Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning uit 1930, gelegen op een perceel van 315 m², met een gebruiksoppervlakte van 113 m². De heffingsambtenaar had de waarde na bezwaar verlaagd van €475.000 naar €458.000 voor het belastingjaar 2024 met waardepeildatum 1 januari 2023.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde moet worden bepaald volgens de vergelijkingsmethode, waarbij verkoopcijfers van referentiewoningen rond de waardepeildatum worden gebruikt. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd met vijf referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en kwaliteit voldoende vergelijkbaar zijn. De prijs per m² van de woning ligt aanzienlijk lager dan die van de referentiewoningen.
Eiser voert aan dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar zijn vanwege het bouwjaar en de nabijheid van een bom uit de Tweede Wereldoorlog. De rechtbank stelt echter vast dat de taxateur rekening heeft gehouden met deze factoren door de ligging als onder gemiddeld te kwalificeren en de staat van onderhoud als matig. De rechtbank concludeert dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.