ECLI:NL:RBMNE:2026:1040

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
16.191183.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met verkeersongeval en letsel bromfietser

Op 24 januari 2025 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval op de Zuidereinde te 's-Graveland door een inhaalmanoeuvre uit te voeren terwijl een inhaalverbod gold en een bromfietser in tegengestelde richting naderde. De bromfietser liep daarbij een fractuur aan zijn voet op en was tijdelijk arbeidsongeschikt.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelde door het inhaalverbod te negeren, de situatie verkeerd in te schatten en niet tijdig te remmen. Roekeloosheid en zeer onvoorzichtig rijgedrag werden niet bewezen, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met het feit dat verdachte geen eerdere veroordelingen had, berouw toonde en afhankelijk is van zijn rijbewijs voor werk en privé.

De rechtbank wees de eis van de officier van justitie af die een hogere taakstraf en onvoorwaardelijke rijontzegging vorderde, vanwege een lagere mate van schuld. De straf weerspiegelt de ernst van het ongeval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland te Lelystad op 18 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 uur taakstraf en geheel voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met verkeersongeval en letsel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.191183.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2002] in [geboorteplaats] (Roemenië),
wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A.P.M. van Weegen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M.G. Eckhardt (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren, als bestuurder van een personenauto op de Zuidereinde zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen;
subsidiairop 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren, als bestuurder van een voertuig op de Zuidereinde de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden en daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel werd veroorzaakt;
meer subsidiairop 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren, als bestuurder van een voertuig gevaar op de weg aan het Zuidereinde heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag ten gevolge waarvan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde roekeloosheid.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de ten laste gelegde roekeloosheid en het zeer onvoorzichtige en/of onoplettende rijgedrag. De advocaat stelt zich op het standpunt dat uitsluitend het aanmerkelijk onvoorzichtige en/of onoplettende rijgedrag bewezen kan worden verklaard.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De verdachte heeft erkend dat hij de aanrijding met de bromfiets heeft veroorzaakt.
De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijke schuld had aan deze aanrijding waarbij de bestuurder fors lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Omdat niet om vrijspraak is gevraagd hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 maart 2026 [2] ;
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict van 17 maart 2025, genummerd PL0900-2025024408-11, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende een onderzoek naar het verkeersongeval, doorgenummerde pagina 12 e.v.;
- een brief van Tergooi MC van 24 januari 2025, houdende de vaststelling van een arts dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeluk een fractuur heeft opgelopen in zijn voet, doorgenummerde pagina 80 e.v.;
- een geneeskundige verklaring van [slachtoffer] van 31 januari 2025, houdende de verklaring van een arts over de medische toestand van [slachtoffer] en de prognose van herstel, doorgenummerde pagina 79 e.v.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast, die overigens niet ter discussie hebben gestaan tussen partijen.
Op 24 januari 2025 omstreeks 07.10 uur heeft in ’s Graveland een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] betrokken waren. Uit de Verkeersongevallenanalyse volgt dat het ten tijde van het verkeersongeval donker en regenachtig was. De verdachte bestuurde op het Zuidereinde een Toyota en [slachtoffer] kwam in tegengestelde richting aangereden op een bromfiets. De verdachte reed achter een Dacia en wilde deze inhalen. Hij zag de bromfietser aan komen rijden, maar schatte in dat hij genoeg tijd had om de Dacia in te kunnen halen. Dit bleek echter niet het geval te zijn en de verdachte en [slachtoffer] kwamen met elkaar in botsing. Als gevolg van de botsing heeft [slachtoffer] een fractuur opgelopen aan zijn linkervoet en heeft enige tijd niet kunnen werken.
Mate van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro (hierna: WVW)
Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Er moet tenminste sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval geen sprake is van roekeloos rijgedrag. Daarvoor is vereist dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Hiervan is niet gebleken. Dat geldt ook voor de vraag of sprake was van zeer onvoorzichtig rijgedrag, zoals de officier van justitie te bewijzen acht. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van die onderdelen in de tenlastelegging.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het ongeval aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro 1994 is te wijten. De rechtbank komt tot die conclusie op basis van het volgende.
