Eiseres heeft op 10 juli 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 20 augustus 2025 in gebreke en diende op 4 september 2025 een beroepschrift in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen de wettelijke termijn, uiterlijk 3 september 2026, alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, moet een dwangsom van € 50,- worden betaald, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 53,-. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en wijst op eerdere uitspraken waarin de termijn en dwangsom zijn gemotiveerd.
Eiseres en haar gemachtigde waren afwezig bij de zitting, terwijl de gemachtigden van verweerder wel aanwezig waren. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler en griffier A.C. van de Biesebos op 17 december 2025.