ECLI:NL:RBMNE:2025:82

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
11312585
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing oproeping derden in vrijwaring wegens onvoldoende onderbouwde rechtsverhouding

In deze civiele procedure vordert gedaagde in een incident de toestemming om derden in vrijwaring op te roepen. Eiseres heeft een hoofdvordering ingesteld wegens onrechtmatige daad, omdat gedaagde ijsjes verkocht zonder toestemming van de merkhouders, waardoor eiseres schade lijdt.

De rechtbank beoordeelt dat voor toewijzing van de oproeping in vrijwaring vereist is dat de rechtsverhouding tussen gedaagde en de derden zodanig is dat deze derden de nadelige gevolgen van een verlies door gedaagde geheel of gedeeltelijk moeten dragen. Gedaagde heeft deze rechtsverhouding onvoldoende onderbouwd.

Indien gedaagde het recht van de derden tot verhandeling heeft verkregen, is er geen inbreuk en faalt de hoofdvordering. Indien niet, dan is niet gesteld dat de derden een vrijwaringsplicht hebben. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt gedaagde in de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De vordering tot oproeping in vrijwaring wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de rechtsverhouding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11312585 \ MC EXPL 24-5967
Vonnis in incident van 15 januari 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V. H.O.D.N. [handelsnaam],
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.C. Debije,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.R. Raghoebir, werkzaam bij Eurolawyers & Associates.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2024 met producties 1-11;
- de incidentele conclusie houdende oproeping in vrijwaring met productie 1;
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[gedaagde] vordert in het incident haar toe te staan om [bedrijf] N.V., [A] en [B] (hierna samen: [C] ) in vrijwaring op te roepen.
2.2.
[eiseres] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident te vermeerderen met wettelijke rente.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
In de hoofdzaak heeft [eiseres] veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van
€ 5.597,15 te vermeerderen met rente en kosten. Zij legt daaraan – kort gezegd – het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft ijsjes van het merk [merknaam] van [gedaagde] gekocht. Kort na de levering daarvan is [eiseres] door de (mede)merkhouders van het merk [merknaam] gesommeerd zich te onthouden van het verhandelen van de ijsjes, omdat [eiseres] daarvoor geen toestemming van de merkhouders heeft. [gedaagde] heeft dus inbreukmakende producten aan [eiseres] verkocht. Dit kwalificeert als een onrechtmatige daad. [gedaagde] is verplicht de schade die [eiseres] daardoor leidt te vergoeden. De gevorderde schade bestaat uit de inkoopprijs van de restantvoorraad ijsjes die niet meer kan worden verkocht.
3.2.
Ter onderbouwing van de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring stelt [gedaagde] – kort gezegd – dat zij van [A] en [B] het recht heeft verkregen om de ijsjes in Nederland te verhandelen.
3.3.
Voor de toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat uit de stellingen van de partij in de hoofdzaak ( [gedaagde] ) voortvloeit dat als in de hoofdzaak een voor haar nadelige beslissing wordt gegeven, de in de vrijwaring op te roepen derde(n) ( [C] ) krachtens haar/hun rechtsverhouding tot [gedaagde] verplicht is/zijn de nadelige gevolgen van een verlies door [gedaagde] van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Of die rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat, behoeft in het vrijwaringsincident nog niet vast komen te staan.
3.4.
[gedaagde] heeft de hiervoor bedoelde rechtsverhouding tot [C] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Voor zover [gedaagde] kan worden gevolgd in haar standpunt dat zij van [C] het recht heeft verkregen om de ijsjes in Nederland te verhandelen, dan is er geen sprake van een inbreuk en moet de vordering van [eiseres] in de hoofdzaak worden afgewezen, zodat [gedaagde] op haar beurt ook geen vordering op [C] heeft. Voor zover [gedaagde] in dit standpunt niet kan worden gevolgd, en zij van [C] dus niet het recht tot het verhandelen van de ijsjes heeft verkregen en er sprake is van een inbreuk, dan geldt dat [gedaagde] niet heeft gesteld en onderbouwd dat er tussen haar en [C] een rechtsverhouding bestaat die voor laatstgenoemde een verplichting tot vrijwaring meebrengt. Anders gezegd: [gedaagde] heeft in dat geval niet onderbouwd wat de grondslag van een eventuele vordering op [C] is.
3.5.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde oproeping in vrijwaring wordt afgewezen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident:
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in de hoofdzaak:
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 12 februari 2025om 11:00 uur voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] ;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
45353