarde aanpassen naar de voorgestelde waarden.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
4. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Eiseres heeft, zowel in de beroeps- als in de bezwaarfase verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar ook te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld.
5. In geschil is de wegingsfactor. Eiseres stelt dat wegingsfactor 1,5 van toepassing is. Eiseres voert namelijk aan dat, gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), bij vier of meer objecten waarvan de waarde is aangepast wegingsfactor 1,5 toegepast moet worden.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om wegingsfactor 1,5 toe te passen. Uit de arresten van de Hoge Raad [1] volgt dat voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) sprake is van één bezwaar als dat is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één aanslagbiljet opgenomen WOZ-beschikkingen.
7. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 [2] en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
8. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
9. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.294,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 1).
9. De uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast met toepassing van artikel 30a van de
Wet WOZ op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25).
10. In totaal wijst de rechtbank € 1.747,50,- aan proceskosten toe.
11. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Immateriële schadevergoeding
12. De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
13. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 februari 2023 en de dag van deze uitspraak zit afgerond 2 jaar en 10 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn afgerond met tien maanden is overschreden.
14. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder is dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [3] De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
15. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. Eiseres heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

16. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van de woningen aan de [adres 2] , [nummer 1] en [nummer 2] in [plaats 1] vast op € 360.000,-, naar waardepeildatum 1 januari 2022;
- stelt de waarde van de woningen aan de [adres 3] en [nummer 3] in [plaats 1] vast op
€ 377.000,-, naar waardepeildatum 1 januari 2022;
- stelt de waarde van de woning aan de [adres 7] in [plaats 1] vast op € 328.000,-, naar waardepeildatum 1 januari 2022;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.747,50.- aan proceskosten aan eiseres;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij