ECLI:NL:RBMNE:2026:1002

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/16/603569 / FT RK 25/1224
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goed vertrouwen

De heer verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €18.453,93, waaronder een concurrente vordering van het CJIB en een schuld aan een autoverhuurbedrijf.

Tijdens de zitting verklaarde verzoeker dat hij veel verkeersboetes heeft gekregen en recent nog een auto heeft gehuurd, ondanks zijn financiële situatie. Hij is bezig met een traject voor werkurenopbouw en werkt vier uur per week om een taakstraf te voldoen. De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 288 lid 1 Fw Pro, waarbij onder meer vereist is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was. De schulden aan het CJIB en de autoverhuurder zijn niet te goeder trouw ontstaan, mede doordat verzoeker een auto huurde terwijl hij al niet in staat was de rekening te voldoen en nieuwe schulden bleven ontstaan. De situatie is te onstabiel en er moet meer inzicht worden verkregen in de schuldensituatie.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing leiden. Hoger beroep is mogelijk binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van te goeder trouw zijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/603569 / FT RK 25/1224
Vonnis op grond van artikel 288 Fw Pro (afwijzing toepassing van de schuldsaneringsregeling) van 16 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 4 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 9 februari 2026 in aanwezigheid van [verzoeker] en zijn schuldhulpverleenster, [A] van de gemeente Utrecht.

2.De beoordeling

2.1.
Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt dat [verzoeker] een totale schuldenlast heeft van € 18.453,93. Er is een concurrente vordering van CJIB van € 6.873,04. Deze schuld bestaat uit verkeersboetes en vier strafbeschikkingen en is ontstaan in de afgelopen drie jaar. Ook is er een schuld aan Sixt (rent a car) van € 2.005,06 van 20 november 2025, waaruit blijkt dat [verzoeker] recent nog een auto heeft gehuurd.
2.2.
Op de zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij veel verkeersboetes heeft gereden. Hij had toen nog niet zo lang zijn rijbewijs en hij lette toen minder goed op. [verzoeker] geeft aan dat hij geen auto meer heeft. De auto heeft hij, als voorwaarde van het schuldentraject, weg moeten doen. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij op dit moment bezig is met een traject voor urenopbouw voor werk. Daarnaast werkt hij vier uur in de week om aan zijn taakstraf van 175 uur te voldoen. De taakstraf en de strafbeschikkingen zijn naar zeggen van [verzoeker] opgelegd vanwege het gebruiken van lachgas. Hij was hier in het verleden verslaafd aan, maar is hier op eigen kracht mee gestopt. [verzoeker] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij een auto heeft gehuurd omdat hij deze nodig had. Hij heeft aangegeven te veel kilometers te hebben gereden waardoor er extra kosten boven op zijn gekomen.
2.3.
Volgens artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als de schuldenaar verkeert in een uitzichtloze financiële situatie en niet langer in staat is om in de toekomst te kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.
2.4.
Volgens artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als, onder meer, voldoende aannemelijk is dat verzoekende schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend. Bij de beoordeling daarvan zijn onder meer van belang de aard en omvang van de schulden, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin aan de schuldenaar van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden een verwijt kan worden gemaakt en de inspanningen van de schuldenaar zijn schulden te voldoen of zijn acties om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
2.5.
Volgens artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan wat is bepaald in artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub b Fw. De schulden aan het CJIB en de autoverhuurder zijn niet te goeder trouw. De rechtbank is van oordeel dat het aan [verzoeker] zelf toe te rekenen is dat de schuld aan het autoverhuurbedrijf is ontstaan. [verzoeker] was op dat moment al niet in staat om deze rekening te voldoen. Desondanks heeft hij de auto gehuurd en extra kilometers gereden, waardoor er extra kosten boven op zijn gekomen. Verder heeft [verzoeker] een auto van een vriend geleend, ondanks dat hij zijn eigen auto heeft moeten wegdoen aan het start van de minnelijk traject, en heeft daarmee rond 26 december 2025 nog een boete mee gereden. Daarnaast blijven er nieuwe schulden opduiken, die in de afgelopen drie jaar zijn ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van [verzoeker] op dit moment nog te onstabiel is en er meer inzicht moet worden verkregen in de schuldensituatie van [verzoeker] .
2.7.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient daarom te worden afgewezen.
2.8.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, en in de aanwezigheid van de griffier R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026. [1]