ECLI:NL:RBMNE:2026:1005

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11432481 UB VERZ 24-745 & 12050292 UB VERZ 26-3
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 BWArt. 4:144 BWArt. 4:147 BWArt. 6:162 BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontslag executeur wegens gebrek aan belang en verwijzing vordering terugbetaling naar dagvaardingsprocedure

De zaak betreft een verzoek van een erfgenaam om de executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van haar overleden vader te ontslaan. De executeur heeft zijn taken nagenoeg afgerond en wacht alleen nog op de aanslag inkomstenbelasting 2022. De kantonrechter oordeelt dat het ontslagverzoek geen redelijk belang meer heeft en wijst het af.

Daarnaast vordert de erfgenaam terugbetaling van een bedrag van € 89.487,43 dat de executeur naar zichzelf heeft overgemaakt. De kantonrechter verwijst deze vordering naar een dagvaardingsprocedure omdat het bedrag hoger is dan € 25.000 en de vordering gebaseerd is op onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, waarvoor een verzoekschriftprocedure niet is toegestaan.

Verder beslist de kantonrechter over de kostenverdeling: de kosten die de erfgenaam in privé heeft gemaakt komen niet ten laste van de nalatenschap, de kosten van de executeur in zijn hoedanigheid van executeur wel. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het verzoek tot ontslag van de executeur wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en de vordering tot terugbetaling wordt verwezen naar een dagvaardingsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Kantonrechter
Locatie Lelystad
zaaknummer: 11432481 UB VERZ 24-745 & 12050292 UB VERZ 26-3
Beschikking d.d. 29 januari 2026
Inzake het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Bisschop,
hierna: [verzoekster] ,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.R. van Leeuwen,
hierna: de executeur of [verweerder] .
Belanghebbende bij het verzoek is
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [belanghebbende] .

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • Het verzoekschrift met producties 1 t/m 32;
  • Het verweerschrift van [belanghebbende] met producties A t/m E;
  • De brief van 24 februari 2025 van [verzoekster] met producties 33 en 34;
  • De brief van 25 februari 2025 van [belanghebbende] met een aanvullende productie;
  • Het verweerschrift van [verweerder] met producties 1 t/m 13;
  • De brief van 4 maart 2025 van [verzoekster] met producties 34 t/m 41;
  • De brief van 5 maart 2025 van [verweerder] met producties 14 en 15.
1.2.
Op 6 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [verzoekster] en [verweerder] samen met hun advocaten aanwezig waren. [belanghebbende] is ook verschenen.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is de procedure aangehouden, omdat partijen zijn verwezen naar mediation.
1.4.
Bij brief van 1 juli 2025 heeft [verzoekster] de kantonrechter laten weten dat de mediation tussen haar en [belanghebbende] heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst tussen hen. Zij wenst deze procedure evenwel voort te zetten, omdat mediation niet heeft geleid tot een oplossing van het geschil tussen haar en [verweerder] .
1.5.
Sindsdien heeft de kantonrechter kennisgenomen van:
  • Het aanvullende verzoekschrift met producties 42 t/m 48;
  • Het verweerschrift van [verweerder] met productie 10.
1.6.
Op 18 december 2025 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [verzoekster] en [verweerder] met hun advocaten aanwezig waren. Ook [belanghebbende] was daarbij aanwezig.
1.7.
Vervolgens is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.De feiten

2.1.
Op [datum] 2022 is [erflater] overleden (hierna: erflater). Hij is de vader van [verzoekster] en [belanghebbende] .
2.2.
Hij heeft voor het laatst een testament gemaakt op 3 september 2018. Hierin heeft hij zijn twee dochters voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap van hun vader beneficiair aanvaard.
2.3.
Verder heeft erflater in zijn testament [verweerder] in de eerste plaats tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder aangewezen en anders en bij opvolging mr. Rafique Jabri. [verweerder] heeft zowel zijn benoeming tot executeur als afwikkelingsbewindvoerder aanvaard en verklaard dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om de schulden te voldoen. Daarom hoeft de nalatenschap van erflater niet vereffend te worden.
2.4.
Erflater was de bedenker, producent en presentator van het programma [programmanaam] dat door Omroep [omroeporganisatie] wordt uitgezonden sinds 2009. De programmarechten zijn ondergebracht in [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). De aandelen in [bedrijf] worden voor 100% gehouden door de Stichting [naam stichting] (hierna: de [naam stichting] ). De certificaten van aandelen worden voor 90% gehouden door (de nalatenschap van) erflater, voor 5% door [verzoekster] en voor 5% door [belanghebbende] . [verzoekster] en [belanghebbende] zijn na het overlijden van erflater samen bestuurders geworden van zowel [bedrijf] als de [naam stichting] .
2.5.
Tussen de zussen is een geschil ontstaan over de programmarechten van [programmanaam] , waarmee de executeur zich heeft bemoeid. Hij heeft [verzoekster] en [belanghebbende] verzocht om over te gaan tot decertificering van de aandelen, zo blijkt uit zijn mail aan de zussen van 16 mei 2024. Hierin legt hij uit dat na decertificering niet langer 90% van de certificaten tot de nalatenschap behoren maar 90% van de aandelen. De executeur zou dan van dit meerderheidsbelang gebruik kunnen maken om een onafhankelijke derde aan te wijzen als bestuurder van [bedrijf] in plaats van de zussen. De executeur stelde daarbij voor om [A] tot bestuurder te benoemen. Die bestuurder kan vervolgens afspraken maken over de programmarechten.
2.6.
Op 24 september 2024 heeft een gecombineerde vergadering van aandeelhouders, certificaathouders en bestuurders van de [naam stichting] plaatsgevonden. Hierop is [verzoekster] door [belanghebbende] , met instemming van de aanwezige certificaathouders, ontslagen als bestuurder van de [naam stichting] . Daarnaast hebben [verweerder] en [belanghebbende] een beroep gedaan op decertificering van hun aandelen. Door het bestuur van de [naam stichting] is vervolgens, met instemming van de aanwezige certificaathouders, besloten om zowel [belanghebbende] als [verzoekster] te ontslaan als bestuurders van [bedrijf] en [A] te benoemen tot enig bestuurder. Dit besluit is bekrachtigd op eenzelfde soort vergadering op 17 oktober 2024.
2.7.
Bij vonnis in kort geding van 16 december 2024 heeft de voorzieningenrechter de besluiten strekkende tot het ontslag van [verzoekster] als bestuurder van [bedrijf] en de [naam stichting] geschorst en bevolen dat [verzoekster] weer moet worden toegelaten tot haar bestuurstaken.
2.8.
Op 11 februari 2025 is opnieuw een gecombineerde vergadering gehouden. Hierop is door [belanghebbende] , met instemming van de aanwezige certificaathouders, besloten tot het ontslag van [verzoekster] als bestuurder van de [naam stichting] .

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt (na aanvulling) dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[verweerder] ontslaat als executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van erflater;
bepaalt dat de kosten die [verzoekster] ten behoeve van dit verzoek heeft moeten maken ten laste van de nalatenschap zullen komen;
bepaalt dat de kosten die de executeur heeft moeten maken ten behoeve van het verweer in deze procedure niet ten laste van de nalatenschap zullen komen;
[verweerder] veroordeelt tot terugbetaling van € 89.487,43 aan de nalatenschap, vermeerderd met de wettelijke rente;
[verweerder] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
De verzoeken onder 1 t/m 3 en 5 zijn geregistreerd onder nummer 11432481 UB VERZ 24-745. Het verzoek onder 4 is geregistreerd onder nummer 12050292 UB VERZ 26-3.
3.3.
[verweerder] voert verweer tegen de verzoeken. Hij had ook zelfstandige tegenverzoeken ingediend, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling van 18 december 2025 verklaard dat hij geen belang meer heeft bij die verzoeken. De kantonrechter beschouwt deze verzoeken daarom als ingetrokken, met uitzondering van zijn verzoek om [verzoekster] in de proceskosten te veroordelen.
3.4.
[belanghebbende] heeft tijdens de laatste mondelinge behandeling gesteld dat de kosten van [verzoekster] en [verweerder] ten laste van het aandeel van [verzoekster] in de nalatenschap van erflater moeten komen en niet ten laste van haar aandeel. De kantonrechter vat dit op als een zelfstandig verzoek van [belanghebbende] en zal hierna beoordelen of dit verzoek kan worden toegewezen.
3.5.
De kantonrechter constateert dat partijen omvangrijke procestukken en een grote hoeveelheid producties in de procedure hebben gebracht. De kantonrechter zal slechts op de stellingen van partijen ingaan, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4.De overwegingen van de kantonrechter

Het ontslagverzoek
4.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om [verweerder] te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van erflater. Een vraag die aan de beoordeling van dit ontslagverzoek vooraf gaat is of [verzoekster] nog belang heeft bij haar verzoek. [verweerder] heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat dit niet zo is. Volgens hem is de afwikkeling van de nalatenschap van erflater bijna afgerond. Hij stelt dat hij nog in afwachting is van de aanslag Inkomstenbelasting 2022. Afgezien van een mogelijk bezwaar tegen deze aanslag, moet de executeur daarna alleen nog rekening en verantwoording afleggen en het resterende saldo verdelen onder de erfgenamen, aldus [verweerder] .
4.2.
Volgens [verzoekster] heeft zij wel degelijk belang bij haar ontslagverzoek. Sterker nog; zij stelt dat haar belang bij het ontslagverzoek door recente ontwikkelingen alleen maar is vergroot. Zo wijst [verzoekster] erop dat haar enige tijd geleden is gebleken dat [verweerder] onterecht een bedrag van in totaal € 89.487,43 naar zichzelf heeft overgemaakt vanaf de ervenrekening. Haar vertrouwen in de executeur is hierdoor nog verder gedaald. De executeur kan volgens haar worden ontslagen zolang zijn beheer niet is geëindigd.
4.3.
De kantonrechter volgt [verweerder] in zijn verweer. De executeur heeft op grond van artikel 4:144 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de taak om de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens het beheer uit de goederen moeten worden voldaan. De executeur moet de nalatenschap zo bezien klaarmaken voor verdeling. [verweerder] heeft onweersproken gesteld dat de nalatenschap klaar is voor verdeling en dat hij alleen nog wacht op de aanslag Inkomstenbelasting 2022, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. [verweerder] heeft zijn werkzaamheden dus (nagenoeg) volbracht. Het ontslag van de executeur dient dan geen redelijk belang meer.
4.4.
Het is ook niet zo dat er nog een taak is weggelegd voor [verweerder] in zijn hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder. [verweerder] is in het testament van erflater wel tot executeur én afwikkelingsbewindvoeder benoemd, maar een dergelijke benoeming wil nog niet zeggen dat daadwerkelijk van een afwikkelingsbewind sprake is. Dit ligt aan de beschrijving van de bevoegdheden die in het testament aan hem zijn toegekend. In het testament is daarover het volgende bepaald:
“Ik benoem mr [verweerder] , thans notaris in de gemeente Laren en
anders en bij opvolging mr Rafique Jabri, thans notaris te Hilversum, tot
executeur en afwikkelings-bewindvoerder van mijn nalatenschap met het recht
een ander in zijn plaats als zodanig aan te stellen en ik verzoek mijn kinderen mijn
uitvaart te verzorgen zoals bij hun moeder.
(..)
De executeur/afwikkelingsbewindvoeder behoeft over de keuze en de
tegeldemaking van goederen van mijn nalatenschap niet in overleg te treden met
de erfgenamen en hun toestemming daarvoor is ook niet vereist. Speciaal is de
executeur bevoegd over goederen uit mijn nalatenschap te beschikken en die in eigendom te leveren of met pand of hypotheek te bezwaren.
(…)
Mijn executeur/afwikkelingsbewindvoerder is niet bevoegd rechtshandelingen te
verrichten met zichzelf als wederpartij.
Mijn executeur dient de kosten voor het familiegraf te Laren uit de nalatenschap voor
een periode van veertig jaren na mijn overlijden, zo mogelijk, af te kopen.
Indien mijn erfgenamen over de verdeling niet tot een besluit kunnen komen zal het
oordeel van mijn vriend [B] de doorslag geven, hetgeen door mijn
executeur zal moeten worden.”
4.5.
De kantonrechter leidt hieruit af dat erflater de bevoegdheden van [verweerder] heeft uitgebreid, in die zin dat hij bevoegd is over de goederen van de nalatenschap te beschikken en deze te bezwaren met pand of hypotheek. Een executeur heeft deze bevoegdheden niet. Een executeur mag slechts goederen te gelde maken, voor zover dit nodig is om de schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:147 BW Pro). Maar in het testament staat niet dat [verweerder] de bevoegdheid heeft om de nalatenschap te verdelen. Sterker nog: uit de tekst van het testament blijkt dat deze bevoegdheid juist toekomt aan de erfgenamen. Er is slechts een rol voor [verweerder] weggelegd als zij er niet uitkomen. Hij moet dan de verdeling overeenkomstig het oordeel van de heer [B] uitvoeren. [verweerder] hoeft dus, anders dan hij zelf stelt, de nalatenschap ook niet meer te verdelen. Alles samengenomen zal de kantonrechter het ontslagverzoek van [verzoekster] dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.
4.6.
De kantonrechter kan zich voorstellen dat deze beslissing voor [verzoekster] lastig te verkroppen is. Zeker omdat op het moment van het indienen van het ontslagverzoek de executele minder ver gevorderd was en [verzoekster] toen mogelijk nog wel een belang bij haar ontslagverzoek zou hebben gehad. In dat geval was de kantonrechter dus wel aan een beoordeling van haar verzoek toegekomen. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoekster] erop gewezen dat de executeur zijn bevoegdheden te buiten is gegaan door zijn bemoeienissen met [bedrijf] (zie hiervoor 2.5 t/m 2.8). Hij heeft zich daarbij bovendien partijdig opgesteld volgens haar. Daarnaast stelt [verzoekster] dat de executeur haar niet of in elk geval onvoldoende van informatie voorziet over de afwikkeling van de nalatenschap en dat hij de nalatenschap niet goed heeft beheerd. Verder heeft zij er, zoals gezegd, op gewezen dat [verweerder] volgens haar onterecht een groot bedrag naar zichzelf heeft overgemaakt uit de nalatenschap. Dit alles samen maakt dat [verzoekster] geen vertrouwen meer heeft in de executeur. [verweerder] heeft hier uitgebreid verweer tegen gevoerd. Desalniettemin kan de kantonrechter zich voorstellen dat [verzoekster] het vertrouwen in [verweerder] in de loop van de executele verloren heeft, maar de kantonrechter komt aan toetsing ervan (bij de huidige stand van de executele) simpelweg niet meer toe. Het voorgaande neemt niet weg dat [verzoekster] andere procedures ter beschikking staan waarin zij eventueel (de gevolgen van) het functioneren van [verweerder] ter discussie kan stellen.
Vordering tot terugbetaling
4.7.
Het staat vast dat [verweerder] op 14 januari 2025 een bedrag van € 16.734,54 naar zichzelf heeft overgemaakt vanaf de ervenrekening. Het betreft een declaratie van werkzaamheden die hij als executeur en afwikkelingsbewindvoerder heeft verricht in 2022. Daarnaast heeft hij op 17 februari 2025 een bedrag van € 72.762,89 naar zichzelf overgemaakt. Dit betreft een declaratie voor verrichte en nog te verrichten werkzaamheden, waaronder begrepen zijn geschatte advocaatkosten voor deze procedure en leges e.d. De overboeking betreft aldus voor een deel een voorschot op zijn loon en zijn advocaatkosten.
4.8.
Volgens [verzoekster] was [verweerder] niet bevoegd om deze bedragen naar zichzelf over te maken. Zij vordert daarom in deze procedure dat de kantonrechter [verweerder] veroordeelt tot terugbetaling van het bedrag van in totaal € 89.487,43. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij haar vordering baseert op onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling. De kantonrechter zal deze vordering van [verzoekster] verwijzen naar de dagvaardingsprocedure bij de rechtbank. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.9.
Uit artikel 261 lid 2 Rv Pro volgt dat alleen díe zaken bij verzoekschrift worden ingeleid ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Daarvan is geen sprake in artikel 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad) of artikel 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), zodat een procedure die hierover gaat moet worden ingeleid met een dagvaarding.
4.10.
