ECLI:NL:RBMNE:2025:938

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
11353858
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling restantbedrag stucwerk na onvoldoende onderbouwing

Eiser heeft stucwerkzaamheden verricht in de woning van gedaagde en vordert betaling van een restantbedrag van €1.918,40. Gedaagde betwist de hoogte van het aantal gewerkte uren en stelt dat hij reeds heeft betaald voor de daadwerkelijk gewerkte uren.

Tijdens de mondelinge behandeling verschijnt eiser niet, in de veronderstelling dat een schikking was bereikt. Gedaagde is wel aanwezig en wenst een vonnis. De gemachtigde van eiser geeft aan dat er een akkoord zou zijn, maar dit is niet tijdig aan gedaagde of de rechtbank doorgegeven.

De kantonrechter oordeelt dat eiser zijn stelling omtrent het aantal gewerkte uren niet voldoende heeft onderbouwd, waardoor niet vaststaat dat het gevorderde bedrag verschuldigd is. De vordering wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, terwijl gedaagde een forfaitair bedrag aan reis- en verblijfskosten wordt toegekend.

Uitkomst: De vordering van eiser tot betaling van het restantbedrag wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11353858 \ UC EXPL 24-6929 RJ/58605
Vonnis van 12 maart 2025
in de zaak van
[eiser]handelend onder de naam
[handelsnaam 1]mede handelende onder de naam
[handelsnaam 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [A] (Juristu)
rolgemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 september 2024 met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord van 21 oktober 2024 met bijlagen.
1.2.
Op 12 februari 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij is van de zijde van [eiser] niemand verschenen. [gedaagde] was wel aanwezig, samen met zijn partner, [B] .
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] heeft stucwerkzaamheden uitgevoerd in het huis van [gedaagde] en vordert nog een restantbedrag van € 1.918,40 van [gedaagde] . [gedaagde] wil dit restantbedrag niet betalen, omdat de urenberekening volgens [gedaagde] niet klopt en hij heeft betaald voor de uren die zijn gewerkt. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de vordering af.

3.De beoordeling

De gang van zaken tijdens de zitting
3.1.
Op het tijdstip dat de mondelinge behandeling had moeten beginnen, heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met de rolgemachtigde om te vragen of de heer [eiser] op de mondelinge behandeling zou verschijnen. Even later werd er tijdens de zitting teruggebeld door de rolgemachtigde en later door de gemachtigde van [eiser] , de heer [A] van Juristu, die beiden aangaven dat er een schikking was bereikt. [A] heeft daarbij aangegeven dat [eiser] akkoord was met het schikkingsvoorstel van [gedaagde] , maar dat dat niet op tijd aan [gedaagde] en de kantonrechter is doorgegeven. [gedaagde] vertelde hierna dat hij een laatste voorstel aan Juristu had gestuurd, hier na twee weken nog geen reactie op had gekregen, en vervolgens op maandag 10 februari nog eens heeft gemaild dat hij voor 17:00 reactie wenste. [gedaagde] heeft echter geen reactie gekregen, waardoor [gedaagde] zich heeft voorbereid op de behandeling van de zaak en hij zijn schikkingsvoorstel niet meer handhaaft.
De vordering van [eiser] wordt afgewezen
3.2.
De vordering van [eiser] tot betaling van het restantbedrag van € 1.918,40 wordt afgewezen. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat er 117 uur is gewerkt (volgens de berekening van [gedaagde] is er 85 uur gewerkt) en [eiser] heeft zijn stelling dat er wel 117 uur gewerkt is en het restantbedrag van € 1.918,40 daarom nog betaald moet worden, vervolgens niet onderbouwd. De kantonrechter ziet bijvoorbeeld geen berekening of overzicht van de gewerkte uren door [eiser] . Daardoor komt niet vast te staan dat er 117 uur is gewerkt en [gedaagde] het restantbedrag van € 1.918,40 nog zou moeten betalen.
3.3.
Omdat de vordering van [eiser] wordt afgewezen, wordt ook de gevorderde wettelijke (handels)rente hierover afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.4.
[eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. [gedaagde] procedeert in persoon en heeft daarom geen recht op vergoeding voor het salaris van een gemachtigde. Hij is wel op de mondelinge behandeling verschenen. Daarom kent de kantonrechter hem een door [eiser] te vergoeden forfaitair bedrag toe van € 50,00 aan
reis-, verblijf- en verletkosten. De nakosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.