Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1009

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/2797
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning op basis van verkoopcijfers rond waardepeildatum

Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2023, vastgesteld op €608.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaaft deze waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen in dezelfde straat zijn opgenomen, verkocht rond de waardepeildatum.

De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de marktwaarde is, bepaald via de vergelijkingsmethode aan de hand van verkoopprijzen van referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar zijn en rond de waardepeildatum zijn verkocht. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de referentiewoningen geschikt zijn en dat rekening is gehouden met verschillen in voorzieningen en onderhoudsstaat.

Eiser voert aan dat een woning aan een ander adres met een lagere WOZ-waarde identiek is aan zijn woning, maar de rechtbank wijst dit af omdat die woning niet rond de waardepeildatum is verkocht en WOZ-waarden niet als onderbouwing mogen worden gebruikt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde blijft gehandhaafd en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €608.000,- wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2797

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] ,verweerder
(gemachtigde: D.J. Koopmans)

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] (de woning) in [plaats] voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 608.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing gebouwd opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 22 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
1.4.
Het beroep is behandeld op de zitting van 10 februari 2026. Eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten
2. De woning is een in 1935 gebouwde tussenwoning met een dakkapel van 2 m² en een berging/schuur van 11 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 102 m².
Geschil
3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 608.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 504.000,-.
Beoordelingskader
4. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 8 december 2021 voor € 636.141,-;
- [adres 3] ,verkocht op 1 maart 2022 voor € 675.000,-;
- [adres 4] , verkocht 5 mei 2022 voor € 716.000,-.
Beoordeling van het geschil
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen tussenwoningen in dezelfde straat in [plaats] zijn die niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning, onder andere voor wat betreft het voorzieningenniveau en de staat van onderhoud door voor de woning een woningwaarde onder de prijs per m² van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
8. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Beroepsgronden
[adres 5]
9. Eiser stelt dat de woning aan de [adres 5] een lagere WOZ-waarde heeft dan zijn woning, terwijl de woning aan de [adres 5] aan de achterzijde is uitgebouwd en een dakkapel heeft. Volgens eiser zijn de woningen identiek aan elkaar en beschikken ze nagenoeg over evenveel grondoppervlakte.
9.1
De heffingsambtenaar voert aan dat de WOZ-waarde wordt vastgesteld aan de hand van verkoopcijfers van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum. De woning aan de [adres 5] is niet verkocht rond de waardepeildatum. Eiser maakt verder een vergelijking met een WOZ-waarde. WOZ-waarden kunnen niet gebruikt worden ter onderbouwing, dat is niet conform de waardebepaling van de Wet WOZ. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar vastgesteld dat de uitbouw en de dakkapel van de woning aan de [adres 5] ten onrechte niet zijn meegenomen in de waardering van de WOZ-waarde van die woning. Dit doet echter niks af aan de WOZ-waardering van de woning van eiser.
9.2
De rechtbank overweegt dat de waarde van een woning voor elk belastingjaar opnieuw moet worden bepaald aan de hand van daadwerkelijk gerealiseerde verkoopcijfers van referentiewoningen op of rond de waardepeildatum. Daarbij is de waarde die voor eerdere belastingjaren aan de woning, of andere woningen is toegekend niet van belang.
Ook kan een gemiddelde algemene waardestijging niet als maatstaf worden gebruikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit de vergelijking met de WOZ-waarde van de woning aan de [adres 5] en een gemiddelde WOZ-waardestijging niet kan worden afgeleid dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.