ECLI:NL:RBMNE:2025:7535

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/16/603097
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing tweede moratoriumverzoek wegens huurachterstand en schuldsanering

Op 19 september 2025 diende verzoeker een verzoek in tot moratorium in het kader van de schuldsaneringsregeling, dat op 24 september 2025 werd toegewezen voor zes maanden. Omdat de huur voor november 2025 niet tijdig werd voldaan, verviel dit moratorium. Verzoeker diende daarop op 26 november 2025 een nieuw moratoriumverzoek in.

De rechtbank oordeelt dat een tweede moratoriumverzoek ontvankelijk is, ook na tussentijdse verval van het eerste moratorium. Er is sprake van een bedreigende situatie nu een ontruimingsvonnis en aanzegging tot ontruiming zijn overgelegd. Verzoeker heeft inmiddels een uitkering ontvangen en afspraken gemaakt met schuldhulpverlening, waardoor voldoende waarborgen bestaan dat de lopende huur zal worden voldaan.

De belangenafweging leidt tot toewijzing van het moratorium, waarbij de looptijd van het eerste moratorium wordt betrokken en de voorziening geldt tot 24 maart 2026. De rechtbank benadrukt dat de huur tijdig moet worden voldaan en dat concrete actie moet worden ondernomen om de schuldenproblematiek op te lossen. Tevens wordt de huurovereenkomst verlengd voor de duur van het moratorium.

Uitkomst: De rechtbank wijst het tweede moratoriumverzoek toe en schort de ontruiming op tot 24 maart 2026 onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Toezicht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/603097 / FT RK 25/1176
uitspraakdatum: 27 november 2025
uitspraak op grond van artikel 287b van de Faillissementswet
(“verzoek moratorium”)
enkelvoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen
[eiser] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
gemachtigde: mr. [C]
hierna: [eiser] .

1.De procedure

1.1.
Op 19 september 2025 is door [verzoeker] tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b van de Faillissementswet (Fw).
1.2.
Bij vonnis van deze rechtbank van 24 september 2025 is een moratorium uitgesproken voor de duur van zes maanden. In het vonnis is onder meer bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft wordt voldaan.
1.3
Voor of op 1 november 2025 is de huur voor niet voldaan, waarna [eiser] opnieuw [verzoeker] heeft aangezegd de woning te moeten ontruimen.
1.4.
Op 26 november 2025 is door [verzoeker] tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een nieuw verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Fw.
1.5.
[verzoeker] is opgeroepen om te worden gehoord op de zitting, middels Teams, van 27 november 2025. Op die zitting zijn naast [verzoeker] verschenen:
- mevrouw mr. M. Raaijmakers, advocaat van [verzoeker] ;
- de heer [A] , beschermingsbewindvoerder;
- mevr. [B] , schuldhulpverlener namens de gemeente Hilversum;
- de heer [C] (Deurwaarder.com), namens [eiser] .

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
De gevraagde voorziening houdt in een schorsing voor de duur van zes maanden van de tenuitvoerlegging van het op 20 augustus 2025 gewezen vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de door [verzoeker] gehuurde woning op het hierboven genoemde adres.
2.2.
[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen wil komen of als dat niet lukt toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens [verzoeker] noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke regeling kans van slagen heeft. Sinds het vorige verzoek is het duidelijk dat hij maandelijks een uitkering zal ontvangen, bovendien is medio november een betaling van het UWV ontvangen inzake achterstallige uitkeringen. Inmiddels is er ook een afspraak voor een intake bij de schuldhulpverlener.
2.3.
Samengevat voert [eiser] aan dat het toegewezen verzoek tot ontruiming van de woning was gebaseerd op twee punten: de huurachterstand en de staat van de woning. Dit is uit de dagvaarding die voor die procedure is opgesteld te halen. Een moratorium kan niet worden toegewezen als ook de staat van de woning ten grondslag ligt aan het ontruimingsvonnis. Daarnaast op de zitting van 23 september 2025 door [verzoeker] verklaard dat de huur zou kunnen worden voldaan en dat is niet gebeurd, of althans niet tijdig. [eiser] vraagt het verzoek af te wijzen.

