3.3.1.Feiten 1, 2 en 3 primair (aangever [slachtoffer 2] )
3.3.1.1. Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 3 primair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen.De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 17 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis.Er kwam een personenauto naar ons toe
rijden. Ik herkende de personenauto als de auto waarin [verdachte] altijd rijdt. Ik hoorde [verdachte] uit zijn personenauto schreeuwen dat hij ons dood ging rijden en ons allemaal dood ging maken.
Ik ben hierop nog wat dichter richting de auto van [verdachte] gelopen. Ik zag [verdachte] vervolgens met zijn hand uit het geopende raam komen. Ik zag dat [verdachte] een busje in zijn hand had. Ik zag dat er uit dit busje een vloeistof richting mijn gezicht gespoten werd. Ik voelde toen vloeistof op mijn gezicht komen. Ik voelde meteen dat dit een brandend gevoel gaf in mijn gezicht en ogen.
Ik zag dat [verdachte] ter hoogte van het zebrapad zijn auto keerde en mijn kant op kwam rijden. Ik stond op dat moment nog midden op de rijbaan. Ik zag dat [verdachte] in zijn auto steeds dichterbij kwam en hierbij niet afremde. Ik ben toen opzij gesprongen om niet geraakt te worden.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris op 6 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik stond nog midden op de weg en op een gegeven moment kwam hij mij te dichtbij en dacht ik: dit ga ik niet redden. Toen ben ik naar de andere kant van de weg gelopen. Toen stuurde hij op mij in. Hij reed toen dus op de verkeerde weghelft. Ik ben op de stoeprand bij de bushalte gesprongen. Ik kon net op tijd aan de kant, het was rakelings.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 18 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis. Op enig moment zag ik een zwarte BMW 1 serie op ons af rijden. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Ik zag dat het voertuig toen stopte en ik zag dat [slachtoffer 2] toen richting de auto liep. Ik hoorde dat [verdachte] in de richting van [slachtoffer 2] meerdere doodsbedreigingen uitte. Ik hoorde [verdachte] in woorden van gelijke strekking zeggen: “Ik maak je kankerdood!”
Ik zag dat [slachtoffer 2] naast het bestuurdersportier stond met zijn gezicht richting [verdachte] . Ik zag dat [slachtoffer 2] bleef staan en ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen: “Ben je nou serieus pepperspray in mijn ogen aan het spuiten?” Ik zag dat enige momenten later dat het shirt van [slachtoffer 2] geel was door een bepaalde vloeistof.
Ik zag [slachtoffer 2] in de richting van de bushalte liep en ik zag dat hij hier op de rijstrook stil bleef staan. Ik zag dat [verdachte] toen zijn auto keerde. Ik zag dat [verdachte] toen weer richting [slachtoffer 2] kwam rijden. Ik zag dat de auto van [verdachte] versnelde. Ik hoorde dat de auto van [verdachte] heel veel toeren maakte. Ik zag dat [verdachte] recht op [slachtoffer 2] af reed. Ik zag dat [slachtoffer 2] toen de rijstrook aan de zijde van de bushalte overstak en op de stoep in het bushokje ging staan. Ik zag dat het voertuig van [verdachte] , tegen de richting in, in de richting van [slachtoffer 2] reed. Ik zag dat [slachtoffer 2] toen niet geraakt is.
Een proces-verbaal van bevindingen van 17 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 17 augustus 2024 kregen wij het verzoek om te gaan richting Wilnis. Wij spraken de eerste melder en tevens aangever, welke later bleek te zijn [slachtoffer 2] . Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen dat [verdachte] pepperspray in zijn ogen had gesprayd vanuit de auto.Omdat [slachtoffer 2] zichtbaar last had van zijn ogen en ook aangaf dat hij last had van een branderig gevoel, hebben wij hem een oogdouche gegeven.
De verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting van 4 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 2] kwam naar mijn auto toegelopen. Ik heb mijn raam geopend en met een busje pepperspray uit het raam gespoten.
3.3.1.2. Bewijsoverwegingen
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er een confrontatie heeft plaats gevonden op 17 augustus 2024 tussen de verdachte en de aangever [slachtoffer 2] . Hierbij heeft de verdachte “Ik maak je/jullie dood” naar de aangever geroepen. Deze woorden zijn in de kern en naar hun aard bedreigende woorden, waardoor bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte de aangever iets aan zou doen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Mishandeling
Verder heeft de verdachte met pepperspray in het gezicht van de aangever gespoten. De verdachte heeft verklaard dat het ging om een klein straaltje en zegt dat hij de aangever niet heeft geraakt. Dit wordt echter weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er een gekleurde vloeistof op het shirt van de aangever zat en dat de aangever zichtbaar last had van zijn ogen. De politie heeft de aangever niet voor niets daarom een oogdouche gegeven. Als gevolg van het spuiten van pepperspray in het gezicht van de aangever heeft hij pijn ondervonden, door hem omschreven als een branderig gevoel. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.
Poging tot zware mishandeling
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank ook vast dat de verdachte met zijn auto op de aangever is ingereden. De verdachte is op de aangever afgereden, waarbij hij versnelde en niet afremde. Toen de aangever naar de andere kant van de weg liep, heeft de verdachte op hem ingestuurd waardoor hij op de verkeerde weghelft terechtkwam en tegen de richting in reed. De aangever is op de stoeprand gesprongen, waardoor de aangever net niet is geraakt.
De vraag is vervolgens of de verdachte met zijn handelen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat het handelen van de verdachte doelbewust was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor het de vraag is of uit het handelen van de verdachte kan worden afgeleid dat hij daar opzet op had in voorwaardelijke zin. Daarvan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
De te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto worden – naar algemene ervaringsregels – in belangrijke mate bepaald door de snelheid van de auto. Indien met meer dan geringe snelheid wordt gereden, bestaat de aanmerkelijke kans dat een voetganger daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Hoewel de snelheid in dit geval niet exact kan worden bepaald, acht de rechtbank wel bewezen dat de verdachte met een meer dan geringe snelheid heeft gereden. Dat leidt tot de conclusie dat de kans dat de aangever zwaar lichamelijk letsel op zou lopen, aanmerkelijk was.
De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank die aanmerkelijk kans ook aanvaard, door versneld op aangever af te rijden en in te sturen en niet te remmen of uit te wijken om een aanrijding de voorkomen. Bovendien bevond verdachte zich daarbij, zonder legitieme reden, op de voor hem als automobilist verkeerde weghelft. Dat de aanrijding uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, is niet aan de verdachte te danken, maar aan de aangever die net op tijd op de stoep kon springen.
Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had om aan de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan.
3.3.2.Feiten 4 primair en 5 (aangever [slachtoffer 1] )
3.3.2.1. Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de feiten 4 primair en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen.De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 17 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis. Ik zag een auto aan komen rijden. Ik zag dat het een
BMW was. Ik zag dat [verdachte] in de auto zat.
