Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1001

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/16/605100/ JE RK 26-22
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging zorgregeling ondanks gewijzigde omstandigheden

De vader verzocht de rechtbank om de zorgregeling voor zijn minderjarige kinderen te wijzigen, waarbij hij onder meer een aanpassing van de verblijfsverdeling in weekenden en vakanties voorstelde. De moeder verzette zich tegen deze wijziging, stellende dat een vermindering van haar zorgtijd nadelig zou zijn voor de kinderen en haar rol als moeder zou ondermijnen. De gecertificeerde instelling (GI) onderschreef het verzoek van de vader deels, wijzend op ernstige zorgen over de huidige situatie en de negatieve effecten van de voortdurende beschuldigingen tussen ouders op de kinderen.

De rechtbank stelde vast dat er weliswaar sprake is van gewijzigde omstandigheden, zoals meldingen van mishandeling door de moeder en gedragsproblemen bij een van de kinderen, maar dat deze omstandigheden onvoldoende samenhangen met de zorgregeling om een wijziging te rechtvaardigen. De vader slaagde er niet in een verband aan te tonen tussen de omvang van de zorgregeling en de toegenomen beschuldigingen of gedragsproblemen. Ook ontbraken concrete rapportages van hulpverleners die de stellingen van de vader en GI konden onderbouwen.

De rechtbank concludeerde dat het onduidelijk is of een wijziging van de zorgregeling daadwerkelijk tot verbetering van de situatie zal leiden. De gedragsproblemen van de kinderen kunnen ook samenhangen met andere factoren, zoals nog te verrichten diagnostiek. Daarom wees de rechtbank het verzoek van de vader af en liet het subsidiaire verzoek van de moeder buiten beschouwing. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de zorgregeling wordt afgewezen omdat de gewijzigde omstandigheden onvoldoende verband houden met de zorgregeling om een wijziging te rechtvaardigen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/605100 / JE RK 26-22
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. F. Pool uit Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.K. Kemper uit Amersfoort,
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de vader met bijlagen, ontvangen op 7 januari 2026;
  • het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026;
  • de brief van de GI van 23 februari 2026, met bijlagen;
  • het bericht met bijlagen van de vader van 27 februari 2026;
  • het tweede bericht van 27 februari 2026 van de vader, met een bijlage (productie 11).
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. M.S. Krol, advocaat, die waarnam voor mr. Pool;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] , namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen voor de helft van de tijd bij hun vader en voor de helft van de tijd bij hun moeder.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bij beschikking van 13 mei 2022 onder toezicht gesteld. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 juni 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 april 2025 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:
de reguliere zorgregeling
- de kinderen verblijven in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment maandagochtend naar school is;
de verdelingen van de schoolvakanties en feestdagen
  • zomervakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader, en in de oneven jaren omgekeerd;
  • voorjaars- en herfstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren tijdens de voorjaarsvakantie bij moeder en tijdens de herfstvakantie bij vader, en in de oneven jaren omgekeerd;
  • meivakantie: de reguliere zorgregeling geldt (omdat de scholen waar de kinderen zijn een meivakantie van twee weken hanteren);
  • kerstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste week (inclusief de kerstdagen) bij vader en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder verblijven, en in de oneven jaren omgekeerd;
  • Moederdag: als de kinderen volgens de reguliere zorgregeling bij de vader zijn, worden de kinderen in de ochtend om 10:00 uur naar de moeder gebracht waar ze ook overnachten;
  • Vaderdag: als de kinderen volgens de reguliere zorgregeling bij de moeder zijn, worden de kinderen in de ochtend om 10:00 uur naar vader gebracht waar ze ook overnachten;
  • paasweekend: de reguliere zorgregeling geldt waarbij de kinderen op tweede paasdag om 08:30 uur naar de andere ouder worden gebracht;
  • hemelvaartsweekend: de reguliere zorgregeling geldt;
  • pinksterweekend: de reguliere zorgregeling geldt waarbij de kinderen op tweede pinksterdag om 08:30 uur naar de andere ouder worden gebracht;
  • Koningsdag: de kinderen verblijven in de even jaren bij vader en in de oneven jaren bij moeder;
  • indien en voor zover het wisselmoment niet op een schooldag valt, brengt de ouder waar de kinderen verblijven de kinderen om 08:30 uur naar de andere ouder.
2.5.
De vader is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2026 is hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken in hoger beroep.

