ECLI:NL:RBMNE:2025:7506

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/16/590414 / HL ZA 25-71
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 BWArt. 5:113 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg erfdienstbaarheid parkeerterrein en bewijsopdrachten onderhoudskosten

In deze civiele procedure tussen twee Verenigingen van Eigenaars (VvE) over het gebruik en onderhoud van een parkeerterrein bij flatgebouwen in [plaats], staat de uitleg van een erfdienstbaarheid centraal. VvE [naam 1] heeft onderhoudswerkzaamheden laten uitvoeren en vordert dat VvE [naam 2] de helft van de kosten betaalt. VvE [naam 2] betwist de noodzaak en omvang van het onderhoud en stelt dat overleg ontbrak.

De rechtbank oordeelt dat VvE [naam 2] inderdaad moet bijdragen aan de kosten, maar beperkt tot het herbestraten en aanbrengen van belijning, mits deze werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en marktconform zijn. Extra voorzieningen zoals slagbomen en parkeerpaaltjes vallen hier niet onder en zijn voor rekening van VvE [naam 1]. De rechtbank wijst de tegenvorderingen van VvE [naam 2] af, waaronder het verwijderen van parkeerpaaltjes en het verbod op het in gebruik geven van parkeerplaatsen aan derden.

VvE [naam 1] krijgt bewijsopdrachten om aan te tonen welk deel van het terrein herbestraat moest worden en dat de kosten marktconform zijn. Tevens wordt een termijn gegeven om bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoren. De rechtbank moedigt partijen aan om alsnog in overleg of mediation tot een schikking te komen. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: VvE [naam 2] moet meebetalen aan noodzakelijke herbestratings- en belijningskosten, tegenvorderingen worden afgewezen en bewijsopdrachten aan VvE [naam 1] gegeven.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/590414 / HL ZA 25-71
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS [.] “ [naam 1] TE [plaats] ”,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: VvE [naam 1] .
advocaat: mr. H.J.G. Braakhuis,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS [.] “ [naam 2] TE [plaats] ”,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VvE [naam 2] ,
advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse.

1.De procedure

1.1.
De volgende stukken zit in het dossier:
- de dagvaarding van 22 februari 2024 met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord met een eis in reconventie met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte van VvE [naam 2] met producties 6 tot en met 9;
- de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van VvE [naam 1] ;
- de spreekaantekeningen van VvE [naam 2] .
1.2.
Na de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025 hebben partijen tot 5 november 2025 de gelegenheid gekregen om een schikking te treffen. Dit is niet gelukt. Daarom is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
In [plaats] staan de flatgebouwen [naam 1] en [naam 2] . De bewoners worden in deze procedure vertegenwoordigd door VvE [naam 1] en VvE [naam 2] . Bij flatgebouw [naam 1] hoort een parkeerterrein. De bewoners van flatgebouw [naam 2] mogen daar gebruik van maken. De onderhoudskosten van het parkeerterrein komen voor rekening van de bewoners van beide flatgebouwen, ieder voor de helft. VvE [naam 1] heeft werkzaamheden laten uitvoeren aan het parkeerterrein en wil dat VvE [naam 2] de helft van de onderhoudskosten betaalt. VvE [naam 2] is het daar om meerdere redenen niet mee eens. VvE [naam 2] heeft een tegenvordering ingesteld. Zij wil dat de aangebrachte parkeerpaaltjes worden verwijderd en dat VvE [naam 1] geen gedeeltes van het parkeerterrein aan derden in gebruik geeft. De rechtbank oordeelt dat VvE [naam 2] wel moet meebetalen aan de uitgevoerde werkzaamheden, maar niet aan alles. In dit tussenvonnis worden aan VvE [naam 1] een aantal bewijsopdrachten gegeven. De tegenvorderingen van VvE [naam 2] worden afgewezen.

3.De beoordeling

In conventie
Inleiding
3.1.
In [plaats] , ter hoogte van de [straat 1] en de [straat 2] , staan de flatgebouwen [naam 1] en [naam 2] . Beide gebouwen staan op afzonderlijke kadastrale percelen en beide gebouwen zijn gesplitst in appartementsrechten. Bij deze splitsingen zijn respectievelijk VvE [naam 1] en VvE [naam 2] opgericht.
3.2.
