ECLI:NL:RBMNE:2025:909

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
UTR 23/1306-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking verzet in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker was in beroep gegaan tegen een besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker ging vervolgens in verzet tegen deze uitspraak, maar trok dit verzet tijdens de zitting in.

Verzoeker verzocht daarna om vergoeding van zijn proceskosten. De tegenpartij, de BghU, stelde dat geen proceskostenvergoeding toekwam omdat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard en het verzet ongegrond zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een tegemoetkoming door verweerder aan verzoeker, omdat het verzet was ingetrokken voordat de rechtbank uitspraak had gedaan. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af en zag ook geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden.

Na de zitting ontving de rechtbank een brief waarin werd gesteld dat verzoeker bereid was het verzet in te trekken indien proceskosten werden vergoed, maar de rechtbank benadrukte dat een proceskostenvergoeding niet als voorwaarde kan worden gesteld voor intrekking.

De uitspraak werd gedaan door rechter M. Eversteijn en griffier A.F. Klomp op 18 februari 2025.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het verzet is ingetrokken zonder dat sprake was van tegemoetkoming door verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1306-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 op het verzet van

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

(Gemachtigde: mr. F.J. Boonstra)

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft verzet ingediend tegen de uitspraak van 14 februari 2024.
De verzet zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigden van de BghU zijn verschenen.
Verzoeker heeft vervolgens ter zitting het verzet ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de proceskosten.
De BghU heeft de rechtbank desgevraagd meegedeeld dat hij zich niet kan vinden in een proceskostenvergoeding, omdat het beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard en daarmee het verzet ook ongegrond zou zijn.

Overwegingen

1. Verzoeker is op 25 maart 2023 in beroep gegaan tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: Bghu) van 10 februari 2023. Op 14 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Op 30 maart 2024 is verzoeker in verzet gegaan tegen deze uitspraak.
2. Op 9 januari 2025 heeft verzoeker ter zitting het verzet ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om een vergoeding van zijn proceskosten.
3. De rechtbank kan verweerder veroordelen in de proceskosten van de verzoeker (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), als verweerder tegemoet is gekomen aan het beroepsschrift van verzoeker. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er sprake is van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:75a Awb. In deze procedure heeft verzoeker het verzet ingetrokken voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzet. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard en opposant het verzet heeft ingetrokken is er geen sprake van een tegemoetkoming door verweerder aan verzoeker. De rechtbank ziet daarom geen grond voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen dan ook afwijzen.
4. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht.
Na sluiting ontvangen brief van verzoeker
5. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker op
27 januari 2025 een brief aan de rechtbank gestuurd, waarin staat dat verzoeker tijdens de zitting “kenbaar heeft gemaakt bereid te zijn de verzet procedure in te trekken, indien er wel een vergoeding qua proceskosten voor de gevoerde procedure wordt toegekend”. De rechtbank merkt hierover op dat dit niet de correcte gang van zaken weergeeft. Verzoeker heeft het verzet ingetrokken en daarbij gevraagd om een proceskostenvergoeding. Een proceskostenvergoeding is en kan ook niet als voorwaarde voor de intrekking worden gesteld. Het is immers de rechtbank die oordeelt over een dergelijke vergoeding. Ten behoeve van dit oordeel hebben partijen tijdens de zitting hun standpunten omtrent een eventuele proceskostenvergoeding uiteengezet.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.