In artikel 93 Rv Pro staat welke zaken door de kantonrechter worden behandeld. Uit de aanhef van dit artikel en onder a blijkt dat zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,- door de kantonrechter worden behandeld. Het gaar hier om een vordering met een hoger beloop, namelijk van € 89.487,43. Daarom is niet de kantonrechter maar de rechtbank bevoegd om hiervan kennis te nemen.
4.11.
Artikel 69 Rv Pro schrijft in deze omstandigheden voor dat de kantonrechter de zaak verwijst naar de juiste procedure en kamer. [verzoekster] stelt dat de kantonrechter verwijzing desondanks achterwege moet laten. Volgens haar moet de kantonrechter de beslissing op de vordering in kwestie namelijk om proceseconomische redenen aan zich houden. Zij benadrukt dat niemand gebaat is bij een aparte procedure met alle kosten van dien. Dat geldt volgens haar des te meer nu de vordering samenhangt met de andere verzoeken die in deze procedure zijn gedaan. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [verzoekster] , maar moet de zaak op grond van artikel 69 Rv Pro ambtshalve naar het juiste spoor leiden. Dit kan slechts achterwege blijven als sprake is van misbruik van procesrecht en daarvan is geen sprake. De kantonrechter zal daarom, zoals vermeld, de vordering verwijzen naar de dagvaardingsprocedure bij de rechtbank op de wijze als hierna in het dictum bepaald.
4.12.
De kantonrechter merkt daarbij nog het volgende op. Tussen partijen staat ter discussie of er op dit moment plaats is voor de vordering van [verzoekster] tot terugbetaling van het loon van de executeur. [verweerder] stelt zich (kort gezegd) op het standpunt dat deze vordering voorbarig is. Volgens hem kan de discussie over het loon pas worden gevoerd in het kader van de rekening en verantwoording die hij binnenkort zal afleggen. Dan is immers het moment dat de executeur zijn uitgaves en dus ook de loonbetaling moet verantwoorden, zo stelt hij. [verzoekster] betwist dit. Zij stelt dat het niet gaat om vaststelling van het loon dat inderdaad in het kader van de eindrekening en verantwoording plaatsvindt, maar om een wezenlijk andere situatie, namelijk de situatie dat de executeur geld aan de boedel heeft onttrokken waarop hij geen aanspraak heeft. Het staat haar vrij om daar nu actie op te ondernemen, aldus [verzoekster] . De kantonrechter merkt hierover op dat het aan [verzoekster] is om te bepalen of zij haar vordering tot terugbetaling handhaaft en de procedure voortzet op de manier als hierna in het dictum omschreven of dat zij haar vordering intrekt en eerst de rekening en verantwoording van [verweerder] afwacht. Deze afweging is aan haar.
4.13.
Voor de goede orde wijst de kantonrechter [verzoekster] erop dat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tot terugbetaling als het hierna te noemen exploot van oproeping niet (tijdig) wordt overgelegd en de gedaagde niet in het geding verschijnt.
De kosten die partijen ten behoeve van deze procedure hebben gemaakt
Kosten [verzoekster] ten laste van nalatenschap
4.14.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat de kosten die zij ten behoeve van deze zaak heeft moeten maken, ten laste van de boedel komen. Dit zou tot gevolg hebben dat [belanghebbende] voor de helft moet bijdragen aan de kosten die [verzoekster] heeft gemaakt. Los gezien van de vraag wat de grondslag is van dit verzoek en om welke kosten het gaat, ziet de kantonrechter hier geen reden voor. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Kosten [verzoekster] en [verweerder] ten laste van aandeel [verzoekster]
4.15.
[belanghebbende] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 18 december 2025 gesteld dat de kosten van [verzoekster] en [verweerder] ten laste van het aandeel van [verzoekster] in de nalatenschap van erflater moeten komen, en dus niet ten laste van haar aandeel. Zij licht toe dat [verzoekster] het nodig vindt om te procederen, maar zij niet.
4.16.