Van het kadastrale perceel waarop flatgebouw [naam 1] staat, maakt een parkeerterrein onderdeel uit. Dit parkeerterrein is bestemd voor gemeenschappelijk gebruik door de appartementseigenaren van VvE [naam 1] .
3.3.
In de splitsingsakte van [naam 1] is met betrekking tot dit parkeerterrein de
volgende erfdienstbaarheid opgenomen:

Met betrekking tot bijzondere bepalingen en bestaande erfdienstbaarheden wordt verwezen naar: (. .) b. een akte van transport, zestien juni negentienhonderd tweeënzeventig voor mij, notaris, verleden bij afschrift overgeschreven ten gemelde hypotheekkantore op negentien juni daarna in deel [....] nummer [nummeraanduiding 1] , waarbij ten behoeve van het flatgebouw " [naam 2] " (kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , Sectie [letter] nummer [nummeraanduiding 2] ) en ten laste van het bij het flatgebouw [naam 1] behorende parkeerterrein, werd gevestigd de erfdienstbaarheid, inhoudende het recht om gemeld parkeerterrein als zodanig te gebruiken, alsmede het recht van weg om over het lijdend erf te kunnen komen en gaan van en naar de [straat 1] , zulks onder het beding dat de kosten van onderhoud van gemeld parkeerterrein voor de helft zullen worden gedragen door de gezamenlijke eigenaren van het flatgebouw [naam 2] .”
3.4.
Deze erfdienstbaarheid komt er kort gezegd op neer dat het parkeerterrein door de appartementseigenaren van het flatgebouw [naam 2] mag worden gebruikt, en dat de helft van de kosten van het onderhoud van het parkeerterrein voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaren van flatgebouw [naam 2] komt. Op grond van artikel 5:113 lid 2 en Pro lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is VvE [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk voor deze kosten.
3.5.
In 2021 heeft VvE [naam 1] voor € 65.960,66 aan werkzaamheden laten uitvoeren aan het parkeerterrein. VvE [naam 1] meent dat de helft van deze kosten (€ 32.980,33) voor rekening van VvE [naam 2] komt. VvE [naam 2] heeft geweigerd deze kosten te betalen. In deze procedure vordert VvE [naam 1] dat VvE [naam 2] deze kosten alsnog betaalt.
Het ontbreken van overleg leidt niet tot afwijzing van de vordering
3.6.
VvE [naam 2] heeft ten eerste aangevoerd dat de verplichting om mee te betalen aan de onderhoudskosten veronderstelt dat VvE [naam 1] voorafgaand aan het laten uitvoeren van het onderhoud met haar overleg voert. Bijvoorbeeld over de noodzaak van het onderhoud en de hoogte van de te maken kosten. Dit overleg heeft niet plaatsgevonden. Daarom vindt VvE [naam 2] dat zij in het geheel niet hoeft bij te dragen aan de kosten. De rechtbank is het met dit laatste niet eens.
3.7.
In de notariële akte staat geen verplichting tot het voeren van overleg. Wel geldt dat de beginselen van redelijkheid en billijkheid een rol spelen bij de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. Omdat VvE [naam 2] de helft van de onderhoudskosten moet betalen, en dus een financieel belang heeft bij het uit te voeren onderhoud, vindt de rechtbank dat VvE [naam 1] voorafgaand aan het verstrekken van de opdracht tot het uitvoeren van onderhoud met VvE [naam 2] overleg moet voeren over de noodzaak, aard en omvang van de uit te voeren werkzaamheden en de kosten daarvan. Dat VvE [naam 1] ten opzichte van de gemeente verplicht is het parkeerterrein te onderhouden, zoals zij zelf aanvoert, betekent niet dat zij geen overleg met VvE [naam 2] hoeft te voeren.
3.8.
VvE [naam 1] heeft erkend dat er geen overleg is geweest. De rechtbank is het echter met haar eens dat dit nog niet betekent dat VvE [naam 2] helemaal niets hoeft te betalen. Hierna wordt namelijk vastgesteld dat voor in ieder geval een deel van het parkeerterrein de noodzaak bestond om te herbestraten. Overleg tussen VvE [naam 1] en VvE [naam 2] had daar geen verandering in gebracht. Wel zou een overleg kunnen hebben geresulteerd in een andere opdracht, bijvoorbeeld zonder allerlei extra voorzieningen zoals slagbomen, parkeerpaaltjes en verlichting. Hierna wordt echter geoordeeld dat VvE [naam 2] niet aan deze extra voorzieningen hoeft mee te betalen. Verder zou er na een overleg misschien kritischer zijn omgesprongen met het selecteren van een aannemer en het afstemmen van de aanneemsom. Verderop in dit vonnis wordt geoordeeld dat dit aanleiding kan geven tot een correctie op de betalingsverplichting van VvE [naam 2] . Zo bezien ondervindt VvE [naam 2] geen nadeel vanwege het achterwege blijven van overleg.
