ECLI:NL:RBMNE:2026:1015

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/16/604755 / FA RK 25-2575
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging partneralimentatie wegens gewijzigde draagkracht man tijdens echtscheidingsprocedure

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting en voeren een echtscheidingsprocedure. De vrouw verzocht om verhoging van partner- en kinderalimentatie, terwijl de man dit betwistte en lagere bedragen voorstelde.

De rechtbank oordeelt dat de draagkracht van de man is gewijzigd, nu hij aangeeft €641 te kunnen betalen aan partneralimentatie naast de kinderalimentatie. De vrouw heeft een laag inkomen en behoefte aan partneralimentatie. De rechtbank verhoogt de partneralimentatie naar €1.027 bruto per maand, inclusief belastingvoordeel voor de man.

Andere door de vrouw aangevoerde gewijzigde omstandigheden, zoals haar woonsituatie en het vermogen van de man, leiden niet tot wijziging. De rechtbank wijst verzoeken tot verrekening van voorschotten en kostenveroordeling af. De beslissing geldt voor de duur van de echtscheidingsprocedure.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige voorziening en bepaalt dat de man €1.027 bruto per maand partneralimentatie betaalt vanaf 19 februari 2026, overige verzoeken worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/604755 / FA RK 25-2575
Wijziging voorlopige voorzieningen
Beschikking van 19 februari 2026
in de zaak van:
[de vrouw], de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Koudstaal,
tegen
[de man], de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Askamp.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, binnengekomen op 29 december 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen en een aantal voorwaardelijke verzoeken van de man, binnengekomen op 29 januari 2026;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 30 januari 2026;
  • het bericht van de man met bijlage van 4 februari 2026.
1.2.
De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 5 februari 2026. Daarbij waren partijen met hun advocaten aanwezig.
1.3.
De advocaat van de vrouw heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
1.4.
De advocaat van de man heeft op de zitting zijn processtuk van 4 februari 2026 en zijn pleitnotitie voorgedragen.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn op 15 september 2012 met elkaar getrouwd onder het laten
opmaken van huwelijkse voorwaarden inhoudende een koude uitsluiting. Er loopt een echtscheidingsprocedure bij deze rechtbank.
2.2.
Partijen hebben samen kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] .
2.3.
In de beschikking van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank, voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
  • beslist dat de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] ;
  • een zorgregeling vastgesteld met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • beslist dat de man een bedrag van € 460,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen, omdat de man onvoldoende draagkracht had om nog enig bedrag aan partneralimentatie te betalen.
2.4.
De vrouw verzoekt om de beschikking van 31 oktober 2025 te wijzigen, in die zin dat een kinderalimentatie wordt bepaald van € 600,- per maand per kind en een partneralimentatie wordt bepaald van € 4.164,- bruto per maand vanaf 1 december 2025.
2.5.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Hij stelt dat de verzoeken van de vrouw afgewezen moeten worden en verzoekt om te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. Subsidiair heeft de man verzocht om de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van maximaal € 641,- per maand en om te bepalen dat het reeds door de man betaalde voorschot van € 2.000 per maand in mindering strekt op de eventueel vast te stellen alimentatie. Meer subsidiair heeft de man verzocht om te bepalen dat de kinderalimentatie wordt verlaagd naar € 350,- per kind per maand en dat de partneralimentatie wordt vastgesteld binnen de beschikbare draagkrachtruimte van de man.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank beslist dat de beschikking van 31 oktober 2025 met betrekking tot de bijdrage in de kosten voor levensonderhoud van de vrouw wordt gewijzigd en bepaalt dat de man een bedrag van € 1.027,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen met ingang van de datum van deze beschikking. De overige verzoeken worden afgewezen.
Hierna legt de rechtbank deze beslissingen uit.
Het juridisch kader
3.2.
