ECLI:NL:RBMNE:2026:1016

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/16/592332 / FA RK 25-764
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herstelbeschikking bijdrage kosten verzorging en opvoeding minderjarige

De moeder verzocht de rechtbank om de vader te verplichten vanaf 1 januari 2023 een bedrag van €335 per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind. Dit verzoek werd later gewijzigd tot een bijdrage van €179,08 per maand vanaf 1 november 2025. De rechtbank bepaalde bij beschikking van 26 november 2025 dat de vader vanaf die datum €189 per maand moest betalen.

De vader verzocht vervolgens om verbetering van deze beschikking, stellende dat de bijdrage maximaal €179,08 per maand had mogen zijn. De rechtbank stelde de moeder in de gelegenheid te reageren, die zich op het eerdere oordeel beriep.

De rechtbank oordeelde dat een verbetering alleen mogelijk is bij een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die eenvoudig te herstellen is. Het vaststellen van een bijdrage van €189 per maand, ook al zou dit buiten de rechtsstrijd van partijen zijn, vormt geen dergelijke fout. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag ter onderbouwing en wees het verzoek van de vader af.

De beslissing werd genomen door kinderrechter A.M.J. van der Weide en griffier S. Clement en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van de beschikking inzake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/592332 / FA RK 25-764
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.F. van Drenth,
tegen
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.P. Biesbroek.

1.Het verzoek tot verbetering

1.1.
De advocaat van de vader heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 28 november 2025 verzocht de beschikking van deze rechtbank van 26 november 2025 te verbeteren.
1.2.
De rechtbank heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek tot het geven van een herstelbeschikking. De advocaat van de moeder heeft per bericht van 15 december 2025 laten weten zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

2.Waar gaat het verzoek tot verbetering over?

2.1.
Bij verzoekschrift heeft de moeder verzocht om te bepalen dat de vader met ingang van 1 januari 2023 een bedrag van € 335,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Bij brief van 17 oktober 2025 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij – voor zover relevant – verzoekt te bepalen dat de vader met ingang van 1 november 2025 met een bedrag van € 179,08 per maand moet voldoen aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
2.2.
In de beschikking van 26 november 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de vader vanaf de datum van de beschikking een bedrag van € 189,- per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
2.3.
De vader stelt dat dat de rechtbank een bijdrage van maximaal € 179,08 per maand had mogen vaststellen. De vader is daarom van mening dat de beschikking hersteld dan wel aangevuld moet worden.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek tot verbetering af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
3.2.
De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in zijn beschikking verbeteren. [1] Van een kennelijke fout is sprake als voor partijen en anderen direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. Verder moet het gaan om een fout die eenvoudig te herstellen is.
3.3.
Nog daargelaten of de rechtbank met het vaststellen van een bijdrage van € 189,- per maand buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, is het buiten de rechtsstrijd treden van partijen geen kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 23 van de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:3967). De rechtbank zal het verzoek van de vader om die reden afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek om herstel af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.M.J. van der Weide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering