Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:7566

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
24/5174 en 24/7725
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4, eerste lid, Wet WIAArt. 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging WIA-besluit wegens motiveringsgebrek na wijziging Functionele Mogelijkhedenlijst

De werkneemster, voormalig senior adviseur binnendienst, heeft na een ski-ongeval beperkingen ondervonden en een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 74,06%.

Zowel de werkneemster als de werkgeefster maakten bezwaar tegen het UWV-besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelden een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast en beoordeelden de belastbaarheid en geschiktheid van functies. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en begrijpelijk was en dat de werkneemster onvoldoende had onderbouwd dat haar belastbaarheid was onderschat.

De werkgeefster voerde aan dat de beperkingen op het zitten niet juist waren vastgesteld en dat de geduide functies ongeschikt waren. De rechtbank volgde de medische en arbeidsdeskundige rapporten en vond geen reden om de belastbaarheid anders vast te stellen. Wel werd het beroep van de werkgeefster gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, waarna het besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten.

Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de werkgeefster. De werkneemster kreeg geen gelijk in haar beroep.

Uitkomst: Het beroep van de werkgeefster wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, terwijl het beroep van de werkneemster ongegrond wordt verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/5174 en UTR 24/7725
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

1.1. [werkneemster] , uit [plaats] (werkneemster)

(gemachtigde: J.P. Schildkamp),

2.[werkgeefster] , gevestigd in ’ [vestigingsplaats] (werkgeefster)

