ECLI:NL:RBMNE:2025:7686

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
25/5927
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4.4 WooArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek minister van Justitie en Veiligheid

Eiser diende op 7 juli 2025 een verzoek in op grond van de Wet open overheid (Woo) bij de minister van Justitie en Veiligheid. De minister had op grond van de wet binnen vier weken moeten beslissen, uiterlijk 4 augustus 2025. Deze termijn werd overschreden zonder dat sprake was van een geldige verlenging. Eiser stelde de minister op 7 augustus 2025 in gebreke en diende op 14 oktober 2025 beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hoewel de minister aanvoert dat het verzoek complex en omvangrijk is en dat er capaciteitsproblemen zijn door meerdere Woo-verzoeken, acht de rechtbank dit geen bijzonder geval dat een langere beslistermijn rechtvaardigt. De minister wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. De rechtbank oordeelt ook dat het beroep betrekking heeft op het gehele Woo-verzoek, inclusief het deel dat informeel is doorgezonden aan Justid, een agentschap dat onder de minister valt. Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

Vereniging Evangelische Omroep, gevestigd te Hilversum, eiser,

(gemachtigde: mr. S.W. Derksen),
en

minister van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigden: mr. D. Smit en mr. I. Charalampopoulos).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser van 14 oktober 2025, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Verweerder heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 1015 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [A] namens eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiser heeft zijn Woo-verzoek ingediend op 7 juli 2025. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken beslissen op het verzoek. Uit de gedingstukken volgt niet dat verweerder deze termijn met twee weken heeft verdaagd. Verweerder had daarom uiterlijk op 4 augustus 2025 moeten beslissen.
3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 7 augustus 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 14 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
4. Het beroep is dan ook gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om een langere termijn te bepalen waarbinnen verweerder een besluit moet nemen, omdat mogelijk sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
6. In dit verband stelt de rechtbank vast dat verweerder heeft aangevoerd dat het onderhavige Woo-verzoek een complex, gevoelig en omvangrijk verzoek betreft. Daarnaast zijn er meerdere verzoeken gedaan die verband houden met hetzelfde onderwerp en wordt bekeken of deze (deels) gezamenlijk afgedaan kunnen worden. Ook lopen er meerdere andere grote Woo-verzoeken, waardoor simpelweg niet de capaciteit heeft om tijdig op het verzoek te beslissen.
7. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze omstandigheden maken dat niet tijdig op het verzoek kan worden beslist, ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank begrijpt dat verweerder al jaren te maken heeft met een grote stroom Woo-verzoeken en dat de capaciteit er niet is om deze allemaal tijdig af te doen. Dat is een sitautie waarop gehandeld kan worden of had kunnen worden en is wezenlijk anders dan bijvoorbeeld de situatie rond de Wet hersteloperatie toeslagen waarbij het bestuursorgaan ineens een enorme hoeveel aanvragen te verwerken kreeg.
Verweerder moet dan ook conform de hoofdregel binnen twee weken na verzending van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb) een besluit nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

De rol van Justid

9. Verweerder heeft een deel van het Woo-verzoek doorgezonden aan Justid. Ter zitting is verduidelijkt dat het daarbij gaat om een ‘informele doorzending’, omdat het niet gaat om een ander bestuursorgaan. Verweerder wijst er wel op dat Justid onhafhankelijk werkt en dat het onderhavige beroep niet ook betrekking kan hebben op het deel van het verzoek dat door Justid in behandeling is genomen. Daarvoor moet een apart beroep niet tijdig worden ingesteld, voorafgegaan door een afzonderlijke ingebrekestelling, aldus verweerder.
10. Eiser is van mening dat het onderhavige beroep ook ziet op het besluit dat door Justid moet worden genomen, omdat het gaat om hetzelfde bestuursorgaan.
11. De rechtbank overweegt dat het in deze zaak gaat om één Woo-verzoek dat is gericht aan verweerder. Een deel van dat verzoek is ‘informeel doorgezonden’ aan Justid, zijnde een agentschap van het Rijk dat valt onder de verantwoordelijkheid van verweerder. Voor beide delen van het verzoek geldt dat het uiteindelijk verweerder is die het besluit op het verzoek neemt. De rechtbank begrijpt het dan ook zo dat de betekenis van Justid als agentschap betrekking heeft op de interne organisatie van verweerder. Van eiser kan niet verlangd worden dat aan Justid een aparte ingebrekestelling wordt verstuurd en dat tegen Justid een beroep niet tijdig wordt ingesteld, alleen al omdat Justig geen bestuursorgaan is. De minister blijft ook verantwoordelijk voor de afdoening van het verzoek dat feitelijk door Justid wordt uitgevoerd. Deze uitspraak ziet dan ook op de beslissing die vanuit Justid op het Woo-verzoek zal worden genomen.
Proceskosten en griffierecht
12.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en *1 punt voor de aanwezigheid bij de zitting* met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Hiervoor wordt toegekend een bedrag van € 907,-
13. Daarnaast dient verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. van de Biesebos, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025
de griffier is buiten staat
te ondertekenen
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.