ECLI:NL:RBMNE:2025:7510

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/16/585967 / HA ZA 25-2
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 25 lid 1 sub a Brussel I bis-VoArt. 3 lid 1 Rome I-VoArt. 28 Rome I-VoVerordening nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging borgtochtverplichting en bekrachtiging verstekvonnis in geldleningsgeschil

De zaak betreft een geschil over borgtocht voor een geldlening verstrekt door [geopposeerde] B.V. aan [bedrijf 1] B.V., waarbij [opposant] zich borg heeft gesteld. De geldleningsovereenkomst dateert van 18 december 2015. Sinds augustus 2023 zijn geen betalingen meer gedaan, waarna [geopposeerde] een verstekvonnis verkreeg tot betaling van het openstaande bedrag.

[Opposant] kwam in verzet tegen het verstekvonnis en betwistte onder meer dat de lening aan de juiste vennootschap was verstrekt en dat hij zich borg had gesteld. Hij voerde aan dat de leningsovereenkomst niet was uitgevoerd en dat de borgtocht was verjaard.

De rechtbank oordeelt dat de leningsovereenkomst rechtsgeldig is en dat de betalingen en aflossingen hebben plaatsgevonden op een bankrekening van de vennootschap die door [opposant] was aangewezen. De rechtbank acht het verhaal van [opposant] ongeloofwaardig en concludeert dat hij zich wel degelijk persoonlijk borg heeft gesteld, mede gelet op de redelijke verwachtingen van partijen en de omstandigheden.