VvE [naam 2] hoeft alleen mee te betalen aan de kosten van herbestrating en belijning
3.9.
VvE [naam 2] heeft betwist dat groot onderhoud aan het parkeerterrein noodzakelijk was. Voor zover groot onderhoud al noodzakelijk was, dan ziet het uitgevoerde werk daar volgens haar niet op. Er heeft namelijk een volledige renovatie van het parkeerterrein plaatsgevonden. Het terrein is volledig heringericht en er zijn bijvoorbeeld slagbomen, parkeerpaaltjes en lichtmasten geplaatst.
3.10.
De vraag die VvE [naam 2] hiermee opwerpt is wat er onder het begrip ‘onderhoud’ moet worden verstaan. Dit vraagt om een uitleg van de erfdienstbaarheid.
3.11.
De inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan worden in de eerste plaats bepaald door de akte van vestiging (artikel 5:73 lid 1 BW Pro). Bij de uitleg van deze akte komt het volgens vaste rechtspraak aan op de in die akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen. Die bewoordingen moeten worden uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Van een plaatselijke gewoonte of bestendig gebruik als bedoeld in artikel 5:73 lid 1 BW Pro is niet gebleken, zodat dit niet kan worden gebruikt bij de uitleg van de akte.
3.12.
In de notariële akte staat niet meer dan dat de kosten van het onderhoud door beide partijen voor de helft moeten worden betaald. De term ‘onderhoud’ is niet nader toegelicht en komt in de akte verder niet aan de orde. De term moet naar objectieve maatstaven worden uitgelegd. Dit betekent dat de rechter zich moet afvragen hoe een derde, redelijk lezer het begrip ‘onderhoud’ zou begrijpen.
3.13.
Omdat de tekst alleen spreekt over ‘onderhoud van het parkeerterrein’, vindt de rechtbank dat dit beperkt moet worden opgevat. Dat wil zeggen dat daaronder alleen moet worden verstaan het in bruikbare en veilige staat houden van het parkeerterrein. Dit omvat naar het oordeel van de rechtbank het herbestraten van het parkeerterrein als dat redelijkerwijs noodzakelijk is en ook het aanbrengen van belijning om auto’s veilig en doelmatig te laten parkeren, maar niet ook het realiseren van extra voorzieningen zoals slagbomen, groenvoorzieningen, parkeerpaaltjes, biggenruggen en lichtmasten. Niet gebleken is dat het parkeerterrein in de afgelopen 40 jaar over deze voorzieningen beschikte, en ook niet dat het parkeerterrein zonder deze voorzieningen niet goed en veilig heeft gefunctioneerd. VvE [naam 1] stelt dat de eisen van de huidige tijd meebrengen dat deze voorzieningen worden aangebracht. Het gaat echter om de uitleg van de tekst in de notariële akte en die moet volgens de rechtbank beperkt worden opgevat. Als VvE [naam 1] de kosten van de extra voorzieningen met VvE [naam 2] had willen delen, dan had zij dit vooraf met VvE [naam 2] moeten afstemmen. Door dit niet te doen komen de kosten van de extra voorzieningen voor eigen rekening van VvE [naam 1] . VvE [naam 1] heeft gesteld dat zij tegenover de gemeente verplicht is het parkeerterrein te onderhouden en dat zij de herinrichting ook met de gemeente heeft afgestemd. Dit betekent echter nog niet dat alles wat met de gemeente zou zijn afgestemd onder de noemer ‘onderhoud’ valt zoals dat hiervoor is uitgelegd.
VvE [naam 1] moet bewijzen welk deel van het parkeerterrein herbestraat moest worden
3.14.
De conclusie is dat VvE [naam 2] moet meebetalen aan (alleen) de kosten van het herbestraten van het parkeerterrein en het aanbrengen van belijning, mits vaststaat dat dit redelijkerwijs noodzakelijk was.
3.15.
