ECLI:NL:RBMNE:2025:792

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
26 februari 2025
Zaaknummer
C/16/586045 / FL RK 24-1238
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 809 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en uitstel definitieve beslissing in belang minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van de vader om een zorgregeling te treffen voor zijn minderjarige zoon, geboren in 2024, die momenteel bij de moeder woont. Beide ouders hebben gezamenlijk gezag over het kind. De vader verzocht om een zorgregeling waarbij het kind drie dagen per week bij hem verblijft met overnachting, terwijl de hoofdverblijfplaats bij de moeder zou blijven.

Tijdens de zitting op 27 januari 2025 werd vastgesteld dat de ouders het eens zijn over de hoofdverblijfplaats bij de moeder en dat de moeder het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget zal behouden. De rechtbank besloot de definitieve zorgregeling zes maanden uit te stellen vanwege onduidelijkheid over het belang van het kind, mede door de gespannen communicatie tussen ouders en zorgen van de Raad voor de Kinderbescherming.

In afwachting van het onderzoek van de Raad werd een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader onder begeleiding op vaste tijden omgang heeft met de minderjarige. De omgang vindt plaats onder begeleiding van de moeder of de grootmoeder van vaderszijde, met het oog op de jonge leeftijd van het kind en de problematiek bij de vader, waaronder een recente terugval in middelengebruik en emotionele problemen.

De rechtbank verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad en verzocht de Raad een onderzoek te doen naar de beste zorgregeling voor het kind. Na ontvangst van het rapport kunnen partijen schriftelijk reageren. De vader staat op een wachtlijst voor hulp bij emotiebeheersing, wat de rechtbank als positief beoordeelt. De voorlopige regeling beoogt het contact tussen vader en kind veilig en frequent te houden.

Uitkomst: Voorlopige zorgregeling onder begeleiding vastgesteld en definitieve beslissing uitgesteld voor onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/586045 / FL RK 24-1238
Gezag en omgang
Beschikking van 21 februari 2025
in de zaak van:
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.B. de Jong,
tegen
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D.G. Nagel.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift (met bijlagen) van de vader op
18 december 2024 ontvangen.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
27 januari 2025. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaten en [A] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, in de gelegenheid te stellen om aan de rechter te vertellen wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank is daartoe alleen verplicht bij kinderen die twaalf jaar of ouder zijn. Als ze jonger zijn mág de rechtbank dat doen. [1]

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een zoon:
[minderjarige], geboren op
[geboortedatum] 2024. [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen.
2.4.
De vader verzoekt de rechtbank om:
  • een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] drie dagen per week bij de vader verblijft, met overnachting, afhankelijk van de werkdagen van de moeder;
  • te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
  • te bepalen dat de moeder degene is die het recht heeft op de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige] .
2.5.
De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd.

3.De beoordeling

Hoofdverblijfplaats
3.1.
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal worden vastgesteld bij de moeder. De rechtbank neemt deze beslissing, omdat de ouders het hier over eens zijn en er geen redenen zijn om aan te nemen dat deze beslissing niet in het belang van [minderjarige] zal zijn.
Kinderbijslag en kindgebonden budget
3.2.
De ouders zijn het er ook over eens dat de moeder de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige] zal ontvangen. Het is niet gebleken dat deze beslissing niet in het belang van [minderjarige] zou zijn, zodat de rechtbank deze afspraak zal vastleggen.
Raadsonderzoek
3.3.
De rechtbank zal nu nog geen definitieve beslissing over de zorgregeling nemen, maar de beslissing nog zes maanden uitstellen.
3.4.
De reden daarvoor is dat het nu nog onvoldoende duidelijk is welke beslissing in het belang van [minderjarige] is. Er speelt veel tussen de ouders, waardoor het hen niet lukt om in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren en om tot structurele afspraken over de zorgregeling te komen. De Raad heeft zorgen over de opgroeisituatie van [minderjarige] en de Raad is van plan om binnenkort een beschermingsonderzoek te doen. De rechtbank zal de Raad vragen om (ook) onderzoek te doen naar welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is. Over uiterlijk zes maanden wil de rechtbank graag het advies van de Raad ontvangen. Na ontvangst van het Raadsrapport zal de rechtbank de advocaten van partijen in de gelegenheid stellen om schriftelijk te reageren op de inhoud van dat rapport.
Voorlopige zorgregeling
3.5.
In de tussentijd zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen, waarbij:
  • de vader en [minderjarige] iedere dinsdag, onder begeleiding van de moeder, van 9.00 tot 11.00 uur omgang hebben;
  • de vader en [minderjarige] in de oneven weken op zaterdag, onder begeleiding van de oma (vaderszijde), van 9.00 tot 11.00 uur omgang hebben;
  • de vader en [minderjarige] in de even weken op vrijdag, onder begeleiding van de moeder, van 9.00 tot 11.00 uur omgang hebben.
Hierna zal deze beslissing worden uitgelegd.
3.6.
Zoals de Raad heeft geadviseerd, is het in het belang van [minderjarige] om een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vader en [minderjarige] vaker en kortdurend omgang hebben met elkaar. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het in zijn belang om zijn vader regelmatig te zien, zodat hij aan zijn vader gehecht blijft.
3.7.
Het lukt de ouders niet om zelfstandig afspraken te maken over de zorgregeling. De moeder heeft grote zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vader. De vader heeft lange tijd gekampt met fors drugs- en alcoholgebruik en heeft enkele weken geleden een terugval gehad. De vader erkent zijn problematiek en heeft verteld dat hij regelmatig vastloopt bij het uiten van zijn emoties. Ook tijdens de zitting had de vader verschillende keren moeite om zijn woede te controleren. Deze situatie is zorgelijk. De rechtbank wil wel benadrukken dat het goed is dat de vader inziet dat hij hulp nodig heeft bij het beheersen van zijn emoties en zich daarom inmiddels heeft aangemeld bij de Waag. De vader staat nu op de wachtlijst voor het krijgen van hulp.
3.8.
In deze situatie vindt de rechtbank het belangrijk dat de zorgregeling voorlopig onder begeleiding plaatsvindt, zodat er zicht is op een positief en veilig verloop van de omgang. De afgelopen periode is er wekelijks ongeveer twee uur omgang tussen de vader en [minderjarige] op dinsdag geweest. Dit vond plaats onder begeleiding van de moeder. Ondanks de problematiek die tussen de ouders speelt, verliep dit volgens beide ouders goed. Bij het vaststellen van de zorgregeling zal daarom rekening worden gehouden met deze afspraak. Verder wordt rekening gehouden met de wens van de vader om ook omgang tussen hem en [minderjarige] plaats te laten vinden onder begeleiding van zijn moeder (oma vz). Op deze manier kan [minderjarige] omgang met zijn vader hebben, maar ook zijn oma (vz) leren kennen.
3.9.
De Raad heeft de moeder ter zitting geadviseerd om [minderjarige] aan te melden voor professionele begeleiding van de omgang. De moeder heeft toegezegd dit te zullen doen. Door de lange wachtlijsten zal er voorlopig nog geen professionele begeleiding beschikbaar zijn, maar het is wel de bedoeling dat dit op den duur het geval is.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.10.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
4.2.
verstaat dat de ouders het er over eens zijn dat de moeder het kindgebonden budget en de kinderbijslag zal ontvangen;
4.3.
stelt de volgende voorlopige zorgregeling vast, waarbij:
  • de vader en [minderjarige] iedere dinsdag, onder begeleiding van de moeder, van 9.00 tot 11.00 uur omgang hebben;
  • de vader en [minderjarige] in de oneven weken op zaterdag, onder begeleiding van de oma (vaderszijde), van 9.00 tot 11.00 uur omgang hebben;
  • de vader en [minderjarige] in de even weken op vrijdag, onder begeleiding van de moeder, van 9.00 uur tot 11.00 uur omgang hebben;
4.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
verzoekt de Raad om te onderzoeken welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is;
4.6.
houdt de verdere beslissing over de zorgregeling aan voor zes maanden, in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek, waarna partijen schriftelijk kunnen reageren op de inhoud van dat rapport;
  • met verzoek aan
  • met verzoek aan
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.M.E. Manning, rechter, in samenwerking met mr. F.M. de Hart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Voetnoten

1.Artikel 809 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.