Verder is de hoofdschuldenaar in verzuim en is verjaring niet aan de orde omdat de leningsovereenkomst is uitgevoerd tot 2023. De rechtbank bekrachtigt het verstekvonnis en wijst het verzet af. Tevens veroordeelt zij [opposant] in de proceskosten van €3.320,-.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis wordt bekrachtigd, waarbij de verzetvoerder in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/585967 / HA ZA 25-2
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 15 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geopposeerde] B.V.,
te [plaats] ,
oorspronkelijk eisende partij,
gedaagde partij in het verzet en in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. T. Bogers.
tegen
[opposant],
te [plaats] (Zuid-Afrika),
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in het verzet en in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. K.A.A. Limburg,
De oorspronkelijke eisende partij wordt hierna [geopposeerde] genoemd. De oorspronkelijk gedaagde partij wordt aangeduid als [opposant] .
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, rechter, bijgestaan door mr. L. Leber als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer [A] , DGA van [geopposeerde] ,
- mr. T. Bogers,
- mr. K.A.A. Limburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het door deze op 31 juli 2024 tussen partijen bij verstek gewezen vonnis
onder zaaknummer / rolnummer 577382 / HA ZA 24-330 (hierna: het Verstekvonnis) en de daarin genoemde stukken,
  • de verzetdagvaarding van 3 december 2024 met producties 1 t/m 10, aan te merken als de conclusie van antwoord en van eis in reconventie,
  • de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie van 19 maart 2025 met producties 12 t/m 15,
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie van 25 juni 2025 met productie 11,
  • de conclusie van dupliek in reconventie van 6 augustus 2025,
  • de e-mail van [geopposeerde] van 15 december 2025 met pagina 16 van de jaarrekening 2015 van [geopposeerde] en pagina 20 van de jaarrekening 2016 van [geopposeerde] .
Op 15 december 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. Nadat de mondelinge behandeling was gesloten heeft de rechter, na een schorsing, op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in de paragrafen 4 en 5. Paragraaf 2 en 3 zijn toegevoegd voor de duidelijkheid.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[geopposeerde] heeft [opposant] aangesproken op grond van borgtocht tot betaling van het restant van een geldlening. Deze borgtocht is volgens [geopposeerde] door [opposant] afgegeven tot zekerheid van terugbetaling van een door [geopposeerde] aan [bedrijf 1] B.V. verstrekte geldlening. [opposant] was aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V.. De geldleningsovereenkomst (hierna: de Geldleningsovereenkomst) tussen [geopposeerde] en [bedrijf 1] B.V. dateert van 18 december 2015.
2.2.
Sinds augustus 2023 wordt niet meer op de geldlening afgelost of rente betaald. Sindsdien staat een restant van deze geldlening open ter hoogte van €43.000,-.
2.3.
De rechtbank heeft [opposant] in het Verstekvonnis veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 43.000, te vermeerderen met de contractuele rente van 6% per jaar over dit bedrag met ingang van 5 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, en tot betaling van een bedrag aan vervallen contractuele rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten.
2.4.
[opposant] is in verzet gekomen tegen het Verstekvonnis, omdat hij het niet eens is met de veroordeling. Hij stelt, kort gezegd, dat [geopposeerde] geen geldlening heeft verstrekt aan de [bedrijf 1] B.V., omdat die vennootschap op 21 december 2015 haar statutaire- en handelsnaam gewijzigd heeft in [bedrijf 2] B.V. en de uitgeleende gelden zijn overgemaakt aan een op 21 december 2015 (dus na het sluiten van de Geldleningsovereenkomst) door een derde, [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), opgerichte vennootschap met precies dezelfde naam ( [bedrijf 1] B.V.) Ook betwist [opposant] dat hij zich borg heeft gesteld.
2.5.
[opposant] vordert in zijn verzetdagvaarding:
  • in conventie ontheffing van de veroordeling in het Verstekvonnis en betaling van de werkelijke proceskosten van € 17.507,49,
  • in voorwaardelijke reconventie opheffing van de door [geopposeerde] ten laste van [opposant] gelegde executoriale beslagen en betaling van een bedrag van € 1.020,75 als gevolg van het door [geopposeerde] gelegde executoriale beslag onder Stichting Pensioenfonds voor de Woningcorporaties (hierna: SPW) op de [opposant] toekomende pensioenuitkering over november 2024,
  • in conventie en reconventie [geopposeerde] te veroordelen in de kosten van deze verzetprocedure en in de nakosten plus wettelijke rente.
3. Het verzet is tijdig gedaan, de Nederlandse rechter is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
3.1.
Het verzet is tijdig gedaan, zodat [opposant] ontvankelijk is in het verzet.
3.2.
Omdat [opposant] in Zuid-Afrika woont, heeft deze zaak een internationaal karakter en heeft de rechtbank eerst (ambtshalve) moeten onderzoeken of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht vervolgens van toepassing is.
3.3.
De rechtsverhouding waar [geopposeerde] haar vorderingen op baseert is de in de Geldleningsovereenkomst opgenomen borgtochtbepaling. In artikel 12 Geldleningsovereenkomst staat het volgende vermeld:

Alle geschillen welke naar aanleiding van deze overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die hiervan het gevolg zijn, mochten ontstaan, zullen bij uitsluiting van iedere andere rechter in eerste instantie worden voorgelegd aan de ter zake van het geschil bevoegde rechter van de Nederlandse rechtbank in het arrondissement waarin Schuldeiser gevestigd is,(…).’
Dit is een uitdrukkelijke, exclusieve forumkeuze voor de Nederlandse rechter in de zin van artikel 25 lid 1 sub a Brussel Pro I bis-Vo [1] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen.
3.4.
Het in deze zaak toepasselijke recht moet worden vastgesteld aan de hand van de verwijzingsregels van Rome I-Vo [2] . In artikel 11 Geldleningsovereenkomst staat het volgende vermeld:

Op deze overeenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.
Dit is een uitdrukkelijke rechtskeuzeclausule in de zin van artikel 3 lid 1 Rome Pro I-Vo, op grond waarvan Nederlands recht van toepassing is.

4.De beoordeling

In conventie en (voorwaardelijke) reconventie
Het verzet is ongegrond
4.1.
De rechtbank stelt [geopposeerde] geheel in het gelijk. Dat betekent dat de rechtbank de vorderingen van [opposant] in de verzetzaak zal afwijzen en het Verstekvonnis niet zal vernietigen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
[geopposeerde] heeft geld geleend
4.2.
Het eerste verweer van [opposant] is dat er geen hoofdverbintenis is waar [geopposeerde] borg voor staat omdat [geopposeerde] nooit geld heeft geleend aan de [bedrijf 1] B.V. namens wie [opposant] de overeenkomst heeft getekend.
4.3.
Wat er ligt is:
  • een Geldleningsovereenkomst, gedateerd 18 december 2015, tussen [geopposeerde] en [bedrijf 1] B.V. die namens [geopposeerde] is ondertekend door [A] en namens [bedrijf 1] B.V. is ondertekend [opposant] ,
  • waarin wordt gesproken over een geldlening in rekening-courant, en
  • waarin wordt gesproken over drie “in orde van grootte” geldbedragen die in december 2015 en januari en februari 2016 door [geopposeerde] aan [bedrijf 1] B.V. zullen worden uitgeleend.
4.4.
Volgens [geopposeerde] :
  • heeft [opposant] na ondertekening van de Geldleningsovereenkomst een bankrekeningnummer doorgegeven op naam van [bedrijf 1] B.V. waarop de bedragen moesten worden overgemaakt,
  • heeft [opposant] laten weten wanneer hij welk geldbedrag wilde lenen en zijn deze geldbedragen op de genoemde rekening op naam van [bedrijf 1] B.V. overgemaakt.
  • Daarna is jarenlang rente betaald vanaf bankrekeningen op naam van [bedrijf 1] B.V. en zijn er aflossingen vanaf die bankrekeningen gedaan.
  • Over deze aflossingen heeft [A] in 2020 nog contact gehad met [opposant] . [A] heeft hierover nooit contact met iemand anders gehad.
  • In 2023 hielden de betalingen opeens op, en het contact met [opposant] ook.
  • [geopposeerde] heeft pas voor het eerst in deze verzetprocedure vernomen dat er twee [bedrijf 1] B.V.’s zijn geweest en dat [opposant] stelt dat zij het geld zou hebben uitgeleend aan een andere [bedrijf 1] B.V. dan die waarmee ze de overeenkomst is aangegaan.
Dit is verhaal is overzichtelijk en sluit aan bij de stukken in het dossier, te weten de overeenkomst, het betalingsoverzicht en de e-mailwisseling, in het bijzonder de mail van [opposant] van 1 maart 2021.
4.5.
Daar tegenover staat de lezing van [opposant] . Volgens [opposant] :
  • had hij de Geldleningsovereenkomst afgesloten voor het geval dat hij zou doorgaan met de [onderneming] , maar wilde hij die onderneming eigenlijk verkopen, en dan zou hij de financiering niet nodig hebben, dus de geldlening was niet meer dan een soort back-up en het was maar de vraag of hij er iets mee zou doen.
  • Na het afsluiten van de Geldleningsovereenkomst is er (toch) een koper gekomen voor de [onderneming] , kennelijk [bedrijf 3] .
  • [opposant] kan daarover verder niets vertellen: hij weet niet wie er bij [bedrijf 3] betrokken is, hij kan geen namen noemen. Het feit dat [bedrijf 3] net als hij in Zuid-Afrika is gevestigd is volgens [opposant] puur toeval, de vestigingsadressen liggen ver uit elkaar. [opposant] heeft niets te maken met [bedrijf 3] .
  • Bij de overname van de [onderneming] is door [bedrijf 3] een nieuwe vennootschap opgericht, die ook [bedrijf 1] B.V. moest heten omdat supermarkten moeilijk doen bij facturatie als er betaald moet worden aan een andere vennootschap; het is dan beter net te doen alsof het dezelfde is door een naamwissel. [opposant] heeft daarom de statutaire naam van zijn [bedrijf 1] B.V. veranderd en er is een nieuwe [bedrijf 1] B.V. opgericht door [bedrijf 3] op dezelfde dag.