VvE [naam 1] stelt dat het herbestraten van het volledige terrein noodzakelijk was. VvE [naam 2] betwist dit en vindt dat slechts 25% van het terrein herbestraat moest worden, wat – zo begrijpt de rechtbank – te maken had met omhoog gedrukte bestrating door boomwortels.
3.16.
Omdat VvE [naam 2] gemotiveerd heeft betwist dat er een noodzaak bestond om meer dan 25% van het parkeerterrein opnieuw te bestraten, is het aan VvE [naam 1] om dit te bewijzen. VvE [naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling een bewijsaanbod gedaan. De rechtbank zal haar daarom een bewijsopdracht verstrekken zoals hierna onder de beslissing is vermeld.
VvE [naam 1] moet toelichten wat het herbestraten en de belijning haar heeft gekost en moet bewijzen dat deze kosten marktconform zijn
3.17.
Als vast komt te staan voor welk percentage van het parkeerterrein redelijkerwijs de noodzaak bestond om tot herbestrating (ten minste 25%) over te gaan, dan is het aan VvE [naam 1] om te onderbouwen wat dit haar heeft gekost. De rechtbank kan dit uit de overgelegde facturen niet afleiden. De rechtbank zal VvE [naam 1] daarom op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevelen om dit nader toe te lichten. Bij voorkeur door het overleggen van een toelichting van de aannemer die de werkzaamheden heeft uitgevoerd ( [onderneming] ), waarin aan de hand van de facturen uit productie 7 bij de dagvaarding wordt toegelicht welke onderdelen van deze facturen zien op het straatwerk en de belijning, dus zonder de hiervoor genoemde extra werkzaamheden.
3.18.
VvE [naam 2] stelt dat VvE [naam 1] lichtvaardig en ondoordacht te werk is gegaan bij het verstrekken van de opdracht. Zo zijn er geen offertes bij andere aannemers opgevraagd en is er geen vaste prijs afgesproken, maar heeft de aannemer gewerkt op basis van regie. Dit heeft volgens VvE [naam 2] tot disproportionele kosten geleid en zij vindt dat dit niet voor haar rekening mag komen.
3.19.
Omdat er geen overleg heeft plaatsgevonden tussen VvE [naam 1] en VvE [naam 2] , is de rechtbank van oordeel dat er op VvE [naam 2] alleen een verbintenis rust tot het meebetalen aan de kosten van herbestraten en het aanbrengen van belijning voor zover die kosten marktconform zijn. Als VvE [naam 1] dit risico met VvE [naam 2] had willen delen dan had zij met VvE [naam 2] overleg moeten voeren voordat de opdracht werd verstrekt.
3.20.
VvE [naam 2] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de in rekening gebrachte kosten marktconform zijn. VvE [naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven niet te weten of er offertes zijn opgevraagd bij andere aannemers. Ook is gebleken dat de ingeschakelde aannemer op regiebasis werkte en niet met een vaste aanneemsom.
3.21.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank VvE [naam 1] toelaten te bewijzen dat de kosten die [onderneming] bij haar in rekening heeft gebracht voor het herbestraten en de belijning marktconform zijn. Bijvoorbeeld door het overleggen van offertes van andere aannemers voor hetzelfde werk (herbestraten en belijning) met de juiste peildatum (2021).
De opgetreden verzakkingen betekenen niet dat VvE [naam 2] niet hoeft mee te betalen
3.22.
VvE [naam 2] heeft tot slot aangevoerd dat VvE [naam 1] – tegen het advies van de aannemer in – geen opdracht heeft gegeven om een stabiliserende puinlaag aan te brengen onder de bestrating. Daardoor treden er verzakkingen op waar water in blijft staan. Het werk moet daardoor (deels) opnieuw gedaan worden. Dit maakt volgens VvE [naam 2] dat in redelijkheid niet van haar verwacht mag worden dat zij meebetaalt aan de uitgevoerde werkzaamheden.
3.23.
VvE [naam 1] betwist dat het werk niet deugdelijk is uitgevoerd. De verzakkingen zijn volgens haar het gevolg van te zware voertuigen en gevolg van het feit dat VvE [naam 2] het parkeerterrein als hoofdingang gebruikt in plaats van achteringang.
3.24.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag naar de verzakkingen en een eventueel herstel daarvan speelt tussen VvE [naam 1] en de aannemer. VvE [naam 2] is daarbij geen partij. Mocht het inderdaad zo zijn dat de verzakkingen zijn opgetreden door het ontbreken van een puinlaag en mocht VvE [naam 1] inderdaad ten onrechte een waarschuwing van de aannemer in de wind hebben geslagen, zoals VvE [naam 2] stelt, dan zou dit tot gevolg kunnen hebben dat de aannemer niet gehouden is om de verzakkingen te herstellen. Het zou in dat geval mogelijk zo kunnen zijn dat VvE [naam 1] VvE [naam 2] in de toekomst niet kan aanspreken om mee te betalen aan eventuele kosten die direct verband houden met het herstel van de verzakkingen. Die vraag ligt in deze procedure echter niet voor. In deze procedure gaat het om de vraag of VvE [naam 2] moet meebetalen aan de werkzaamheden die al uit zijn gevoerd. Het antwoord daarop is: ja, gedeeltelijk. Of die werkzaamheden vervolgens wel of niet deugdelijk zijn uitgevoerd, of VvE [naam 1] daarin een verwijt kan worden gemaakt en wat dit betekent voor de kostenverdeling van een eventueel herstel is geen onderdeel van deze zaak.
De bewijsopdrachten en het bevel om stellingen toe te lichten
3.25.
Hiervoor zijn aan VvE [naam 1] twee bewijsopdrachten verstrekt en een bevel om stellingen toe te lichten. VvE [naam 1] mag bewijs leveren met alle middelen rechtens. De rechtbank zal VvE [naam 1] in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de wijze waarop zij bewijs wil leveren.
3.26.
Als VvE [naam 1] het bewijs (mede) willen leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dan moet zij deze afzonderlijk bij de hiervoor te noemen akte in het geding brengen. Aan het bevel om stellingen toe te lichten moet ook in deze akte worden voldaan.
3.27.
Als VvE [naam 1] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dan moet zij dit in de hiervoor genoemde akte vermelden en de verhinderdata opgeven van alle partijen en van de op te roepen getuigen over de maanden februari tot en met augustus 2026. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.
3.28.
Alle partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Als een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.
3.29.
De rechtbank verwacht dat het verhoor per getuige 60 minuten zal duren. Als partijen verwachten dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, dan kan dat in de te nemen akte worden vermeld.
3.30.
VvE [naam 2] zal de gelegenheid krijgen om bij antwoordakte op de akte van VvE [naam 1] te reageren. In het geval VvE [naam 1] ervoor kiest het bewijs (mede) te leveren door het horen van getuigen, zal na de antwoordakte van VvE [naam 2] een getuigenverhoor worden bepaald, waarna eventueel een tegenverhoor zal plaatsvinden.
3.31.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
In reconventie
De ontvankelijkheid van VvE [naam 2]
3.32.
VvE [naam 2] heeft twee tegenvorderingen ingesteld die – kort gezegd – zien op het verwijderen van parkeerpaaltjes van het parkeerterrein en op een verbod op het in gebruik geven van het parkeerterrein aan derden.
3.33.
VvE [naam 1] stelt dat de vorderingen van VvE [naam 2] zien op de vaststelling van de inhoud, aard en omvang van de erfdienstbaarheid. Die vorderingen moeten volgens VvE [naam 1] worden ingesteld tegen degene die goederenrechtelijk partij is bij de erfdienstbaarheid en dat is de eigenaar van het parkeerterrein. Niet VvE [naam 1] is eigenaar, maar de gezamenlijke appartementseigenaren van flatgebouw [naam 1] zijn dat. Zij zijn in deze procedure echter geen partij. VvE [naam 1] vindt daarom dat VvE [naam 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen.
3.34.
De rechtbank laat de vraag over de ontvankelijkheid van VvE [naam 2] in het midden. Uit het onderstaande volgt namelijk dat de vorderingen van VvE [naam 2] worden afgewezen.
De parkeerpaaltjes mogen blijven staan
3.35.
VvE [naam 2] vordert ten eerste dat VvE [naam 1] wordt veroordeeld om alle parkeerpaaltjes van het parkeerterrein te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Door het plaatsen van de paaltjes is er nog maar sprake van één toegang tot het parkeerterrein, die als in- en uitgang wordt gebruikt. Deze toegang is te smal om door twee auto’s tegelijkertijd te worden gebruikt. Dit leidt volgens VvE [naam 2] tot onveilige situaties, en daarmee belemmert dit de uitoefening van de erfdienstbaarheid.
3.36.
De rechtbank stelt voorop dat VvE [naam 1] als eigenaar van het parkeerterrein in beginsel de vrijheid heeft het parkeerterrein zo in te richten als zij zelf wil. Dit is alleen anders als het recht van VvE [naam 2] om het parkeerterrein als zodanig (veilig) te kunnen gebruiken wordt beperkt. Dat hiervan sprake is, moet VvE [naam 2] stellen en zo nodig bewijzen. VvE [naam 1] heeft gemotiveerd betwist dat de parkeerpaaltjes tot een onveilige situatie leiden. Terecht stelt zij dat het enkele feit dat er nog maar één toegang tot het parkeerterrein is, in plaats van twee, niet automatisch betekent dat er sprake is van een onveilige situatie. Daarvoor zijn meer feiten en omstandigheden nodig. VvE [naam 1] stelt dat de toegang voldoende breed is en zich sinds de plaatsing van de paaltjes in 2021 geen incidenten hebben voorgedaan. Dit laatste is door VvE [naam 2] niet betwist. Ook kan het parkeerterrein nog steeds door de leden van VvE [naam 2] als zodanig gebruikt worden. Ondanks deze gemotiveerde betwisting heeft VvE [naam 2] tijdens de mondelinge behandeling volstaan met een herhaling van de stelling dat er sprake is van een onveilige situatie, en heeft zij verwezen naar de overgelegde foto’s van het parkeerterrein. Van VvE [naam 2] mag echter verwacht worden dat zij, in reactie op de betwisting van VvE [naam 1] , voldoende feiten en omstandigheden aanvoert om haar stelling dat sprake is van een onveilige situatie nader te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. Daarom kan er niet vanuit worden gegaan dat er sprake is van een onveilige situatie en dat het recht van VvE [naam 2] om het parkeerterrein (veilig) te kunnen gebruiken wordt beperkt.
3.37.
De conclusie is dat de vordering van VvE [naam 2] tot het verwijderen van de paaltjes als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen.
VvE [naam 1] mag een parkeerplaats aan een derde in gebruik geven
3.38.
Ten tweede vordert VvE [naam 2] een verklaring voor recht dat het VvE [naam 1] niet is toegestaan om zonder haar toestemming (delen van) het parkeerterrein aan derden te verhuren of in gebruik te geven. VvE [naam 1] heeft zonder overleg met VvE [naam 2] één parkeervak op het terrein aan een derde in gebruik gegeven voor het parkeren van een busje. Dit beperkt de uitoefening van de erfdienstbaarheid door VvE [naam 2] , omdat er volgens haar vaak onvoldoende plek is op het terrein. De ingebruikgeving aan een derde verhoudt zich ook niet met de verplichting van VvE [naam 2] om voor de helft mee te betalen aan de onderhoudskosten.
3.39.
Ook hier geldt dat VvE [naam 1] als eigenaar van het parkeerterrein in beginsel de vrijheid heeft om daarmee te doen wat zij wil. Dit is alleen anders als daardoor het recht van VvE [naam 2] om het parkeerterrein als zodanig te gebruiken wordt beperkt. VvE [naam 1] stelt dat de herinrichting van het parkeerterrein heeft geleid tot een toename van het aantal parkeerplaatsen. Dit is door VvE [naam 2] tijdens de mondelinge behandeling ook erkend. Dat VvE [naam 1] na de herinrichting één parkeerplaats aan een derde in gebruik geeft, maakt daarom nog niet dat het recht van VvE [naam 2] om het parkeerterrein te gebruiken wordt beperkt. Per saldo neemt het aantal parkeerplaatsen immers nog steeds toe. Van belang is ook dat één van de leden van VvE [naam 2] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat er niemand is die zijn auto niet kwijt kan, dat hij er al tien jaar woont en dat hij nog nooit een parkeerplaats heeft moeten zoeken.
3.40.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om VvE [naam 1] te verbieden om (delen van) het parkeerterrein aan derden in gebruik te geven. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
3.41.
Iedere verdere beslissing in reconventie wordt aangehouden totdat er een eindvonnis gewezen kan worden.
In conventie en reconventie
De rechtbank geeft partijen in overweging (opnieuw) met elkaar in overleg te gaan
3.42.
De rechtbank geeft partijen het volgende uitdrukkelijk in overweging.
3.43.
