Overwegingen
2. Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat de WOZ-waarden van de woningen worden verlaagd naar de door de heffingsambtenaar in beroep voorgestelde waarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
3. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en de door heffingsambtenaar vastgestelde waarde aanpassen naar de voorgestelde waarden.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
4. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Eiseres heeft, zowel in de beroeps- als in de bezwaarfase verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar ook te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld.
5. In geschil is de wegingsfactor. Eiseres stelt dat wegingsfactor 1,5 van toepassing is. Eiseres voert namelijk aan dat, gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), bij vier of meer objecten waarvan de waarde is aangepast wegingsfactor 1,5 toegepast moet worden.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om wegingsfactor 1,5 toe te passen. Uit de arresten van de Hoge Raadvolgt dat voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) sprake is van één bezwaar als dat is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één aanslagbiljet opgenomen WOZ-beschikkingen.
7. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
8. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
9. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.294,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 1).
9. De uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast met toepassing van artikel 30a van de
Wet WOZ op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25).
10. In totaal wijst de rechtbank € 1.747,50,- aan proceskosten toe.
11. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Immateriële schadevergoeding
12. De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
13. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 februari 2023 en de dag van deze uitspraak zit afgerond 2 jaar en 10 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn afgerond met tien maanden is overschreden.
14. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder is dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
15. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. Eiseres heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.