  • Het is niet gek dat dit kennelijk in extreem kort tijdsbestek heeft plaatsgevonden (drie dagen na de datum van de Geldleningsovereenkomst was er een koper voor de [onderneming] en had hij die niet meer nodig en zat [opposant] met deze koper bij de notaris om onder andere de statutaire naam van [bedrijf 1] B.V. te wijzigen), want [opposant] had de geldleningsovereenkomst al voor de datering daarvan (18 december) getekend.
  • Volgens [opposant] heeft hij aan [A] doorgegeven dat hij de geldlening niet meer nodig had – wat [A] stellig betwist.
  • Vervolgens denkt [opposant] dan dat [geopposeerde] geheel buiten hem om een soortgelijke geldleningsovereenkomst als de niet uitgevoerde geldleningsovereenkomst heeft gesloten met de nieuwe [bedrijf 1] B.V. en uit dien hoofde geld over heeft gemaakt op de bankrekening van de nieuwe [bedrijf 1] B.V. Hij staat hier helemaal buiten.
  • Later weet hij er dan kennelijk toch weer van, want als hij jaren later in e-mails naar [A] rechtstreeks refereert naar de aflossingen, dan doet hij dat namens [bedrijf 3] om aan te geven wat er is afgelost, aldus [opposant] .
  • Hij kan niet goed uitleggen waarom dat zinvol zou zijn, omdat [geopposeerde] de betalingen ontvangt en dus prima weet wat er is afgelost.
4.6.
De rechtbank vindt dit verhaal van [opposant] ongelooflijk ongeloofwaardig. Het verhaal sluit, anders dan het verhaal van [geopposeerde] , niet aan bij het dossier. Het is ook veelzeggend dat [opposant] ervoor heeft gekozen om niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, zodat hij geen uitleg kan geven en geen vragen kan beantwoorden. De rechtbank gaat dan ook uit van de overzichtelijke versie van [geopposeerde] , die wel wordt ondersteund door het dossier, zoals bijvoorbeeld de e-mails. Van de kant van [opposant] zijn überhaupt geen stukken overgelegd die ook maar een begin van een onderbouwing bieden voor zijn verhaal.
4.7.
Dat betekent dat [geopposeerde] een Geldleningsovereenkomst heeft gesloten met [bedrijf 1] B.V., die op 18 december 2015 rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door [opposant] . Vervolgens heeft [opposant] - dat wordt niet eens betwist – aan [geopposeerde] gevraagd geldbedragen op een bankrekening op naam van [bedrijf 1] B.V. te storten. [geopposeerde] heeft dat gedaan: zij heeft geldbedragen overgemaakt op de bankrekening op naam van [bedrijf 1] B.V. die is aangewezen door [opposant] als bestuurder van de [bedrijf 1] B.V. met wie [geopposeerde] de Geldleningsovereenkomst had gesloten. Het maakt niets uit als dat een bankrekening was van een andere vennootschap na een naamwisseling. [geopposeerde] heeft immers gedaan wat de bestuurder van de vennootschap met wie ze heeft gecontracteerd heeft gevraagd, en heeft daarmee voldaan aan haar hoofdverplichting uit de Geldleningsovereenkomst tegenover haar wederpartij, de toenmalige [bedrijf 1] B.V.
[opposant] heeft zich borg gesteld
4.8.
De vervolgvraag is of [opposant] borg stond voor de verplichting van [bedrijf 1] B.V. tot aflossing van de geldlening. Daarvoor is uitleg nodig van wat in de Geldleningsovereenkomst staat. Hierin staan twee zekerheden genoemd, waaronder een persoonlijke borgstelling in artikel 7, die luidt:

Tweede zekerheid is een persoonlijke borgstellingsakte van de heer [opposant] (middellijk aandeelhouder van de vennootschap) tot een maximumbedrag van € 75.000 (zegge: vijvenzeventigduizend euro).
De Geldleningsovereenkomst is ondertekent door [A] namens [geopposeerde] als schuldeiser en door [opposant] namens [bedrijf 1] als schuldenaar.
4.9.
Volgens [opposant] volgt uit de Geldleningsovereenkomst dat er nog een aparte borgstellingsakte moest worden opgesteld en heeft hij de overeenkomst alleen namens [bedrijf 1] B.V. getekend.
4.10.
Als je de overeenkomst leest als jurist, lijkt daar wel wat in te zitten:
“een persoonlijke borgstellingsakte”leest als een apart op te stellen stuk, en uit de ondertekening blijkt niet met zoveel woorden dat [opposant] ook namens zichzelf in privé tekent.
Het is gebruikelijk in commerciële contracten om in de ondertekening expliciet aan te geven als iemand niet alleen voor een vennootschap maar ook in privé tekent.
Het gaat er echter niet om hoe een gemiddelde jurist dit zou lezen, maar om wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel 7 Geldleningsovereenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.11.
Op grond van de uitleg van de redelijke verwachtingen van partijen over artikel 7 Geldleningsovereenkomst komt de rechtbank tot de conclusie dat voor [A] en [opposant] duidelijk was dat de borgstelling rond was met het tekenen door [opposant] van de Geldleningsovereenkomst. Dat baseert de rechtbank hierop:
 [geopposeerde] stelt onweersproken dat zij tegen de heer [C] , die de Geldleningsovereenkomst heeft opgesteld én tegen [opposant] heeft gezegd dat een persoonlijke borgstelling van [opposant] een harde voorwaarde voor verstrekking van de geldlening was.
 [geopposeerde] stelt onweersproken dat [opposant] daarop heeft gezegd dat dit geen probleem was, en erop heeft gewezen dat hij in privé over diverse activa beschikte.
 [geopposeerde] is er vervolgens duidelijk vanuit gegaan dat die persoonlijke borgstelling rond was met het tekenen van de door [C] opgestelde overeenkomst. Anders zou zij niet € 70.000 hebben overgemaakt op een door [opposant] genoemde bankrekening, en anders zou zij niet in de jaarrekening 2016 hebben opgenomen dat sprake is van een persoonlijke borgstelling van [opposant] .
 Dit moet voor [opposant] ook duidelijk zijn geweest. Hij wist dus dat [geopposeerde] ervan uitging dat hij, door eerst te bevestigen dat hij daarmee akkoord was en daarna de door [C] opgestelde overeenkomst te tekenen, zich in privé borg had gesteld. [geopposeerde] had een redelijke verwachting, die [opposant] kende en waar [opposant] door is gebonden.
4.12.
Ten overvloede weegt de rechtbank hier nog mee dat, naar haar oordeel, [opposant] met zijn ongeloofwaardige verhaal in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv Pro. Op grond van die bepaling zijn partijen verplicht de voor beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [opposant] is in ieder geval niet volledig. Daaruit kan de rechtbank de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Uit het feit dat [opposant] met een zeer ongeloofwaardig verhaal komt dat [geopposeerde] niet aan haar verbintenis heeft voldaan moet de rechtbank afleiden dat [opposant] er zelf ook vanuit gaat dat hij in privé aansprakelijk is. Als hij oprecht meende niet borg te staan, was er immers geen enkele reden om met dat ongeloofwaardige verhaal te komen.
De hoofdschuldenaar is in verzuim en verjaring is niet aan de orde
4.13.
Verder stelt [opposant] dat [geopposeerde] geen beroep op de borgtocht toekomt omdat de hoofdschuldenaar niet in verzuim is. Dit is een onzinnig verweer: het is namelijk voor iedereen duidelijk dat de partij met wie de Geldleningsovereenkomst is gesloten, voor zover er al iets door die partij is voldaan, niet meer gaat nakomen. Het maakt niet eens uit of dit nu [bedrijf 1] 1 of [bedrijf 1] 2 is. Beide vennootschappen bestonden namelijk al geruime tijd niet meer toen de aflossings- en rentebetalingen in 2023 stopten. In dat geval mag [geopposeerde] dus aankloppen bij de borg.
4.14.
Ook stelt [opposant] zich op het standpunt dat het beroep van [geopposeerde] op de borgtocht is verjaard omdat artikel 4 Geldleningsovereenkomst eist dat de lening per 31 december 2016 moet zijn afgelost. Omdat [geopposeerde] niet binnen vijf jaar nadien een rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar heeft ingesteld, is de borgtocht per 31 december 2021 door verjaring teniet gegaan, aldus [opposant] . Dit verweer snijdt geen hout. In artikel 4 Geldleningsovereenkomst staat namelijk:

De looptijd van de rekening-courant bedraagtin beginsel 1 jaar. Inlossing van het
openstaande saldo wordtin beginselper 31 december 2016 ingelost(onderstreping,
rechtbank).’
Dat de Geldleningsovereenkomst veel langer heeft geduurd dan een jaar, tast de Geldleningsovereenkomst op geen enkele manier aan. Er is evident geen fatale termijn ingebouwd. Aan de overeenkomst is uitvoering gegeven: er is redelijk keurig rente betaald en er is diverse keren afgelost. Dit is pas gestopt in 2023. Verjaring is dus niet aan de orde.
Het Verstekvonnis blijft van kracht
4.15.
Uit het bovenstaande volgt dat de toewijzing van de vorderingen van [geopposeerde] door de rechtbank in het Verstekvonnis terecht is en er geen reden is om het Verstekvonnis te vernietigen. De rechtbank bekrachtigt dan ook het Verstekvonnis. Dit betekent dat [geopposeerde] door kan gaan met het tenuitvoerleggen van het Verstekvonnis. De (voorwaardelijke) tegenvorderingen van [opposant] tot opheffing van de door [geopposeerde] ten laste van [opposant] gelegde executoriale beslagen en tot betaling van € 1.020,75 (pensioenuitkering over november 2024) worden afgewezen: [geopposeerde] heeft terecht executoriaal beslag gelegd op de pensioenuitkering en de onroerende zaken van [opposant] .
[opposant] moet de proceskosten van [geopposeerde] betalen
4.16.
[opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze verzetprocedure worden veroordeeld. [geopposeerde] vordert om [opposant] volledig in de proceskosten te veroordelen omdat volgens haar sprake is van misbruik van recht. Maar dan zou [geopposeerde] , gelet op het bedrag dat zij noemt, een lager bedrag aan proceskostenvergoeding krijgen dan op grond van een berekening van de proceskosten op basis van het liquidatietarief. Daarom berekent de rechtbank de hoogte van de proceskosten via het liquidatietarief.
4.17.
De proceskosten aan de zijde van [geopposeerde] worden in deze verzetprocedure voor de conventie en reconventie begroot op:
- salaris advocaat € 3.042,00 (2 punten x tarief € 1.214,00 in conventie + 0,5 x 2
punten x tarief € 614,00 in reconventie)
- nakosten
€ 278,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.320,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart het verzet ongegrond,
5.2.
bekrachtigt het door de rechtbank op 31 juli 2024 gewezen verstekvonnis met zaaknummer / rolnummer 577382 HA ZA 24-330,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen van [opposant] af,
in conventie en (voorwaardelijke) reconventie
5.4.
veroordeelt [opposant] in de proceskosten die aan de kant van [geopposeerde] worden begroot op € 3.320,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [opposant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [opposant] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van de betekening,
5.5.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.
LL5240

Voetnoten

1.Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die na 17 december 2009 zijn gesloten (artikel 28 Rome Pro I-Vo), wat bij de Geldleningsovereenkomst het geval is.