Een beschikking voorlopige voorzieningen kan door de rechtbank worden gewijzigd of ingetrokken, als de omstandigheden nadien in zodanige mate zijn gewijzigd of als bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Dit is een strenge toets. Niet bij elke wijziging van omstandigheden en niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid is wijziging van de voorziening mogelijk. Met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking nemend’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging van omstandigheden en onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn.
De beoordeling
Wijziging partneralimentatie in verband met draagkracht aan de zijde van de man
3.3.
De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt dat de omstandigheden sinds de beschikking van 31 oktober 2025 zijn gewijzigd omdat de man nu zelf stelt dat hij een draagkracht heeft van € 641,- voor partneralimentatie als de kinderalimentatie ongewijzigd blijft. Die wijziging is ook voldoende om de beschikking van 31 oktober 2025 niet in stand laten. Dat de man al een bedrag van € 2.000,- netto per maand betaalt aan de vrouw als voorschot op de vermogensrechtelijke afwikkeling, doet daar niet aan af aangezien dat niet hetzelfde is als partneralimentatie. De rechtbank volgt de vrouw verder in haar standpunt dat zij wel degelijk behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Uit de beschikking van 31 oktober 2025 blijkt dat partijen in 2025 een netto gezinsinkomen hadden van € 7.178,- per maand. Verminderd met de kosten van de kinderen (€ 1.632,-) resteert een bedrag van € 5.546,-. Op basis van de Hofnorm had de vrouw in 2025 een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.328,-. Uit de salarisstroken van de vrouw blijkt dat zij slechts een inkomen heeft van afgerond € 800,- bruto per maand. De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt dat de vrouw meer zou moeten kunnen verdienen. In deze spoedprocedure moet de rechtbank namelijk alleen een tijdelijke ordemaatregel nemen en daarbij kijkt de rechtbank naar hoe de situatie nu is. In de latere echtscheidingsprocedure kan wel van belang zijn of de vrouw meer kan verdienen. Met een bruto maandinkomen van slechts € 800,- is de vrouw niet in staat om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Dat betekent dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Ondanks dat de exacte hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw niet duidelijk is, gaat de rechtbank ervan uit dat de aanvullende behoefte van de vrouw de draagkracht van de man overstijgt.
3.4.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de partneralimentatie die de man moet betalen volledig aftrekbaar is binnen de middelste belastingschrijf (37,56%), zoals blijkt uit de website van de Belastingdienst. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 1.027,- bruto per maand.
3.5.
De rechtbank ziet, anders dan de vrouw, geen aanleiding om een geheel nieuwe berekening te maken voor de kinder- en partneralimentatie. De rechtbank zal hierna ingaan op de door de vrouw aangevoerde argumenten en uitleggen waarom deze standpunten niet gevolgd worden.
Geen verdere wijziging van omstandigheden
3.6.
In de eerste plaats stelt de vrouw dat zij door de beslissing over het uitsluitend gebruik van de woning op straat is komen te staan, terwijl zij slechts een inkomen heeft van € 700,- bruto per maand en partijen onder koude uitsluiting zijn getrouwd, waardoor de vrouw nu moet interen op haar vermogen door een bedrag van € 2.000,- per maand aan te nemen van de man als voorschot op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Daar komt bij dat de vrouw nu een huurwoning heeft met een huurprijs van € 1.900,- per maand. Dit maakt volgens de vrouw dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat een wijziging van de beschikking van 31 oktober 2025 gerechtvaardigd is.
3.7.
De rechtbank is het met de vrouw eens is dat dit een heel vervelende situatie is en dat duidelijk is dat zij op dit moment niet de welstand geniet die zij gewend was tijdens het huwelijk. Toch zijn deze argumenten geen nieuwe omstandigheden die kunnen leiden tot een wijziging van de eerdere beschikking, maar zijn die slechts het gevolg van de beslissing van de rechtbank. Deze omstandigheden waren dus al voorzienbaar ten tijde van de beschikking van de rechtbank.