3.De beoordeling

Ontvankelijkheid3.1.1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek. Uit het verzoekschrift en hetgeen ter zitting is verklaard volgt dat [verzoeker] de huur voor november 2025 niet tijdig heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de op 24 september 2025 afgegeven voorziening als gevolg van deze tekortkoming komen te vervallen.
3.1.2.
Nu [verzoeker] opnieuw een moratorium verzoek heeft ingediend ziet de rechtbank zich ook gesteld voor de vraag of een tweede moratoriumverzoek ex artikel 287b Fw ontvankelijk kan worden verklaard nadat een eerder moratorium tussentijds is komen te vervallen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, nu genoemd artikel zich niet verzet tegen een herhaalde aanvraag.
Bedreigende situatie
3.2.
De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b Fw. [verzoeker] heeft een kopie van het ontruimingsvonnis van 20 augustus 2025 en een kopie van de aanzegging van de woningontruiming op 27 november 2025 overgelegd. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat de geplande ontruiming van 27 november 2025 geen doorgang zal vinden, gezien de behandeling van het moratorium verzoek. [eiser] wenst echter wel, op een andere datum, de ontruiming door te zetten. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank aangetoond dat er sprake is van een bedreigende situatie.
Voldoen aan de lopende verplichtingen
3.3.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de lopende verplichtingen gedurende de voorziening kunnen en zullen worden voldaan. In het verzoekschrift zitten brieven van het UWV waaruit volgt dat aan [verzoeker] een uitkering is toegekend (met terugwerkende kracht). Ter zitting is ook door de beschermingsbewindvoerder verklaard dat hiermee de lopende huur kan en zal worden voldaan nu ook de voor het beschermingsbewind benodigde bankrekeningen zijn geregeld. Ook bij het vorige moratorium is door verzoekende partij aangegeven dat de huur zou kunnen worden voldaan. Uit het huidige verzoek blijkt dat desondanks de huur niet tijdig is voldaan. Met name de brieven in het verzoekschrift van het UWV maken dat de rechtbank van oordeel is dat er (alsnog) voldoende waarborgen zijn dat [verzoeker] gedurende een moratorium de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen.
Weging van de belangen
3.4.1.
De rechtbank dient de belangen van [verzoeker] en [eiser] tegen elkaar af te wegen. [verzoeker] heeft belang bij behoud van zijn huurwoning. Zo kan hij in (relatieve) rust met de beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlening zoeken naar een oplossing voor zijn schulden. [eiser] heeft belang bij het correct en tijdig ontvangen van de huur. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment de belangen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] . Daarbij merkt de rechtbank wel op dat het van belang is vanaf nu snel actie moet worden ondernomen door [verzoeker] , de beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlening om een oplossing te vinden voor de schulden van [verzoeker] . Daarnaast zal vanaf nu de huur tijdig en correct moeten worden voldaan zoals ook op de zitting is gegarandeerd.
3.4.2.
Ten aan zien van de staat van onderhoud van de woning merkt de rechtbank nog het volgende op. Door [eiser] is betoogd dat het ontruimingsvonnis is gebaseerd op zowel de huurachterstand als ook de staat van de woning, nu dit in de uitgebrachte dagvaarding voor die procedure is opgenomen. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij en verwijst voor de onderbouwing daarvoor naar r.o. 3.2 van het moratoriumvonnis 24 september 2025. De rechtbank wijst [verzoeker] er wel op dat [eiser] (en overigens ook [verzoeker] ) er belang bij heeft dat de woning goed wordt onderhouden. De eerdere toezegging dat de hulp zou worden geboden aan [verzoeker] om met hem de rommel in de woning op orde te brengen zal nu dan ook daadwerkelijk moeten worden omgezet in concrete daden.
3.4.3
Bovenstaande leidt er toe dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.
De termijn
3.5.
In artikel 287b lid 5 Fw is de eis opgenomen dat een moratorium maximaal voor de duur van zes maanden wordt uitgesproken. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat bij een tweede moratorium in ieder geval de looptijd van het eerdere moratorium dient te worden betrokken. De rechtbank ziet daarom in dit geval aanleiding om voor dit tweede moratorium een kortere termijn uit te spreken en voor de duur aan te sluiten bij de startdatum van het eerste moratorium.

4.De beslissing

De rechtbank
  • schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 augustus 2025 op verzoek van [eiser] uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning van [verzoeker] aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van de voorziening;
  • bepaalt dat de genoemde voorziening geldt tot 24 maart 2026;
  • bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
  • bepaalt dat genoemde voorziening slechts geldt zolang aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft wordt voldaan;
  • bepaalt dat degene die namens [verzoeker] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk 2 weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.