ECLI:NL:RBMNE:2025:913

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
C/16/586734 / JL RK 25-8
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 februari 2025 besloten de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen te verlengen tot 7 maart 2026. De kinderen verblijven momenteel in een gezinshuis nadat een eerdere netwerkplaatsing bij de grootouders als onvoldoende werd beoordeeld.

De kinderen zijn sinds de plaatsing in het gezinshuis niet meer van school afwezig geweest, wat eerder wel een probleem was. Terugplaatsing bij de grootouders wordt niet als optie gezien vanwege zorgen over de thuissituatie en conflicten tussen moeder en grootouders. De moeder heeft geen eigen woonruimte, waardoor terugkeer naar haar ook niet mogelijk is.

De kinderrechter benadrukt het belang van systeemtherapie voor het hele gezin om de familiebanden te herstellen en het loyaliteitsconflict waarin de kinderen verkeren te verminderen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden verlengd tot 7 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/586734 / JL RK 25-8
Datum uitspraak: 20 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.I.H. Schulte te Almere
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[opa],
hierna te noemen: de opa (moederszijde),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[oma],
hierna te noemen: de oma (moederszijde),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 januari 2025;
  • het e-mailbericht met bijlagen van de oma van 3 februari 2025;
  • het e-mailbericht van [A] , de oom van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , van 19 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Schulte;
  • [B] namens de GI;
  • de opa;
  • de oma.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 maart 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 7 maart 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 oktober 2024 een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 maart 2025.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft in de stukken en ter zitting naar voren gebracht dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij nog een tijd bij het gezinshuis verblijven, ondanks dat zij zelf aangeven graag weer bij hun opa en oma te willen wonen. Zij liggen goed in de groep, zien er verzorgder uit en missen geen school meer. De kinderen kunnen omgang blijven hebben met de moeder en met de opa en oma, apart van elkaar. De kinderen kunnen niet terug naar de opa en oma omdat er te veel zorgen zijn over de thuissituatie en omdat de moeder en de opa en oma nog regelmatig in conflict zijn. Het risico bestaat dat de moeder opnieuw buiten spel gezet wordt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten erg klem tussen de moeder en de opa en oma. De leerbaarheid bij het hele systeem is bijzonder laag.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij zich refereert aan het verzoek van de GI. De moeder denkt dat systeemtherapie voor het hele gezin noodzakelijk is om de verstandhouding tussen haar en de opa en oma te verbeteren. Totdat dit is ingezet is het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het gezinshuis blijven. De moeder wil graag haar moederrol terugkrijgen.
4.3.
De oma heeft in de stukken en ter zitting naar voren gebracht dat zij wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar en de opa komen wonen. De kinderen willen dat zelf ook graag. De gezinsvoogd zorgt ervoor dat er telkens conflict is met de moeder en zet partijen tegen elkaar op. De systeemtherapie wordt ook door hem tegengehouden.
4.4.
De opa heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij moeite heeft met de situatie en het graag anders had gezien.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter verlengt de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven nu een paar maanden bij gezinshuis [locatie] en daar gaat het goed met hen. Er is geen sprake meer van schoolverzuim en zij hebben omgang met hun moeder en met hun opa en oma. Er is een zeer betrokken systeem waarbij iedereen het beste voor de kinderen wil, maar de leerbaarheid binnen dat systeem is laag. Daarnaast is er regelmatig sprake van conflict tussen familieleden en is systeemtherapie hiervoor geboden. Dit zou ook kunnen bijdragen aan het verminderen van het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bevinden. Bij de opa en oma is de thuissituatie door pleegzorg op dit moment onvoldoende beoordeeld als opvoedomgeving voor de kinderen. De moeder heeft nog geen eigen woning waardoor de kinderen ook daar nog niet terecht kunnen. Het is daarom nodig dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd zodat zij bij het gezinshuis kunnen blijven. De aankomende periode is het belangrijk dat het perspectief van de kinderen duidelijk wordt. Op dit moment is er te veel onduidelijkheid voor hen over waar zij gaan wonen. Uit het perspectiefonderzoek moet blijken of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug kunnen naar de opa en oma, bij de moeder kunnen wonen zodra zij een woning heeft of dat hun perspectief elders ligt. Tijdens het verblijf bij het gezinshuis is het van belang dat de kinderen omgang blijven houden met hun moeder en de opa en oma. Hiervoor zullen partijen zich meewerkend moeten opstellen en moeten leren op een redelijke manier te communiceren met elkaar en de gezinsvoogd. Er moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen dat er confrontaties plaatsvinden waar de kinderen bij zijn. Zij hebben daar veel last van.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 7 maart 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 maart 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2025 door mr. D. van Bloemendaal, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Bonarius als griffier, en op schrift gesteld op
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 1:260, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.