3.8.
De rechtbank volgt de vrouw ook niet in haar standpunt dat uit het feit dat de man nu ook in staat is om zijn woning te verbouwen om een zelfstandige woonruimte voor zijn meerderjarige zoon [naam] te realiseren volgt dat hij draagkracht zou hebben voor partneralimentatie. Voor zover de vrouw stelt dat haar belangen zwaarder wegen dan die van [naam] en dat dit een wijziging van de beschikking rechtvaardigt, is dit naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw feit. Dat betekent dat dit standpunt niet kan leiden tot een wijziging van de beschikking van 31 oktober 2025.
3.9.
Uit de jaaropgave van 2025 van de man blijkt dat hij inmiddels een bruto jaarinkomen heeft van € 98.000,- in plaats van het inkomen van € 90.720,- waar de rechtbank van uit is gegaan in de eerdere beschikking. Dit is echter niet een zodanige wijziging dat de alimentatie gewijzigd zou moeten worden. Met een stijging door inflatie wordt namelijk al rekening gehouden door de wettelijke indexering van de te betalen alimentatie.
3.10.
Het feit dat inmiddels de IB-aangifte van 2024 beschikbaar is, is op zich een nieuw gegeven. De rechter volgt de vrouw echter niet in haar standpunt dat daaruit blijkt dat de man een aanzienlijk hoger inkomen heeft dan waar de rechtbank in de beschikking van 31 oktober 2025 van uit is gegaan. Voor zover de vrouw nu stelt dat de huuropbrengsten van de [adres 2] , die de man heeft opgevoerd in zijn IB-aangifte van 2024, moet worden opgeteld bij zijn inkomen, volgt de rechtbank haar niet in dat standpunt. De vrouw heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de economische eigendomsoverdracht van de appartementen aan de [adres 2] aan de kinderen van de man (aan zijn meerderjarige kinderen uit een eerder huwelijk en aan zijn twee kinderen uit het huwelijk met de vrouw) niet rechtsgeldig zou zijn. De man heeft voldoende onderbouwd dat dit wel het geval is. Bovendien heeft de vrouw meegetekend voor deze overdracht. Verder heeft de man voldoende onderbouwd dat de inkomsten van de minderjarige kinderen uit dit vastgoed conform de belastingregels op zijn belastingaangifte staan vermeld, omdat die minderjarige kinderen zelf geen aangifte kunnen doen. Daarmee zijn het niet ineens eigen inkomsten die de draagkracht van de man verhogen. De rechtbank heeft gelet op de standpunten van de man op dit moment geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van zijn belastingaangiftes.
Geen sprake van onjuiste of onvolledige gegevens in de beschikking van 31 oktober 2025
3.11.
Ten aanzien van het standpunt van de vrouw dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gekeken naar het inkomen dat de man in redelijkheid kan verwerven, mede door dividenduitkeringen, overweegt de rechtbank dat in de beschikking van 31 oktober 2025 niet in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat die beschikking niet in stand kan blijven. De rechter heeft in die beschikking het volgende overwogen: “
Anders dan de moeder stelt gaat de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen onderzoek doen naar de eventuele mogelijkheid van de vader om aan zichzelf dividend uit te keren. Een voorlopige voorziening is een ordemaatregel waar geen ruimte is voor een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van de ouders. Bovendien kan de rechtbank de berekening van de moeder ook niet volgen omdat zij inkomsten uit meerdere boxen op een hoop gooit in haar berekening en ervan uit lijkt de gaan dat de vader nagenoeg zijn hele onderneming leeg trekt van vermogen. Dat kan sowieso niet van de vader verwacht worden, want dan komt de continuïteit van de onderneming in gevaar. In de echtscheidingsprocedure kan wel aan de orde komen of de vader zich meer kan uitkeren dan hij nu doet.” Dat de vrouw hier anders over denkt en van mening is dat de rechtbank in een voorlopige voorzieningenprocedure wel degelijk ‘door de BV heen gekeken moet worden’, maakt niet dat de beschikking van de rechtbank niet aan de wettelijke maatstaven voldoet.