(gemachtigde E.R. van de Streek),
eiseressen
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: R. van den Brink).
In de zaak van [werkgeefster] neemt [werkneemster] deel als
derde-partij.
Partijen worden hierna de werkneemster, de werkgeefster en het Uwv genoemd.
Inleiding
1. De werkneemster is voorheen werkzaam geweest als senior adviseur binnendienst
voor gemiddeld 31,95 uur per week. Als gevolg van een ski-ongeval en de nasleep daarvan ondervindt de werkneemster klachten en beperkingen. Na twee kortdurende ziekteperioden van 4 tot en met 8 februari 2019 en van 5 tot en met 11 maart 2019 heeft zij zich op 18 maart 2019 ziek gemeld. De werkneemster heeft op 3 december 2020 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gedaan. In het kader van deze WIA-aanvraag hebben een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv onderzoek gedaan. Volgens de arts heeft eiseres verminderde functionele mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek. De beperkingen van eiseres zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de werkneemster haar eigen werk als senior adviseur binnendienst niet meer kan doen en heeft onvoldoende passende functies voor de werkneemster kunnen duiden. Het Uwv heeft vervolgens aan de werkneemster met ingang van 3 maart 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Met het besluit van 6 januari 2023 heeft het Uwv met ingang van 3 maart 2023 de loongerelateerde WGA-uitkering gewijzigd in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.1.
Op 31 augustus 2022 heeft het Uwv van de werkgeefster een verzoek om herbeoordeling ontvangen. De arts heeft de belastbaarheid van de werkneemster onderzocht per 31 augustus 2022 en per 2 maart 2023 en de beperkingen opgenomen in een FML van 23 augustus 2023. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens verschillende voorbeeldfuncties geduid die de werkneemster, met de aangenomen beperkingen, moet kunnen verrichten. Op basis van de geduide voorbeeldfuncties komt de arbeidsdeskundige uit op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 73,33%. Met het besluit van 22 september 2023 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 73,33%. De hoogte van de loonaanvullingsuitkering wijzigt nu niet tot 23 september 2025.
1.2.
De werkgeefster en werkneemster zijn het daarmee niet eens en hebben elk afzonderlijk bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben vervolgens onderzoek gedaan. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er aanleiding om de eerder vastgelegde belastbaarheid te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom op 24 juni 2024 een nieuwe FML vastgesteld. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft één van de door de arbeidsdeskundige geduide functies verworpen en daarvoor in de plaats de reservefunctie aan de schatting ten grondslag gelegd. De arbeidsongeschiktheid van de werkneemster heeft hij berekend op 74,06%.
1.3.
Met het besluit van 5 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren gegrond verklaard, de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd en vastgesteld op 74,06%.
1.4.
De werkgeefster en werkneemster hebben beiden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep van de werkneemster is geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/5174 en het beroep van de werkgeefster onder zaaknummer UTR 24/7725. De werkneemster heeft de beroepsgronden op 15 september 2025 aangevuld. De werkgeefster heeft de beroepsgronden aangevuld op 12 december 2024 en daarbij een rapport van arts-gemachtigde [A] van 12 december 2024 en informatie van de huisarts van 12 september 2024 overgelegd. Het Uwv heeft in het beroep met zaaknummer UTR 24/5174 op 19 augustus 2024 een verweerschrift ingediend. In het beroep met zaaknummer UTR 24/7725 heeft het Uwv op 25 februari 2025 een verweerschrift ingediend waarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 205, een FML van 18 februari 2025 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 februari 2025 zijn gevoegd. Op 17 oktober 2025 heeft het Uwv een aanvullend verweerschrift ingediend, waarbij een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2025 is gevoegd.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de werkgeefster en de gemachtigde van het Uwv. Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de beroepen gevoegd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De werkneemster heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de werkgeefster te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van de werkneemster om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, mits die rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan die zorgvuldigheidseisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar nodig.
4. De rechtbank zal eerst het beroep van de werkneemster en vervolgens het beroep van de werkgeefster beoordelen aan de hand van de door hen ingediende beroepsgronden.
Het beroep van de werkneemster
De medische beoordeling
5. De werkneemster heeft als enige grond naar voren gebracht dat haar belastbaarheid is onderschat en dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 24 juni 2024 uitgebreid toegelicht hoe zij tot de vastgestelde belastbaarheid is gekomen. Zij heeft aanleiding gezien aanvullende beperkingen aan te nemen vanwege de complexe fysieke problematiek van de werkneemster. Zij ziet geen reden om op het item zitten verdergaande beperkingen aan te nemen. In beroep heeft zij wel aan de FML toegevoegd dat de werkneemster de mogelijkheid moet krijgen om de stoelleuning 30 graden naar achteren te zetten wanneer ze haar voet hoog neerlegt. De werkneemster heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat haar belastbaarheid is onderschat. De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpelijk en concreet heeft gemotiveerd hoe zij tot haar beoordeling is gekomen. De rechtbank kan haar medisch oordeel volgen.
7. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 74,06%, dus op minder dan 80%. Dat betekent dat de werkneemster niet volledig arbeidsongeschikt is en dat niet wordt voldaan aan de criteria [1] om in aanmerking voor een IVA-uitkering [2] . Daarom hoeft niet te worden beoordeeld of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
De arbeidsdeskundige beoordeling
8. Volgens de werkneemster zijn de geduide functies ongeschikt, omdat daarin zittend aan een bureau moet worden gewerkt en de werkneemster op grond van de in beroep gewijzigde FML van 18 februari 2025 de mogelijkheid moet hebben om de stoelleuning ongeveer 30 graden naar achteren te zetten. Dat betekent volgens de werkneemster dat niet langer sprake is van een goede en gezonde zithouding, met name ook omdat deze houding lang achter elkaar moet worden ingenomen. De werkneemster vindt het niet realistisch dat zij in staat wordt geacht functies te verrichten, waarin zij tot 6 uur per dag bureauwerkzaamheden moet verrichten.
9. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 juli 2024 gemotiveerd waarom met de in bezwaar geduide functies de belastbaarheid van de werkneemster niet wordt overschreden. Hij heeft uitgelegd dat in alle drie de geduide functies het hoog houden van het been bij het zitten mogelijk is. Datzelfde geldt voor het kunnen afwisselen van houding. In aanvulling daarop heeft hij in zijn rapport van 24 februari 2025 toegelicht dat het bij het achteroverleunen van 30 graden van belang is dat het beeldscherm op een in hoogte en afstand instelbare standaard wordt geplaatst zodat sprake is van een ergonomisch verantwoorde positie. Dit geldt ook voor het toetsenbord. Ook kan met in hoogte verstelbare armsteunen voldoende ondersteuning voor de armen/polsen worden verkregen. Dit zijn veel voorkomende voorzieningen die van een werkgever gevraagd kunnen worden. De arbeidskundige bezwaar en beroep ziet niet in waarom dit tot productieverlies zou moeten leiden.
Uit zijn rapport van 16 oktober 2025 blijkt dat de arbeidsdeskundig bezwaar en beroep contact heeft gehad met (de verzekeringsarts bezwaar en beroep en met) een arbeidsdeskundige werk- en onderwijsvoorzieningen, die heeft aangegeven welke maatwerkvoorzieningen mogelijk zijn. Gelet op de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de verschillende rapporten ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de werkneemster de werkzaamheden die horen bij de geduide functies op grond van de FML van 18 februari 2025 niet zou kunnen verrichten.
10. In de omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beroepsfase de FML heeft gewijzigd ziet de rechtbank geen reden het beroep gegrond te verklaren. Deze wijziging hield namelijk verband met de door de werkgeefster in beroep overgelegde stukken van de huisarts en de arts-gemachtigde en niet met wat de werkneemster in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank verklaart het beroep van de werkneemster daarom ongegrond.
Het beroep van de werkgeefster
11. De rechtbank stelt allereerst vast dat de werkgeefster geen gronden heeft gericht tegen de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De rechtbank zal daarom de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek niet bespreken.
De medische beoordeling
12. De werkgeefster voert aan dat de belastbaarheid van de werkneemster niet goed is vastgesteld. Volgens de werkgeefster moeten op het item zitten verdergaande beperkingen worden aangenomen. De werkneemster is, mede vanwege haar pijnklachten, niet in staat om 6 uur op een dag te zitten. Ook kan ze maximaal 15 á 30 minuten achter elkaar zitten. Dat volgt volgens de werkgeefster uit de beschouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over het spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft namelijk aan dat de werkneemster tijdens het spreekuur een aantal keer van houding moet wisselen, niet rechtop zit, maar met een hoek van 30 graden naar achteren leunt en haar been op een krukje legt. De werkgeefster heeft ter onderbouwing van haar standpunt medische stukken van de huisarts en een arts-gemachtigde overgelegd. Uit de medische informatie van de huisarts blijkt dat de werkneemster niet rechtop kan zitten, wat door de observatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens het spreekuur wordt bevestigd. Verder zijn de door de huisarts genoemde klachten aan de heup niet bij de beoordeling betrokken en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin in de beoordeling betrokken hoe de werkneemster de afgelopen jaren in haar eigen werk heeft gefunctioneerd. Dat is in strijd met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium. De laatste jaren bleek dat verspreid over de dag 1 á 2 uur vanuit huis werken te belastend was voor de werkneemster.
13. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 24 juni 2024 uitgebreid uitgelegd hoe zij tot de vastgestelde belastbaarheid is gekomen. Zij heeft in de rubriek dynamische handelingen en voor (beroepsmatig) vervoer aanvullende beperkingen aangenomen vanwege de complexe fysieke problematiek van de werkneemster. Ook is uitgelegd waarom er geen reden is voor verdergaande beperkingen op het item zitten. Uit dit rapport blijkt dat de heupklachten van de werkneemster bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend waren. De rechtbank kan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen.
14. In beroep heeft de werkgeefster medische stukken van de huisarts en van arts-gemachtigde Rossou overgelegd. De arts-gemachtigde neemt het standpunt in dat de werkneemster hooguit 15 tot 30 minuten achtereen kan zitten, waarbij ze regelmatig moet kunnen vertreden en dat ze maximaal 2 tot 4 uur verdeeld over de dag kan zitten. De rechtbank overweegt dat de arts-gemachtigde een bedrijfsarts is die de werkneemster niet zelf heeft onderzocht, maar zijn oordeel baseert op wat de primaire arts in zijn rapport heeft beschreven. Het rapport van de primaire arts is echter niet leidend bij de beoordeling van de belastbaarheid. In het rapport van 24 juni 2024 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep al ingegaan op het feit dat er bij het zitten ruimte moet zijn voor het omhoog houden van het been, omdat de werkneemster met de 45-graden kniebuiging geen grondbereik heeft en dit andere klachten veroorzaakt. Het zitten is gemaximeerd tot 1 uur per keer en 6 uur op een dag. Omdat er geen evident vertredingspatroon uit het dagverhaal naar voren komt anders dan kortdurende vertredingen ziet zij geen indicatie voor een verdergaande beperking bij de juiste ergonomische aanpassingen. In haar rapport van 18 februari 2025 heeft ze toegelicht dat de werkneemster tijdens het medisch spreekuur van 40 minuten van de primaire arts haar zithouding heeft afgewisseld, maar het zitten niet heeft afgewisseld met een andere houding. Omdat rechtop zitten niet goed mogelijk is, wat de huisarts beaamt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de FML toegevoegd dat de werkneemster bij het zitten de mogelijkheid moet krijgen om de leuning ongeveer 30 graden naar achteren te zetten. De rechtbank wijst tot slot op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2025, waaruit blijkt dat er overleg is geweest met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de fysieke problematiek duidelijk beschrijft. De arts-gemachtigde Rossou heeft in zijn beoordeling van de belastbaarheid van de werkneemster geen rekening gehouden met de in dit rapport door de arbeidsdeskundige werk- en onderwijsvoorzieningen genoemde maatwerkvoorzieningen.
15. De rechtbank ziet in de overgelegde medische stukken geen reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in de beoordeling heeft betrokken hoe de werkneemster de afgelopen jaren in haar eigen werk heeft gefunctioneerd leidt, wat daar ook van zijn, niet tot twijfel over de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank ziet geen reden te concluderen dat de beoordeling van de belastbaarheid niet voldoet aan het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium. Wat de werkgeefster verder nog aanvoert geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
De arbeidsdeskundige beoordeling
16. De werkgeefster voert aan dat de geduide functies niet geschikt zijn, omdat de werkneemster in deze functies rechtop moet kunnen zitten om een toetsenbord te kunnen bedienen, op een beeldscherm te kunnen kijken, iets op te schrijven of de telefoon op te pakken. Werkneemster zit echter achterover in een hoek van 30 graden. De geduide functie telefonist vereist dat de werkneemster 60 minuten achter elkaar moet zitten. Ook dat kan de werkneemster niet.
17. Uit wat hiervoor bij de medische beoordeling is overwogen volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen van de werkneemster zoals opgenomen in de FML van 18 februari 2025 juist zijn. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 februari 2025 blijkt dat de gewijzigde FML van 18 februari 2025 geen reden geeft om anders te concluderen over de geschiktheid van de in bezwaar geduide functies. De rechtbank verwijst verder naar wat zij onder 9. heeft overwogen over de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de verschillende rapporten over de geschiktheid van de geduide functies. De rechtbank kan de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in deze rapporten volgen. Wat de werkgeefster verder aanvoert over de geduide functies komt in feite neer op het standpunt dat de werkneemster die functies vanwege haar belastbaarheid niet kan verrichten en slaagt om die reden niet.
Conclusie en gevolgen
18. Omdat de FML in de beroepsfase is gewijzigd, is het beroep gegrond wegens strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het motiveringsgebrek in de beroepsfase is hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
19. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan de werkgeefster vergoeden en krijgt de werkgeefster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van de werkgeefster een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank
  • verklaart het beroep met zaaknummer UTR 24/5174 ongegrond;
  • verklaart het beroep met zaaknummer UTR 24/7725 gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 juli 2024;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan de werkgeefster moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan de werkgeefster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA.
2.Een uitkering Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten op basis van de Wet WIA.