3.De verzoeken

Verzoeken vader
3.1.
De vader verzoekt
primairde door de kinderrechter op 11 april 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zo te wijzigen, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal in de twee weken van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijven, alsmede de verdeling van de zorg- en opvoedtaken gedurende de vakanties als volgt te wijzigen:
- Zomervakantie: de kinderen verblijven in de zomervakantie in de eerste week bij de moeder, waarna ze twee weken bij de vader zullen verblijven, waarna de kinderen één week bij de moeder verblijven en vervolgens twee weken bij de vader;
- Voorjaars- en herfstvakantie: de reguliere zorgregeling geldt;
- Kerstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste week (inclusief de kerstdagen) bij de vader en de tweede week (inclusief oud & nieuw) bij de moeder, en in de oneven jaren omgekeerd.
3.2.
De vader verzoekt subsidiair om vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedtaken die de kinderrechter het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht.
3.3.
De vader verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Verzoeken moeder
3.4.
De moeder verzoekt primair om de verzoeken van de vader af te wijzen. Zij is bang dat de ontspanning bij de kinderen zal wegvallen als zij minder bij de moeder verblijven. Verder zou de moeder dan ook een groot deel van de ontwikkeling van de kinderen missen en wordt de kans groter dat zij als moeder uit beeld raakt bij de kinderen.
3.5.
Subsidiar verzoekt de moeder om, wanneer de kinderrechter de zorgregeling toch aanpast, deze zo te wijzigen dat de kinderen voortaan eens per twee weken in het weekend bij de vader verblijven en de rest van de tijd bij de moeder, en een in het verweerschrift beschreven zorgregeling tijdens vakanties en feestdagen vast te stellen.
3.6.
De moeder verzoekt meer subsidiair om, wanneer de kinderrechter het verzoek van de vader met betrekking tot de reguliere regeling toewijst, de door de vader verzochte vakantieregeling af te wijzen en deze te wijzigen in de in het verweerschrift uitgeschreven regeling.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI is het eens met het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen eens in de twee weken een weekend naar de moeder gaan. Daarbij vindt de GI het belangrijk dat de zorgregeling voor de periode rond de feestdagen vastgelegd wordt in een beschikking. De GI is van mening dat de huidige zorgregeling niet meer in het belang is van de kinderen. Zij laten in hun gedrag zien klem te zitten in hun loyaliteit naar beide ouders en ontregelen ieder op hun eigen manier. Er zijn ernstige zorgen over de hoeveelheid beschuldigingen die beide ouders over elkaar uiten, omdat dit schadelijk is voor de kinderen. Gelet op de aanhoudende beschuldigingen van de moeder, het effect daarvan op de kinderen en de actuele ontregeling van de kinderen, acht de GI een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk. De GI hoopt dat hierdoor meer rust komt en dat de beschuldigingen afnemen.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter wijst de verzoeken tot wijziging van de zorgregeling van de vader af. De kinderrechter komt daarom niet meer toe aan het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
5.2.
Op grond van artikel 1:265g lid 2 Burgerlijk Wetboek kan een met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een eerder door de kinderrechter op verzoek van de GI vastgestelde zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wijziging van omstandigheden
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van de kinderrechter van 11 april 2025, waarin de kinderrechter op verzoek van de GI een zorgregeling heeft bepaald.
5.4.
De wijziging van omstandigheden bestaat eruit dat de moeder sinds april 2025 verschillende meldingen heeft gedaan aan haar hulpverleners, de huisarts en de GI dat de vader de kinderen mishandelt. De moeder betrekt de kinderen bij haar zorgen door foto’s te maken van de blauwe plekken en andere letsels van de kinderen, en hen mee te nemen naar de huisarts voor onderzoek. Daarnaast heeft ze op 7 oktober 2025 aangifte tegen de vader gedaan wegens mishandeling van de kinderen en seksueel misbruik van [minderjarige 1] . De moeder heeft de kinderen toen niet naar de vader laten gaan. Na onderzoek vond de GI dat er geen signalen waren van grensoverschrijdend gedrag van de vader. De moeder heeft de kinderen in opdracht van de GI weer naar de vader laten gaan.
5.5.