3.12.
De vrouw heeft zelf een deskundige ingeschakeld, de heer [A] (hierna: [A] ), die de financiële stukken van de man heeft beoordeeld en concludeert dat de man zichzelf een salaris kan toekennen van € 98.000,- bruto per jaar en een bruto dividenduitkering kan doen van in totaal € 60.000,-. In de eerste plaats omdat er geld in de BV van de man is vrijgekomen sinds de vrouw op 1 november 2025 van de loonlijst is afgehaald en in de tweede plaats omdat de man 50% van het resultaat van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2020 tot en met 2024 (€ 60.000,-) zou kunnen uitkeren als dividend. Als kanttekening noemt [A] wel dat door het ontbreken van voldoende liquiditeiten het uitkeren van dividend door de uitkeringstest op dit moment maar beperkt mogelijk is.
De man betwist de gehele analyse van [A] . De man is niet betrokken in deze analyse. De man stelt dat hij inmiddels een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met [bedrijf] B.V. Verder stelt hij dat [A] de elementaire fout maakt om brutosalaris en bruto dividend bij elkaar op te tellen alsof dit gelijkwaardige bedragen zijn, terwijl dit fiscaal onjuist is. Daar komt bij dat een dividenduitkering van € 60.000,- niet verantwoord is zonder de continuïteit van het bedrijf in gevaar te brengen.
De rechtbank is het met de vrouw eens dat er in beginsel geld moet zijn vrijgekomen in de onderneming van de man door de vrouw van de loonlijst af te halen. Het dienstverband van de vrouw was fictief. Dat betekent dat de vrouw feitelijk geen werkzaamheden uitvoerde in de onderneming en voor haar dus geen vervanging gezocht hoefde te worden. Dat de man een overeenkomst heeft gesloten met [bedrijf] B.V. staat hier naar het oordeel van de rechtbank dan ook los van. Echter, de rechtbank kan niet vaststellen of de man het deel dat is vrijgekomen geheel kan uitkeren aan dividend. Dat is te kort door de bocht. Er kunnen bijvoorbeeld redenen zijn waarom het inhuren van [bedrijf] B.V. nodig is. Om dit goed te kunnen beoordelen, is een grondige analyse van de gehele onderneming van de man nodig en daar is in een voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte voor, zoals door de rechtbank op 31 oktober 2025 ook al is overwogen.
3.13.
De rechtbank volgt de vrouw ook niet in haar standpunt dat de beschikking gewijzigd moet worden omdat de rechtbank geen rekening zou hebben gehouden met de jaarlijkse uitkering van AEGON van € 2.751,- per jaar. Los van het feit dat de man stelt dat dit bedrag verdisconteerd zit in zijn inkomen waar de rechtbank mee heeft gerekend, is de hoogte van dit bedrag tegen het bruto jaarinkomen van de man van ruim € 90.000,- dusdanig klein dat de invloed op de draagkracht niet zo groot zal zijn. Dit is dus niet een zodanige mate van onjuistheid of onvolledigheid dat de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.
3.14.
Voor zover de vrouw stelt dat de rechtbank in de beschikking van 31 oktober 2025 ten onrechte is uitgegaan van het woonbudget aan de zijde van de man, omdat zijn werkelijke woonlasten volgens de vrouw lager zijn (wat overigens door de man wordt betwist), volgt de rechtbank haar niet in dit standpunt. Uit de berekening die is gehecht aan de beschikking van 31 oktober 2025 blijkt dat de rechtbank heeft gerekend met een woonbudget van € 1.430,- aan de zijde van de man. Dat bedrag is lager dan de netto woonlast die de man volgens de vrouw zou hebben (€ 1.912,-).
3.15.
