ECLI:NL:RBMNE:2026:1003

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/16/23/155 R
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende inspanning schuldenaar

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 16 februari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar. De regeling was eerder al verlengd vanwege tekortkomingen in de nakoming van de sollicitatieplicht.

De bewindvoerder stelde dat de schuldenaar onvoldoende meewerkt en geen sollicitatiebewijzen heeft aangeleverd, terwijl de schuldenaar verklaarde dat hij recent een stabiele woonruimte heeft en hulp via de gemeente zou krijgen, maar nog niet is gestart met solliciteren. Ook gaf hij aan psychische klachten te hebben en op een wachtlijst te staan voor behandeling.

De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar onvoldoende inspanningen heeft geleverd om aan zijn verplichtingen te voldoen, mede omdat hij geen medische stukken heeft overlegd die zijn ontheffing van de sollicitatieplicht onderbouwen. Gezien de omstandigheden en eerdere verlenging van de regeling, is de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd.

De rechtbank stelde het salaris van de bewindvoerder vast en bepaalde dat de schuldenaar na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis in staat van faillissement zal verkeren. Tevens werden een rechter-commissaris en curator benoemd.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling tussentijds wegens onvoldoende inspanning van de schuldenaar en verklaart hem in staat van faillissement.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/23/155 R
Vonnis op grond van artikel 350 lid 3 Fw Pro (tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling) van 16 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Marokko),
wonende te [adres 1] , [postcode] [plaats] .

1.De procedure

1.1.
Bij vonnis van 12 december 2023 is de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op [verzoeker] , met benoeming van mevrouw [bewindvoerder] als bewindvoerder en mr. M.J. Smit als rechter-commissaris. Op 14 mei 2025 heeft er een verificatievergadering plaatsgevonden. Op 2 juni 2025 is er een vonnis gewezen dat de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd tot 12 juni 2026.
1.2.
De bewindvoerder heeft een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. [verzoeker] en de bewindvoerder zijn opgeroepen om te worden gehoord op de zitting van 9 februari 2026.
1.3.
Op de zitting zijn verschenen [verzoeker] en de bewindvoerder.

2.De beoordeling

2.1.
De bewindvoerder schrijft in het verslag dat [verzoeker] de afspraken niet nakomt. Tussen [verzoeker] en de bewindvoerder was de afspraak gemaakt dat hij aan de bewindvoerder zijn sollicitatiebewijzen voor 25 december jl. zou toe zenden. Dit is tot op heden niet gebeurd. Volgens de bewindvoerder spant [verzoeker] zich niet in ten behoeve van zijn schuldeisers, in ieder geval niet op de wijze zoals van hem verwacht kan en mag worden.
2.2.
De bewindvoerder heeft op zitting verklaard dat er via de beschermingsbewindvoerder ontbrekende stukken zijn aangeleverd, in het kader van de financiële situatie. Echter heeft de bewindvoerder tot op heden geen inzicht gekregen op welke manier [verzoeker] zich inspant. De bewindvoerder heeft van [verzoeker] geen informatie ontvangen waaruit zou blijken dat hij zou moeten worden ontheven van zijn sollicitatieplicht. De bewindvoerder is dan ook van mening dat [verzoeker] had moeten solliciteren en door dit niet te doen zich onvoldoende heeft ingespannen.
2.3.
[verzoeker] heeft op de zitting verklaard dat hij op dit moment zijn eigen ruimte heeft bij een locatie van de [instelling] . Drie-vier maanden geleden was hij nog dakloos, hij had geen overzicht en heeft een moeilijke periode achter de rug. [verzoeker] geeft aan dat hij op dit moment zijn zaken beter op orde heeft en dat het beter met hem gaat. Hij zou via de gemeente hulp krijgen met het solliciteren naar werk, maar dat is nog niet van de grond gekomen. [verzoeker] geeft aan dat hij vaak naar de huisarts gaat voor zijn psychische klachten en dat hij op de wachtlijst staat bij Altrecht.
2.4.
Op grond van artikel 350 lid Pro, 3 aanhef en sub c Fw moet worden beoordeeld of de schuldenaar de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen onvoldoende is nagekomen. Het gaat erom of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar heeft ontbroken aan de van zijn te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Hiervan moet aan de schuldenaar een verwijt kunnen worden gemaakt.
2.5.
De rechtbank overweegt dat [verzoeker] zich onvoldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers. De schuldsaneringsregeling is al een keer met een jaar verlengd. De reden van de verlenging was dat [verzoeker] tekort is geschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting. [verzoeker] was ontheven van de sollicitatieverplichting, maar wel onder de voorwaarde dat hij zich zou laten behandelen door een psycholoog vanwege zijn psychische problemen. Dit heeft hij toen niet gedaan, volgens hem zou een (vaste) woonplaats voldoende zijn om zich beter te voelen. [verzoeker] heeft toen onvoldoende meegewerkt aan zijn herstel en het bewerkstelligen van een stabiele woonsituatie, door zich onder andere in de daklozenopvang niet aan de regels te houden zodat hij hier niet meer terecht kon. In het vonnis van 2 juni 2025 is aangegeven dat [verzoeker] in het komende jaar zich zal moeten inzetten voor een stabiele woonsituatie en dat hij aantoonbaar solliciteert volgens de regels van de schuldsaneringsregeling.
2.6.
Aan dit laatste heeft [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank tot op heden niet voldaan. [verzoeker] heeft geen sollicitatiebewijzen aangeleverd en heeft ook geen medische stukken aangeleverd, waaruit zou blijken dat hij niet in staat is om te werken. Hij geeft aan dat hij elke week naar de huisarts gaat en op de wachtlijst staat voor Altrecht, maar de bewindvoerder heeft geen inzicht gekregen in de reden waarom hij naar de huisarts gaat en ook geen doorverwijzingsbrief van de huisarts naar Altrecht. De rechtbank heeft begrip voor het feit dat [verzoeker] een moeilijke periode achter de rug heeft, maar moet ook beoordelen of hij zich aan de regels van de schuldsanering houdt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verzoeker] zich onvoldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, door geen sollicitatiebewijzen aan te leveren en geen inzicht te geven in zijn medische situatie en/of het volgen van een behandeling waardoor hij wellicht had kunnen worden ontheven van zijn sollicitatieverplichting.
2.7.
Daarom is er aanleiding de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 sub c Fw Pro. De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en bepaalt dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis,
3.2.
verstaat dat [verzoeker] van rechtswege in staat van faillissement zal verkeren op grond van artikel 350 lid 5 Faillissementswet Pro, zodra dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;
3.3.
benoemt in het faillissement van [verzoeker] tot rechter-commissaris
mr. P.J. Neijt,
en tot curator M. van Dijk – Middelweerd,
[adres 2] , [postcode] [plaats] ,
3.4.
geeft met ingang van de dag dat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan last aan de curator tot het openen van aan schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
3.5.
De rechtbank stelt het salaris van de bewindvoerder vast op € 3.779,55 inclusief btw en verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, en in aanwezigheid van de griffier R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026. [1]