ECLI:NL:RBMNE:2026:1002
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goed vertrouwen
De heer verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €18.453,93, waaronder een concurrente vordering van het CJIB en een schuld aan een autoverhuurbedrijf.
Tijdens de zitting verklaarde verzoeker dat hij veel verkeersboetes heeft gekregen en recent nog een auto heeft gehuurd, ondanks zijn financiële situatie. Hij is bezig met een traject voor werkurenopbouw en werkt vier uur per week om een taakstraf te voldoen. De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 288 lid 1 Fw Pro, waarbij onder meer vereist is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was. De schulden aan het CJIB en de autoverhuurder zijn niet te goeder trouw ontstaan, mede doordat verzoeker een auto huurde terwijl hij al niet in staat was de rekening te voldoen en nieuwe schulden bleven ontstaan. De situatie is te onstabiel en er moet meer inzicht worden verkregen in de schuldensituatie.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing leiden. Hoger beroep is mogelijk binnen acht dagen na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van te goeder trouw zijn.