Tevens voert de vrouw aan dat de rechtbank heeft miskend dat de vrouw altijd de hoofdverzorger is geweest van de kinderen. De vrouw stelt daarbij niet hoe de rechtbank daar dan rekening mee had moeten houden. Het verzoek om partneralimentatie is immers niet afgewezen omdat de vrouw geen behoefte heeft aan partneralimentatie, maar omdat de rechtbank van oordeel was dat de man onvoldoende draagkracht had voor partneralimentatie. Bovendien heeft de rechtbank geen rekening gehouden met enige verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw.
3.16.
Vervolgens stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft miskend dat de man vermogend is en in redelijkheid op zijn vermogen kan interen. De vrouw stelt dat de man beschikt over een vermogen van circa € 4.000.000,-, zowel zakelijk als privé. De man stelt daartegenover dat dit vermogen niet liquide is. Een deel van het vermogen van de man zit in zijn woning en een deel zit in zijn BV. De rechtbank is van oordeel dat van de man niet kan worden verwacht dat hij inteert op zijn vermogen, al dan niet door zijn woning te verkopen, om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van de vrouw. Ten aanzien van het vermogen in de BV heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is voor een grondige analyse met betrekking tot de vraag of de man vermogen uit zijn BV kan halen door dividend uit te keren.
3.17.
Tot slot stelt de vrouw dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 579.312,50 waarover zij nu niet kan beschikken omdat de man dit vergoedingsrecht betwist. De man betaalt nu maandelijks een bedrag van € 2.000,- aan de vrouw als voorschot op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. De vrouw stelt dat zij hierdoor een schuld opbouwt, en dat de rechtbank daar in de beschikking van 31 oktober 2025 geen rekening mee heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat dit een geschilpunt is dat in de bodemprocedure aan de orde moet komen. De rechtbank kan en zal daar nu geen rekening mee houden.
De ingangsdatum
3.18.
De rechtbank bepaalt dat de man het bedrag van € 1.027,- bruto per maand met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw moet betalen.
Het voorschot van € 2.000,- per maand
3.19.
Uit artikel 822 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt welke voorzieningen de rechter kan treffen, namelijk:
bepalen dat één der echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
bevelen dat ieder der echtgenoten aan de andere echtgenoot beschikbaar zal stellen de goederen tot diens dagelijks gebruik strekkend, alsmede de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik van de kinderen;
bepalen aan wie der echtgenoten ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen zal worden toevertrouwd, waarbij tevens, indien het kind niet reeds in de macht van die echtgenoot mocht zijn, de afgifte van dat kind aan hem zal worden bevolen, en bovendien het bedrag bepalen dat de andere echtgenoot voor de verzorging en opvoeding van ieder der kinderen moet betalen;
een regeling vaststellen inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de omgang tussen het kind en de echtgenoot die niet het gezag uitoefent alsmede inzake het verschaffen van informatie dan wel het raadplegen van de echtgenoten over de minderjarige kinderen van de echtgenoten;
het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot.
3.20.
De man verzoekt om te bepalen dat het reeds door de man betaalde voorschot van € 2.000,- per maand in mindering strekt op de eventueel vast te stellen alimentatie. De rechtbank zal dat verzoek afwijzen. Een verzoek over een voorschot op de verdeling valt niet onder de hiervoor genoemde voorzieningen. Dat betekent dat dit verzoek daarom niet in een voorlopige voorzieningenprocedure gedaan kan worden.
De proceskosten
3.21.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, zoals de man verzoekt. De beschikking van 31 oktober 2025 wordt immers gewijzigd omdat de man nu zelf stelt dat hij wel draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten voor levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt.

4.De beslissing

Voor de duur van de echtscheidingsprocedure
de rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2025 met betrekking tot de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en beslist dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 1.027,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
4.2.
beslist dat de man vanaf vandaag deze bijdrage steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.3.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
4.4.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.J. van Elsdingen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.