Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser sub 1],
[eiser sub 2],
[eiser sub 3],
[eiser sub 4],
(gemachtigde: mr. K. Hoogenboom)
(gemachtigde: mr. S.G.A. de Boer)
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
De ingetrokken beroepsgrond
Het advies van de Commissie Bezwaarschriften
- het bouwen van een bouwwerk;
- het uitvoeren van een werk dat geen bouwwerk is of het uitvoeren van werkzaamheden waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald;
- afwijken van de voorschriften van het bestemmingsplan (buitenplans);
- het vellen of doen vellen van een houtopstand.
een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden bouwwerk. [7] In deze zaak ziet de rechtbank zich dus voor de vraag gesteld of sprake is van functionele verbondenheid tussen het hoofdgebouw: de muziekstudio, en het bijbehorend bouwwerk: de short stay studio’s. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend kan worden beantwoord. De rechtbank ziet zodanige functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, dat afwijkend gebruik onder voormeld artikellid van het Bor toegestaan kan worden. Zij neemt daarbij in aanmerking dat uit de aanvraag voldoende blijkt dat de short stay studio’s alleen bestemd zijn voor mensen die verbonden zijn aan [bedrijf] , waarvan studenten zich nu ook in de muziekstudio bevinden. Dit is op de zitting door vergunninghouder bevestigd. De rechtbank volgt eisers niet in hun vrees dat er mensen zullen gaan verblijven die niet verbonden zijn aan de Academy. Door eisers is onvoldoende onderbouwd dat de units op een afwijkende manier zullen worden gebruikt. De enkele vrees daarvoor acht de rechtbank onvoldoende.
Is het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
Heeft het college een juiste belangenafweging gemaakt?
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond,
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden,
- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
mr.T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.