Daarnaast is het gedrag van [minderjarige 2] in de afgelopen periode steeds onrustiger geworden, zelfs zo dat hij in november 2025 van school is gestuurd en momenteel thuis zit. Volgens de GI laat [minderjarige 2] op school ernstige gedragsmatige ontregeling en buitenproportioneel gedrag zien. Hij heeft behoefte aan voortdurende co-regulatie. De school kan dit niet meer bieden. Volgens de GI is ook aan [minderjarige 1] ’s gedrag te merken dat zij gefrustreerd is. Ook dit vormt een wijziging van de omstandigheden.
Geen wijziging van de zorgregeling
5.6.
De kinderrechter is het eens met de ouders en de GI dat de situatie van de kinderen erg zorgelijk is. Maar de kinderrechter denkt niet dat de oplossing ligt in een wijziging van de zorgregeling. De kinderrechter legt dit hierna uit.
5.7.
De kinderrechter kan onvoldoende vaststellen dat de gewijzigde omstandigheden een wijziging van de zorgregeling rechtvaardigen waarbij het contact tussen de kinderen en de moeder sterk wordt ingeperkt. De vader heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat er een verband bestaat tussen de omvang van de zorgregeling en de toegenomen beschuldigingen van de moeder. Andersom heeft de vader niet onderbouwd dat de verzochte wijziging van de zorgregeling tot een verbetering van de situatie zal leiden. Kortom, het is voor de kinderrechter niet duidelijk of een wijziging van de zorgregeling op dit moment de zorgen zal verminderen. Het is immers nog maar de vraag of het aantal beschuldigingen van de kant van de moeder zal afnemen als de kinderen minder lang bij haar verblijven.
5.8.
De vader stelt dat de kinderen ontregeld terugkomen van de moeder. Ook de GI stelt dat sprake is van actuele ernstige ontregeling van de kinderen die dusdanig schadelijk is voor de kinderen dat de zorgregeling dient te worden gewijzigd. De moeder bestrijdt dat de kinderen ontregelen door hun verblijf bij haar. Dat betekent dat de vader (en de GI) zijn stellingen moet bewijzen of op zijn minst zo goed mogelijk moet onderbouwen. Maar de vader en de GI hebben geen concrete stukken of verslagen van hulpverleners of de school ingebracht die hun standpunten ondersteunen. De kinderrechter kan daardoor niet vaststellen hoe de hulpverlening van Amerpoort en Kwintes bij de ouders thuis op dit moment verloopt en of de hulpverleners van oordeel zijn dat de toename van de door moeder geuite beschuldigingen, die overigens vóór 11 april 2025 ook veelvuldig voorkwamen, een negatieve invloed heeft (gehad) op de kinderen. Ook is er geen eindrapportage overgelegd van de ouder-kindtherapie die heeft plaatsgevonden bij GGZ-Fornhese, zodat de kinderrechter geen informatie heeft over de ontwikkeling van de kinderen en de ouders op psychisch gebied. Verder kan de kinderrechter niet vaststellen welke afspraken de ouders in het verleden hebben gemaakt over de ophoging van de medicatie van [minderjarige 1] voor haar stoelgang, zodat het lastig is om te beoordelen of de moeder deze afspraken probeert te omzeilen. Ook is het voor de kinderrechter niet duidelijk of en in hoeverre een onnodige ophoging van de medicatie schadelijk voor [minderjarige 1] is. Het had op de weg van de vader gelegen om rapportages over te leggen waaruit een verband tussen de gedragingen van de moeder, de uitbreiding van de zorgregeling en het welzijn van de kinderen kan worden afgeleid. De kinderrechter merkt in dit verband op dat de discussie over het al dan niet medisch ingrijpen bij de kinderen eerder betrekking lijkt te hebben op het gezag dan op de omvang van de zorgregeling.
5.9.
Daarnaast is het de kinderrechter niet duidelijk geworden hoe het steeds moeilijkere gedrag van [minderjarige 2] samenhangt met het gedrag van de moeder en hoe dit in verband met de huidige uitgebreide zorgregeling moet worden gezien. Omdat [minderjarige 2] nog niet diagnostisch onderzocht is, is op dit moment nog niet duidelijk wat er precies aan de hand is met [minderjarige 2] en welk gedeelte van zijn gedrag mogelijk samenhangt met zijn kind-eigen problematiek. De kinderrechter kan niet uitsluiten dat het moeilijke gedrag van [minderjarige 2] wordt veroorzaakt door, bijvoorbeeld, met ADHD samenhangende problematiek. [minderjarige 2] is inmiddels aangemeld bij een school die is gespecialiseerd in onderwijs voor kinderen met een aparte begeleidings- en onderwijsbehoefte, waar gerichte diagnostiek kan worden verricht. Het is goed denkbaar dat het gedrag van [minderjarige 2] in positieve zin zal verbeteren op het moment dat hij naar deze school gaat. Ook zal eventuele diagnostiek meer duidelijkheid kunnen bieden over het gedrag van [minderjarige 2] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. W.M.A. Roseboom als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.