De kantonrechter overweegt dat de kosten die [verzoekster] heeft gemaakt ten behoeve van deze procedure überhaupt niet ten laste van de nalatenschap komen. Dit zijn immers kosten die [verzoekster] in privé heeft gemaakt. Zij moet deze kosten in principe zelf betalen, eventueel uit haar aandeel in de nalatenschap van erflater. Voor wat betreft de kosten van [verweerder] ligt dit anders. De kosten die hij heeft gemaakt in zijn hoedanigheid van executeur, zijn in beginsel kosten van executele die ten laste van de nalatenschap komen (zie hierover uitgebreider 4.17 en verder). Dit heeft tot gevolg dat de kosten door [verzoekster] en [belanghebbende] samen worden gedragen. De kantonrechter ziet niet in waarom alleen [verzoekster] die kosten zou moeten dragen. Voor zover [belanghebbende] bedoelt te stellen dat dit redelijk is omdat niet zij maar [verzoekster] de ontslagprocedure is begonnen, geldt dat dit niet uitmaakt.
Kosten [verweerder] niet ten laste van nalatenschap
4.17.
[verzoekster] vraagt de kantonrechter ook om te bepalen dat de kosten die de executeur stelt te maken ten behoeve van zijn verweer, niet ten laste van de boedel komen. Volgens haar zou de executeur anders beloond worden met een vergoeding van zijn kosten, terwijl deze procedure er juist op is gericht om hem te ontslaan. Dat zou volgens haar in tegenspraak zijn met elkaar.
4.18.
De kantonrechter is het echter met [verweerder] eens dat zijn advocaatkosten in principe ten laste van de nalatenschap komen. Uit artikel 4:7 BW Pro volgt namelijk dat de kosten van executele schulden van de nalatenschap zijn. Uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1587) blijkt dat er slechts aanleiding kan zijn om te bepalen dat de executeur zijn kosten zelf moet betalen, als hij gelet op zijn taak en de vervulling daarvan in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van die kosten. Daarbij zijn in elk geval van belang de aard van de kosten, de reden voor het ontstaan daarvan, de verwijtbaarheid en de vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap.
4.19.
Het is niet zo dat in zijn algemeenheid gezegd kan worden dat de kosten die de executeur ten behoeve van zijn verweer in een ontslagprocedure maakt ten laste van hem in privé moeten komen als hij verliest (zoals [verzoekster] in feite heeft betoogd). Het gaat erom of de executeur, die zijn positie staande wilde houden, daarvoor redelijke advocaatkosten heeft gemaakt. Het is dus aan [verzoekster] om te stellen en te onderbouwen dat hiervan geen sprake is en dat heeft zij op dit moment niet, of in elk geval onvoldoende, gedaan. Dat is ook begrijpelijk, aangezien [verzoekster] nog niet over de informatie beschikt om te beoordelen of de advocaatkosten redelijk zijn, zoals de factuur van de advocaatkosten en bijbehorende urenverantwoording. De executeur zal deze informatie bij zijn rekening en verantwoording moeten overleggen. Daarom komt de vraag in hoeverre de kosten van executele voor rekening van de executeur komen over het algemeen pas aan de orde bij de rekening en verantwoording van de executeur. Zo bezien is dit verzoek van [verzoekster] voorbarig.
4.20.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] dat ziet op de kosten voor rechtsbijstand van [verweerder] ook afwijzen.
Proceskosten
4.21.
Partijen hebben over en weer om een proceskostenveroordeling gevraagd. Maar de kantonrechter acht het redelijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
Ten aanzien van de vordering tot terugbetaling (12050292 UB VERZ 26-3)
5.1.
beveelt dat [verzoekster] op haar kosten overgaat tot verbetering of aanvulling van het inleidende processtuk;
5.2.
verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van
22 april 2026 om 10:00 uur;
5.3.
beveelt [verzoekster] om de wederpartij met inachtneming van de wettelijke termijnen tegen de hiervoor genoemde datum en tijd te dagvaarden onder betekening van deze beslissing en van het inleidend verzoekschrift en het exploot van dagvaarding uiterlijk één dag eerder dan voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie aan te bieden;
5.4.
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
5.5.
stelt [verzoekster] in de gelegenheid haar stellingen zo nodig aan te passen op de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan;
Ten aanzien van de overige verzoeken (11432481 UB VERZ 24-745)
5.7.
wijst de verzoeken af;
5.8.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G. van de Streek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..