3.3.Oordeel van de rechtbank
Bewijs in zedenzaken
In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. Uit het Wetboek van Strafrecht volgt dat iemand niet veroordeeld kan worden op basis van alléén de verklaring van één getuige (bijvoorbeeld het slachtoffer, een getuige of de verdachte zelf). Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om er voor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of er sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan de aangeefster. Het kunnen daarom geen bewijsmiddelen zijn die bestaan uit ‘de auditu’-verklaringen (‘van horen zeggen’). Bijvoorbeeld een getuige die verklaart dat hij de aangeefster iets heeft horen zeggen of dat de aangeefster iets aan de getuige heeft verteld. Een dergelijke ‘de auditu’- verklaring is onder omstandigheden wel aan te merken als onderbouwing voor de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, maar het is geen steunbewijs zoals de wet bedoelt. Voor steunbewijs geldt ook, dat het op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband moet staan met de verklaring van aangeefster. Van steunbewijs kan wel sprake zijn als de getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna.
Het bewijsminimum mag (dus) niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
De verklaring van aangeefster
In augustus 2020 vond een informatief gesprek zeden plaats en in juni 2021 heeft de aangeefster aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte. De aangeefster verklaart dat het seksueel misbruik door de verdachte begon toen zij 2/3 jaar oud was en stopte toen zij ongeveer 10 jaar oud was. Aangeefster verklaart dat haar herinneringen aan het seksueel misbruik (spontaan) terugkwamen na haar twintigste.
[deskundige] , deskundige op het gebied van de betrouwbaarheid van verklaringen, heeft onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Volgens de deskundige bevinden aangeefsters eerste herinneringen aan het seksueel misbruik zich op de grens van wat mogelijk is om te kunnen herinneren. De deskundige wijst verder erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen spontaan hervonden herinneringen en van (in therapie) geleidelijk hervonden herinneringen. De betrouwbaarheid van (in therapie) geleidelijk hervonden herinneringen staat in de wetenschappelijke literatuur meer ter discussie dan de betrouwbaarheid van de spontaan hervonden herinnering. Hoewel het volgens de deskundige in deze zaak kan gaan om spontaan hervonden herinneringen, had daarnaar meer onderzoek gedaan moeten worden (zoals door het horen van getuigen) om dat goed te kunnen beoordelen.
Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de aangifte wordt gekeken of de aangifte (onder meer) concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent is. In deze zaak gaat het om herinneringen van meer dan twintig jaar geleden, herinneringen die zich (deels) op de grens bevinden van wat mogelijk is om te herinneren én herinneringen waarvan niet zonder meer duidelijk is of die spontaan of geleidelijk zijn hervonden. Verschillende omstandigheden, zoals tijdsverloop, impact van gebeurtenissen, het spreken met anderen en de werking van het geheugen, kunnen maken dat verklaringen op bepaalde punten niet heel concreet, gedetailleerd of consistent zijn.
De rechtbank wil daarmee niet zeggen dat de verklaring van aangeefster door het voorgaande onbetrouwbaar is, maar wel dat zij daar behoedzaam mee om moet gaan. De rechtbank moet in zulke gevallen goed en kritisch afwegen of sprake is van voldoende overtuigend steunbewijs. Oftewel, er worden hogere eisen gesteld aan de bewijskracht van het steunbewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Onvoldoende steunbewijs
De rechtbank oordeelt dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in ander krachtig bewijsmateriaal en legt dat als volgt uit.
De verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4]
De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] niet als steunbewijs kunnen dienen, omdat geen van deze getuigen het seksueel misbruik heeft gezien of iets anders heeft verklaard dat als steunbewijs voor het seksueel misbruik kan dienen. Dat meerdere getuigen verklaren dat de verdachte (half)naakt liep en porno keek in het bijzijn van kinderen, kan niet dienen als steunbewijs, omdat dit niet (op relevante wijze) in verband staat met de verklaring van aangeefster over het seksueel misbruik. Ook de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] kunnen niet dienen als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. De getuigen beschrijven weliswaar een waargenomen emotie bij de aangeefster, maar deze staan in een te ver verwijderd verband tot de beschuldiging om als steunbewijs te dienen.
De verklaring van [getuige 5]
De vroegere oppas van aangeefster heeft in oktober 2025 een getuigenverklaring afgelegd. Zij verklaart dat verdachte in 1991 de enkele maanden oude aangeefster aan zijn piemel liet zuigen toen aangeefster heel hard aan het huilen was.
Hoewel de oppas een seksuele handeling beschrijft tussen de verdachte en de aangeefster, biedt deze verklaring geen steun aan de beschuldiging van jarenlang seksueel misbruik door de verdachte. De verklaring van de oppas betreft één enkel op zichzelf staand moment in de jarenlange periode dat de oppas vrijwel dagelijks heeft opgepast. Over andere handelingen, meer passend bij de verklaring van aangeefster (en daarmee de beschuldiging), verklaart zij niets. Het gaat bovendien om een moment dat meer dan 30 jaar geleden zou hebben plaatsgevonden, dat niet wordt beschreven in de aangifte of anderszins in het dossier voorkomt. Nu het gaat om beschrijving van één moment, omschreven door één getuige, en er geen verdere ondersteuning zit in het dossier voor deze verklaring, kan deze verklaring niet dienen als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster.
De rechtbank heeft onder ogen gezien dat de verklaringen van de oppas en de aangeefster overeenkomsten vertonen, in die zin dat de oppas heeft verklaard dat zij (ook) seksueel misbruikt zou zijn door de verdachte. Hoewel dit uiteraard opvallend is, en de nodige vragen oproept, kan het niet dienen als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. De oppas verklaart daarmee immers niets over het seksueel misbruik dat de verdachte volgens aangeefster bij aangeefster zou hebben verricht.
Conclusie
Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in ander krachtig bewijsmateriaal. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig bewijs.