Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, binnengekomen op 29 december 2025;
- het verweerschrift met bijlagen en een aantal voorwaardelijke verzoeken van de man, binnengekomen op 29 januari 2026;
- het bericht met bijlage van de vrouw van 30 januari 2026;
- het bericht van de man met bijlage van 4 februari 2026.
2.Waar deze procedure over gaat
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] .
- beslist dat de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] ;
- een zorgregeling vastgesteld met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- beslist dat de man een bedrag van € 460,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.De beoordeling
Anders dan de moeder stelt gaat de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen onderzoek doen naar de eventuele mogelijkheid van de vader om aan zichzelf dividend uit te keren. Een voorlopige voorziening is een ordemaatregel waar geen ruimte is voor een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van de ouders. Bovendien kan de rechtbank de berekening van de moeder ook niet volgen omdat zij inkomsten uit meerdere boxen op een hoop gooit in haar berekening en ervan uit lijkt de gaan dat de vader nagenoeg zijn hele onderneming leeg trekt van vermogen. Dat kan sowieso niet van de vader verwacht worden, want dan komt de continuïteit van de onderneming in gevaar. In de echtscheidingsprocedure kan wel aan de orde komen of de vader zich meer kan uitkeren dan hij nu doet.” Dat de vrouw hier anders over denkt en van mening is dat de rechtbank in een voorlopige voorzieningenprocedure wel degelijk ‘door de BV heen gekeken moet worden’, maakt niet dat de beschikking van de rechtbank niet aan de wettelijke maatstaven voldoet.