Ik zag dat de BMW keerde. Ik zag dat [verdachte] nog steeds de bestuurder was. Ik zag dat de BMW nu weer op mij af kwam. Ik zag dat de BMW versnelde. Ik hoorde de motor hoge toeren maken. Ik zag dat de BMW vanaf de weg het fietspad voor mij op reedt. Dit deed de BMW op ongeveer tien meter afstand van mij. Ik zag de BMW nog steeds op mij af komen. Ik probeerde opzij te stappen en achter het bushokje te gaan staan. Ik zag dat de BMW ook van richting veranderde en nog steeds op mij af kwam. Ik probeerde toen de andere kant op te stappen, in de richting van de weg. Dit lukte niet. Ik voelde dat de auto mijn knie raakte. Ik ging schuin over de auto heen en viel op de grond. Ik heb ook schaafwonden op mijn rug. Ik dacht echt dat hij mij dood zou rijden. Nadat ik op de grond lag, zag ik dat de BMW weg reed.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 18 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis.Ik zag dat [verdachte] terug kwam rijden over de Pieter Joostenlaan. Op dat moment keek ik naar [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] stond op dat moment aan de andere kant van de weg op het fietspad. Ik zag dat [slachtoffer 1] de weg overstak en mijn kant op liep. Ik zag dat [slachtoffer 1] de twee weghelften overstak en op het stukje stoep stapte. Ik zag dat [verdachte] dichterbij was gekomen. Ik zag, op het moment dat [slachtoffer 1] de weg was overgestoken en bij de stoep was aangekomen, dat [verdachte] naar links stuurde. Ik zag dat [verdachte] op de andere weghelft reed. Ik zag dat [slachtoffer 1] doorliep en van de stoep naar de overgang met het fietspad liep. Op dat moment zag ik dat [verdachte] met vier banden de stoep en het fietspad opreed. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar de auto van [verdachte] keek. Ik zag [slachtoffer 1] de auto probeerde te ontwijken. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar de rand van de stoep liep en hierna terug in de richting van het bushokje. Ik zag dat [slachtoffer 1] werd geraakt door de auto van [verdachte] . Ik zag dat de voorzijde van de auto [slachtoffer 1] raakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de motorkap van de auto viel. Ik zag dat [slachtoffer 1] van de motorkap afviel, op de grond. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond bleef liggen. Ik zag iets later dat [verdachte] was weggereden.
3.3.2.2. Bewijsoverwegingen
Poging tot zware mishandeling
Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er, op diezelfde dag, 17 augustus 2024, ook een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt vast dat de verdachte met zijn auto op de aangever is ingereden en dat hij de aangever daarbij ook daadwerkelijk heeft geraakt. De verdachte is op de aangever afgereden, waarbij hij versnelde en niet afremde. Toen de aangever de straat overstak heeft de verdachte naar links, richting de aangever, gestuurd, waarbij hij op de verkeerde weghelft terechtkwam. Vervolgens is de verdachte met zijn hele auto over de stoep en het fietspad gereden. De aangever probeerde de auto van de verdachte te ontwijken, maar hij is toch geraakt door de voorzijde van de auto. De aangever viel op de motorkap en vervolgens op de grond.
Ook in dit geval rijst de vraag of de verdachte met zijn handelen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat het handelen van de verdachte doelbewust was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor het de vraag is of uit het handelen van de verdachte kan worden afgeleid dat hij daar opzet op had in voorwaardelijke zin. Daarvan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Niet geheel duidelijk is met welke snelheid de verdachte op de aangever is afgereden. De verdachte heeft verklaard dat hij wilde stoppen bij het bushokje waar [getuige 2] zich bevond en daar is de aangever aangereden. Een hoge snelheid zal de auto bij het bushokje niet meer hebben gehad. Wel is de verdachte op het slachtoffer afgereden en heeft daarbij geen moeite gedaan een aanrijding te voorkomen, hij is niet uitgeweken en heeft voor hem niet geremd. De verdachte is zelfs nog, zonder legitieme reden, de stoep en het fietspad opgereden om bij de bushalte (waar meerdere mensen, waaronder aangever, stonden) te komen. Uiteindelijk is de aangever daar aangereden, op een plaats waar hij daarop niet berekend hoefde te zijn. Door de impact rolde de aangever over de motorkap. Was hij blijven staan of had de auto hem net anders geraakt, dan was ernstig (been)letsel redelijkerwijs te verwachten geweest. De kans op zwaar lichamelijk letsel was aanmerkelijk en de verdachte heeft die kans door de manier waarop hij heeft gereden ook bewust aanvaard.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had om aan de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij de onder 4 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan.
Verlaten plaats ongeval
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na het aanrijden van de aangever is weggereden, terwijl de aangever letsel had. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval.