ECLI:NL:RBMNE:2025:7434

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4150 en UTR 25/5329
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 WooArt. 8:72, vierde lid, AwbWet open overheidWet op de Nationale ombudsman
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluiten Raad van State over Woo-verzoeken inzake kwestie Van Zutphen

Stichting de Verbeelding diende twee Woo-verzoeken in bij de Raad van State met betrekking tot documenten over misstanden bij de Afdeling bestuursrechtspraak en de kwestie Van Zutphen. De Raad van State wees beide verzoeken af, stellende dat de Afdeling bestuursrechtspraak is uitgezonderd van de Woo en dat er buiten deze Afdeling geen relevante documenten aanwezig waren.

De stichting stelde dat de Raad van State onvoldoende had gezocht en gemotiveerd, verwijzend naar brieven en het jaarverslag 2024 waarin de kwestie Van Zutphen werd genoemd. De rechtbank oordeelde dat de Raad van State niet aannemelijk had gemaakt dat zorgvuldig onderzoek was verricht en dat de motivering van de besluiten onvoldoende was.

Daarnaast werd vastgesteld dat het tweede Woo-verzoek breder was dan door de Raad van State opgevat, omdat het ook betrekking had op contacten met de Nationale ombudsman en diens medewerkers, niet alleen op procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en bepaalde dat de Raad van State binnen zes weken nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de Raad van State veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van de stichting.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van de Raad van State en draagt op tot hernieuwde behandeling van de Woo-verzoeken binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4150 en UTR 25/5329

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

Stichting de Verbeelding, uit Wezup, de stichting

en

de Raad van State,

(gemachtigden: mr. F. Dinleyici en drs. P.B. Feenstra).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de twee Woo-verzoeken van de stichting aan de Raad van State.
Woo-verzoek I (zaaknummer 25/4150)
Op 22 maart 2025 dient de stichting een Woo-verzoek (Woo-verzoek I) in en deze luidt als volgt:
“Sinds 13 augustus 2024 heeft een van de juristen van Stichting de Verbeelding, mr. G. Heres Hoogerkamp, bij herhaling de aandacht van uw vice-president gevestigd op (1) een aantal misstanden die zich hebben voorgedaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en (2) de kwestie-Van Zutphen. Tot enigerlei reactie of verbetering in het functioneren van de Afdeling, laat staan het naderbij komen van een oplossing voor de kwestie-Van Zutphen, heeft dit echter niet geleid. Ik wil graag weten waarom dat zo is. Vandaar dus dat ik u bij deze verzoek om mij in bij voorkeur digitale vorm in kopie te doen toekomen alle documenten die getuigen van de contacten die naar aanleiding van de emails en de brieven van de heer Heres Hoogerkamp hebben plaatsgevonden of waarin het anderszins over die e-mails en brieven is gegaan alsmede van alle documenten die mij enig inzicht kunnen geven in de verdere vervolgstappen die in het verlengde deze emails
en brieven zijn gezet.”
De Raad van State heeft dit Woo-verzoek met het besluit van 17 april 2025 afgewezen omdat de door de stichting gevraagde informatie deels betrekking heeft op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Woo is die Afdeling uitgezonderd van de toepassing van de Woo. Verder zijn er binnen de Raad van State geen documenten gevonden.
Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van de stichting is de Raad van State bij haar beslissing gebleven (bestreden besluit I).
Woo-verzoek II (zaaknummer 25/5329)
Op 23 april 2025 dient de stichting wederom een Woo-verzoek (Woo-verzoek II) in en deze luidt als volgt:
“Bij verzoek van 22 maart 2025 heb ik u onder meer gevraagd, of althans willen vragen,
om mij in kopie te doen toekomen alle documenten die getuigen van contacten waarin het
over de kwestie-Van Zutphen is gegaan. Dat verzoek is echter niet in die vorm
terechtgekomen in het besluit dat op 17 april 2025 op het verzoek is genomen. Ik heb
inmiddels bezwaar gemaakt tegen dat besluit, maar aangezien er nogal een discrepantie
bestaat tussen de termijn waarbinnen een verzoek tot een besluit dient te hebben geleid
en die waarop er een beslissing op een bezwaar moet worden genomen lijkt het mij maar
het verstandigst wanneer ik het verzoek zoals ik dat oorspronkelijk heb bedoeld nog even
opnieuw bij u indien. Ik doe dat bij deze. Daarbij breid ik het in zoverre uit dat ik u
daarnaast verzoek om mij in bij voorkeur digitale vorm in kopie te doen toekomen alle
documenten die blijk geven van contacten die de Raad van State en/of personen die aan
de raad zijn verbonden sinds 1 januari 2024 hebben gehad met Nationale ombudsman
mr. R.F.B. (Reinier) van Zutphen - als ambtsdrager en als persoon - en/of (medewerkers
van) diens bureau in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Nationale
ombudsman.”
De Raad van State heeft dit Woo-verzoek met het besluit van 17 juni 2025 afgewezen omdat de door de stichting gevraagde informatie deels betrekking heeft op de Afdeling. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Woo is de Afdeling uitgezonderd van de toepassing van de Woo. Er zijn buiten die Afdeling geen documenten over de kwestie-Van Zutphen en er is hierover evenmin contact met de ombudsman geweest.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 op het bezwaar van de stichting is de Raad van State bij haar beslissing gebleven (bestreden besluit II).
De stichting heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De Raad van State heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de voorzitter van de stichting en de gemachtigden van de Raad van State.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Raad van State de Woo-verzoeken van de stichting niet op de juiste wijze heeft behandeld. De stichting krijgt gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunt van de stichting
2. De stichting voert – samengevat weergegeven – aan dat de Raad van State ten onrechte stelt dat er bij hem (anders dan bij de Afdeling bestuursrechtspraak) geen documenten berusten die vallen binnen de reikwijdte van het verzoek. Zij wijst erop dat de brieven van de heer Heres Hoogerkamp voor kennisgeving zijn aangenomen. Volgens haar zouden documenten moeten bestaan waaruit blijkt dat en om welke reden voor deze wijze van afdoening is gekozen. Ook verwijst de stichting naar het jaarverslag van de Raad van State van 2024 en stelt dat hieruit blijkt dat stukken aanwezig moeten zijn die onder haar verzoek vallen. In het jaarverslag is onder het kopje “Onwenselijk procedeergedrag” namelijk aandacht besteed aan de ‘kwestie-Van Zutphen’. Ter zitting heeft de stichting nog voorbeelden genoemd van verzonden brieven aan de Raad van State waarvan zij zich niet kan voorstellen dat daar niets mee is gedaan. Als voorbeeld is gewezen op een brief waarin een hongerstaking voor de deur van de Raad van State is aangekondigd tijdens de NAVO-top in Den Haag.
Volgens de stichting heeft de Raad van State Woo-verzoek II te beperkt opgevat.
Oordeel van de rechtbank
Woo-verzoek I (UTR 25/4150)
3. De rechtbank stelt voorop dat partijen het er over eens zijn dat stukken die berusten onder de Afdeling niet onder de Woo. De stichting heeft benadrukt dat haar verzoek daar ook niet op ziet, maar dat ook buiten lopende procedures bij de Afdeling om is gecorrespondeerd met de vicevoorzitter van de Raad van State. Dat valt niet onder de Afdeling. Volgens de Raad van State is er niets aangetroffen dat onder het verzoek valt.
4. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en deze mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat dat document toch onder het bestuursorgaan berust. [1] Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de rechtbank niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. Het bestuursorgaan moet inzichtelijk maken dat voldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan en hoe er naar documenten is gezocht. [2]
5. De rechtbank is van oordeel dat de Raad van State niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat voldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan en dat de Raad van State onvoldoende heeft gemotiveerd hoe naar documenten is gezocht. Vooralsnog vindt de rechtbank daarom de stelling dat er geen enkel document aanwezig is niet geloofwaardig. De Raad van State heeft weliswaar toegelicht dat alle correspondentie van de heer Heres Hoogerkamp, in lijn met een eerder aan hem gerichte mededeling, voor kennisgeving is aangenomen en dat op deze correspondentie door de Raad van State niet is gereageerd, maar dat sluit niet uit dat over deze werkwijze intern is gecommuniceerd of daarover anderszins documenten bestaan. Daarnaast sluit dit niet uit dat brieven of e-mails van Heres Hoogerkamp wel aanleiding hebben gegeven tot intern overleg waarover in documenten iets valt terug te lezen. De rechtbank wijst daarbij bijvoorbeeld op de aangekondigde hongerstaking. Het is niet goed voorstelbaar dat zo’n mededeling enkel voor kennisgeving is aangenomen, zonder dat intern besproken is hoe hier (door bijvoorbeeld de beveiliging) mee zou moeten worden omgegaan. De Raad van State heeft niet duidelijk gemaakt in welke gedigitaliseerde systemen is gezocht, welke zoektermen daarbij zijn gehanteerd en aan wie opdracht is gegeven een zoekslag te maken. Het is daarom niet uit te sluiten dat onder de Raad van State toch relevante documenten berusten die onder het Woo-verzoek vallen. Bestreden besluit I is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Woo-verzoek II (UTR 25/5329)
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de bepaling van de reikwijdte van een Woo-verzoek de gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek wordt gedaan betrokken moeten worden. De Raad van State heeft toegelicht dat het tweede verzoek niet anders kan worden opgevat dan als een (herhaald) verzoek om informatie over documenten die betrekking hebben op procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak in verband met ‘de kwestie Van Zutphen’.
7. De rechtbank is van oordeel dat het tweede verzoek meeromvattend is dan de Raad van State dit verzoek heeft opgevat. Ten eerste is duidelijk dat het geen herhaald verzoek betreft, omdat in het tweede verzoek expliciet is vermeld dat het om een uitbreiding van het eerder gedane verzoek gaat. Daarnaast blijkt uit de formulering van het verzoek dat het is gericht op alle documenten die blijk geven van contacten die de ombudsman (in uitoefening van zijn werk of als privépersoon) en zijn medewerkers hebben gehad met de Raad van State. Het is daarbij voldoende duidelijk dat dit deel van het verzoek niet is beperkt tot correspondentie over de ‘kwestie Van Zutphen’.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat Woo-verzoek II te beperkt is opgevat. Daarnaast is evenals bij Woo-verzoek I niet toegelicht op welke wijze er wél is gezocht naar de gevraagde documenten. Gelet op de te beperkte uitleg van Woo-verzoek II en het ontbreken van een beschrijving van de zoekslag, is ook dit besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd

Conclusie en gevolgen

De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook ziet de rechtbank geen reden om zelf te voorzien in deze zaken. Dit omdat de Raad van State de Woo-verzoeken opnieuw zelf in behandeling zal moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Ten aanzien van Woo-verzoek I is van belang dat de Raad van State de gemaakte zoekslag inzichtelijk maakt, zoals hiervoor onder 5 is overwogen. De rechtbank geeft partijen daarbij in overweging nader met elkaar in overleg te treden over de precieze reikwijdte van het verzoek. De stichting heeft in verzoek I verwezen naar ‘e-mails en brieven van de heer Heeres Hoogerkamp’. Het zou de Raad van State kunnen helpen bij het maken van een andere zoekslag wanneer de stichting concreet aanwijst op welke e-mails en brieven wordt gedoeld. Met betrekking tot Woo-verzoek II zal de Raad van State een uitgebreidere zoekslag moeten maken, waarbij de zoekslag niet is beperkt tot communicatie over de ‘kwestie Van Zutphen’. Daarnaast is van belang dat ook in dit te nemen besluit de gemaakte zoekslag inzichtelijk wordt gemaakt.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de Raad van State nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Raad van State hiervoor zes weken.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de Raad van State het griffierecht (in beide zaken) aan de stichting vergoeden en krijgt de stichting ook een vergoeding van haar proceskosten. De stichting krijgt de reis- en verblijfkosten van haar voorzitter voor de beroepsprocedures vergoed. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 615,64.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluit I en bestreden besluit II;
- draagt de Raad van State op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak twee nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de Raad van State het griffierecht van € 385,- en van € 194,- aan de stichting moet vergoeden;
- veroordeelt de Raad van State in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 615,64.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2437.