De verdachte heeft een inhaalmanoeuvre gemaakt, terwijl op de Zuidereinde een inhaalverbod geldt. Dit blijkt uit het verkeersbord dat aan het begin van de weg is geplaatst. De verdachte is langs dit bord gereden op de dag van het verkeersongeval. De verdachte is vóór die dag al vaker langs het verkeersbord gereden, aangezien hij voor zijn werk altijd over de Zuidereinde rijdt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dus op de hoogte had moeten zijn van het inhaalverbod. De verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat je wel mocht inhalen, gelet op de onderbroken streep op het wegdek. De Zuidereinde is echter een smalle weg én het was donker en regenachtig. Los van het inhaalverbod was het dan ook niet een geschikt moment en geschikte plaats om een andere auto in te halen, terwijl er een bromfietser in tegengestelde richting aan kwam rijden. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij zag dat de inhaalmanoeuvre niet zou slagen op de rem had moeten trappen, om weer achter de Dacia plaats te nemen. De verdachte heeft er echter voor gekozen om extra gas te geven en is daardoor in botsing gekomen met de bromfietser.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden op meerdere momenten onvoldoende oog heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat hij tijdelijk niet heeft kunnen werken.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
primair
op 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (Toyota Yaris, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg Zuidereinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend een inhaalverbod te negeren, een personenauto in te halen waarbij hij op de weghelft tegemoetkomend verkeer heeft gereden en vervolgens een tegemoetkomende bromfietser heeft aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994
4.2.
Strafbaarheid feiten verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een taakstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert,
  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 3 maanden.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte in staat is een taakstraf uit te voeren. De advocaat verzoekt een lagere taakstraf aan de verdachte op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.
De advocaat voert verder aan dat de verdachte sterk afhankelijk is van zijn rijbewijs voor zowel werk als privé. De advocaat verzoekt daarom om een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van de verdachte op te leggen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft in de ochtend van 24 januari 2025 met zijn auto een verkeersongeval veroorzaakt. Daarbij is [slachtoffer] , die in tegengestelde richting op een bromfiets kwam aanrijden, ernstig gewond geraakt aan zijn linkervoet. De verdachte had echter helemaal niet mogen inhalen gelet op een inhaalverbod. De verdachte heeft dit toch gedaan en daarbij een verkeerde inschatting gemaakt, waardoor hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] .
Als bestuurder van een auto had de verdachte voorzichter moeten handelen. Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] weken met zijn voet in het gips moeten lopen en heeft hij daardoor niet kunnen werken. Vervolgens heeft hij nog enige tijd moeten revalideren.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 26 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Bovendien houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte zijn dagelijks werk niet goed kan bereiken als hij niet mag autorijden.
Strafkader
Bij het bepalen van de straf overweegt de rechtbank dat verdachte verwijtbaar tekort is geschoten in zijn zorgplicht in het verkeer. Als hij bij het besturen van zijn auto oplettender was geweest, had dit ongeval voorkomen kunnen worden. Verder weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer als gevolg van het verkeersongeval lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Hij heeft zijn leven op orde. De verdachte heeft verder zijn rijbewijs hard nodig voor werk en familie. Ook heeft verdachte oprecht berouw getoond en heeft hij op meermalen aangegeven dat hij graag in contact wil komen met het slachtoffer om persoonlijk zijn excuses aan te bieden.
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 60 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een lagere mate van schuld komt dan de officier van justitie.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

7.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvan
60 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
-
ontzegtde verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 maanden;
  • bepaalt dat de ontzegging
  • als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en
mr. P.C. Quak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet als griffier, en is in
het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (Toyota Yaris, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Zuidereinde zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een inhaalverbod te negeren, een personenauto in te halen waarbij hij op de tegemoetkomende weghelft heeft gereden en vervolgens een tegenliggende bromfietser heeft aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren als bestuurder van een voertuig (Toyota Yaris, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Zuidereinde, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door een inhaalverbod te negeren, een personenauto in te halen waarbij hij op de tegemoetkomende weghelft heeft gereden en vervolgens een tegenliggende bromfietser heeft aangereden, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren als bestuurder van een voertuig (Toyota Yaris, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Zuidereinde, een inhaalverbod heeft genegeerd, een personenauto heeft ingehaald waarbij hij op de tegemoetkomende weghelft heeft gereden en vervolgens een tegenliggende bromfietser heeft aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.