Partijen verschillen van mening over de vraag of VvE [naam 2] moet meebetalen aan het uitgevoerde onderhoud en, zo ja, voor welk onderhoud precies. In dit vonnis heeft de rechtbank een aantal belangrijke knopen doorgehakt. VvE [naam 2] moet meebetalen, maar alleen aan de kosten van het herbestraten en het aanbrengen van belijning en alleen voor zover dit noodzakelijk was en tot een marktconform tarief. Duidelijk is dat daarom een deel van de vordering van VvE [naam 1] niet toewijsbaar is. Daar staat tegenover dat de tegenvorderingen van VvE [naam 2] zullen worden afgewezen. Dat betekent dat de parkeerpaaltjes blijven staan en VvE [naam 1] een parkeerplaats in gebruik mag blijven geven aan een derde.
3.44.
Bewijslevering gaat voor beide partijen met de nodige tijd, kosten en risico’s gepaard. De rechtbank geeft partijen daarom, met inachtneming van de knopen die in dit vonnis zijn doorgehakt, uitdrukkelijk in overweging (opnieuw) met elkaar in overleg te treden over het treffen van een schikking. Een eventuele schikking kan de rechtbank vastleggen in een proces-verbaal.
3.45.
De rechtbank wijst partijen ook op de mogelijkheid van mediation. Bij mediation proberen partijen samen een oplossing te vinden onder leiding van een mediator. Mediation kan helpen om een betere oplossing te vinden, omdat er bij mediation aandacht is voor de belangen van alle partijen. Als de mediation slaagt, dan eindigt meestal de procedure.
3.46.
Tijdens deze procedure kan op elk moment op verzoek van beide partijen naar mediation worden verwezen. Die verwijzing naar een mediator gebeurt in overleg met de advocaten via het Mediationbureau van de rechtbank. Vaak kan het Mediationbureau de eerste afspraak bij de mediator al binnen twee weken plannen.
3.47.
De rechtbank wijst er op dat mediation tijdens een procedure wordt gesubsidieerd. Partijen die niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand hebben recht op een startbijdrage als zij vanuit de rechtspraak naar mediation worden verwezen en de mediator deelneemt aan deze regeling. Dit betekent dat de eerste 2,5 uur van de mediation partijen niets kost. De actuele vergoeding is te vinden op www.rechtspraak.nl/mediation. Daar is ook verdere informatie beschikbaar.
3.48.
Als partijen kiezen voor mediation dan kan dit worden gemeld bij de griffie van de rechtbank. Het Mediationbureau zal dan contact opnemen voor verdere afspraken over de mediation. Het Mediationbureau is bereikbaar via [telefoonnummer] of via [e-mailadres] . De procedure bij de rechtbank zal dan voorlopig worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
laat VvE [naam 1] toe te bewijzen dat het herbestraten van meer dan 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was;
4.2.
beveelt VvE [naam 1] toe te lichten welke kosten [onderneming] voor (alleen) het herbestraten en het aanbrengen van belijning bij haar in rekening heeft gebracht;
4.3.
laat VvE [naam 1] toe te bewijzen dat de onder 4.2 bedoelde kosten marktconform zijn;
4.4.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
woensdag 4 februari 2026,waarbij VvE [naam 1] in de gelegenheid wordt gesteld om zich bij akte uit te laten op welke wijze zij bewijs wil leveren;
4.5.
bepaalt dat, als VvE [naam 1] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op de onder 4.4 bedoelde roldatum in het geding moet brengen;
4.6.
bepaalt dat VvE [naam 1] in de onder 4.4 bedoelde akte moet voldoen aan het bevel onder 4.2;
4.7.
bepaalt dat, als VvE [naam 1] (mede) bewijs wil leveren door middel van het doen horen van getuigen, zij op de onder 4.4 bedoelde roldatum:
  • de namen en woonplaatsen van de getuigen moet opgeven;
  • moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten en de getuigen in de periode
4.8.
bepaalt dat:
  • voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;
  • als partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven, de rechtbank eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;
  • de getuigenverhoren zullen kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, als bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen is vrijgelaten;
4.9.
bepaalt dat de datum van de getuigenverhoren in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
4.10.
bepaalt dat VvE [naam 2] na de onder 4.4 bedoelde akte in de gelegenheid wordt gesteld om op een termijn van zes weken op de akte van VvE [naam 1] te reageren;
4.11.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
4.12.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op
24 december 2025.
45353