Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VORDERING
détournement de pouvoir)
.
3.BEOORDELING VAN DE VORDERING
€ 46.500.
0,10 x 46.500).
( € 97.780,48 - € 4.650).
4.TOEGEPAST WETSARTIKEL
5.BESLISSING
€ 93.130,48;
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor meervoudige verduistering in de periode van 12 februari 2012 tot en met 1 december 2015. De ontnemingsvordering betrof het terugvorderen van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat door het Openbaar Ministerie op €94.178,00 en later verhoogd tot €107.284,75.
De rechtbank stelde vast dat veroordeelde ook vóór de bewezenverklaarde periode grote bedragen van het slachtoffer had verduisterd, namelijk tussen 21 juni 2011 en 16 januari 2012, wat niet in de strafzaak kon worden meegenomen vanwege verjaring. De totale som van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €97.780,48, bestaande uit €51.280,48 voor de bewezenverklaarde periode en €46.500,- voor de periode daarvoor.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn en oordeelde dat er geen sprake was van misbruik van bevoegdheid. De draagkracht van veroordeelde werd niet meegenomen voor matiging omdat dit niet aannemelijk was. Wel werd de betalingsverplichting gematigd met 10% van het bedrag voor de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten, vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Uiteindelijk legde de rechtbank veroordeelde op om €93.130,48 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen. Het vonnis is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 4 maart 2025.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €93.130,48 te betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.