Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1045

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3346
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering te veel betaalde WAO-uitkering wegens zelfstandige inkomsten in 2022

Eiser is sinds 1999 arbeidsongeschikt en ontvangt een WAO-uitkering. In 2022 heeft het Uwv op basis van gegevens van de Belastingdienst de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld, waarbij zijn inkomsten als zelfstandige zijn betrokken. Dit leidde tot een lagere uitkering en een terugvordering van €7.105,74 wegens te veel betaalde uitkering.

Eiser betwist dat zijn zelfstandige inkomsten in 2022 mogen worden betrokken, omdat hij stelt dat hij deze werkzaamheden al vóór zijn ziekmelding in 1998 verrichtte. Hij voert aan dat hij daardoor recht heeft op een vrijstelling. Eiser heeft nieuw bewijs overgelegd, maar de rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij vóór 1998 zelfstandige inkomsten had.

De rechtbank volgt de eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op vrijstelling. De enkele omstandigheid dat in 2002 en 2006 geen terugvordering plaatsvond ondanks hoge winst, is onvoldoende bewijs. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van het te veel betaalde bedrag.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van te veel betaalde WAO-uitkering over 2022.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3346

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.B.M. Swart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

Wat ging er aan deze procedure vooraf?
1. Op 8 september 1998 heeft eiser zich voor zijn werk als [functie] ziekgemeld na een ongeval op het werk. Het Uwv heeft aan eiser met ingang van 7 september 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Per 16 januari 2000 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45% en per 19 juni 2015 is de WAO-uitkering weer gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiser heeft naast zijn WAO-uitkering werkzaamheden verricht als zelfstandige. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt ieder jaar na informatie van de Belastingdienst vastgesteld.
Waar gaat deze procedure over?
2. Het Uwv heeft met het besluit van 31 juli 2024 (het primaire besluit I) op basis van de gegevens van de Belastingdienst over eisers inkomsten in het jaar 2022 de fictieve mate van eisers arbeidsongeschiktheid in het jaar 2022 vastgesteld op 77,66%. Eisers uitkering is hierdoor gebaseerd op een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Het Uwv heeft daarop eisers WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 gewijzigd en vastgesteld op € 1.137,09 bruto per maand exclusief vakantiegeld. Over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 heeft het Uwv de uitkering gewijzigd en vastgesteld op € 1.157,75 bruto per maand exclusief vakantiegeld. Volgens het Uwv blijkt hieruit dat eiser meer WAO-uitkering heeft ontvangen dan waar hij recht op had. Het Uwv heeft met het besluit van 1 augustus 2024 (het primaire besluit II) het te veel betaalde bedrag van € 7.105,74 van eiser teruggevorderd.
3. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Op 20 januari 2025 heeft eiser zijn bezwaren tijdens een telefonische hoorzitting toegelicht.
4. Met een besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Het geschil

7. Kern van het geschil is of eiser de inkomsten die hij in 2022 als zelfstandige had ook al had ten tijde van zijn ziekmelding op 8 september 1998. Als dat zo is mag het Uwv de inkomsten die eiser als zelfstandige verdiende niet of slechts gedeeltelijk betrekken bij de vaststelling van zijn uitkering in 2022.
Over een aantal voorgaande belastingjaren heeft ditzelfde geschil ook gespeeld. Zo heeft deze rechtbank ten aanzien van belastingjaar 2015 en 2016 een uitspraak gedaan. [1] In het hoger beroep heeft de CRvB in 2022 uitspraak gedaan. [2]
8.1
Het Uwv vindt dat de inkomsten van eiser als zelfstandige in het jaar 2022 moeten worden betrokken bij de vaststelling van het recht op de WAO-uitkering in 2022. Er geldt voor die inkomsten geen vrijstelling en het Uwv verwijst daarvoor ook naar de uitspraak van de CRvB. Dit leidt ertoe dat het Uwv het te veel betaalde bedrag aan WAO-uitkering van eiser moet terugvorderen.
8.2
Eiser is het hier niet mee eens. Hij blijft op zijn standpunt dat hij zijn werk als zelfstandige ook al verrichtte vóór zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het Uwv mag daarom die inkomsten niet verrekenen met zijn uitkering. Hij is bekend met de conclusie van de CRvB dat hij niet heeft aangetoond dat hij voor een vrijstelling in aanmerking komt. Hij heeft echter in bezwaar nieuwe feiten en nieuw bewijs naar voren gebracht om aan te tonen dat er wel recht bestaat op een - al dan niet gedeeltelijke - vrijstelling van zijn inkomsten.

Beoordeling van het geschil

Wel recht op vrijstelling
9. Eiser voert aan dat hij in bezwaar nieuw bewijs aan het Uwv heeft overgelegd om aan te tonen dat hij recht heeft op een vrijstelling. Het Uwv heeft dit nieuwe bewijs volgens eiser ten onrechte niet in de heroverweging betrokken. Eiser doelt op het overzicht met de nettowinst over de boekjaren 2001 tot en met 2022, waaruit blijkt dat in het jaar 2002
€ 20.464 en in het jaar 2006 € 22.075 winst is gemaakt. Die winst heeft over die jaren geen invloed gehad op zijn uitkering, aangezien over die jaren geen terugvordering heeft plaatsgevonden. Eiser stelt dat daaruit is af te leiden dat het Uwv er van uit ging dat er wel een (gedeeltelijke) vrijstelling was. Het verweer dat eiser die jaren een lager arbeidsongeschiktheidspercentage had is juist, maar de winst was destijds zo hoog dat er ook dan toch nog een terugvordering had moeten plaatsvinden. Dat dat niet is gebeurd, is dus een indirecte aanwijzing dat het Uwv ervan uitging dat er een vrijstelling van toepassing was en die zou dan ook in 2022 van toepassing moeten zijn.
10. Zoals de CRvB in 2022 heeft geoordeeld is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij voor zijn ziekmelding al werkzaamheden verrichtte als zelfstandige en dat er daarom een vrijstelling zou moeten zijn voor zijn inkomsten uit zelfstandige arbeid. De CRvB vond dat eiser tot dan toe daarin niet was geslaagd. Het gaat nu om de vraag of wat eiser nu als nieuw bewijs voorhoudt wel voldoende is om daarmee aannemelijk te maken dat hij al voor zijn ziekmelding inkomsten als zelfstandige had.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat het Uwv over de jaren 2002 en 2006 niet heeft teruggevorderd ondanks de hoge winst is onvoldoende om daarmee aan te tonen dat hij al voor 1998 inkomsten als zelfstandige had en daarom recht heeft op een vrijstelling. In 2002 en 2006 was sowieso eisers uitkering gebaseerd op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid waardoor hij al meer inkomsten mocht hebben zonder direct invloed te hebben op de mate van arbeidsongeschiktheid. Het is dus sowieso onduidelijk of eiser daadwerkelijk te veel uitkering heeft ontvangen over de jaren 2002 en 20026. En als dat al zo was, is het goed voorstelbaar dat er bij het Uwv een berekeningsfout is gemaakt ten aanzien van de resterende inkomsten en er daardoor onbedoeld ten onrechte niet is teruggevorderd over die jaren 2002 en 2006. Alles bij elkaar zijn er te veel onzekerheden om de niet teruggevorderde uitkering over de jaren 2002 en 2006 als bewijs te zien dat eiser recht had op een vrijstelling.
Terugbetalingsregeling
12. Op de zitting is eisers beroepsgrond over een mogelijke herziening van de huidige betalingsregeling van € 25,- per maand besproken. De gemachtigde van het Uwv heeft onder verwijzing naar het verweerschrift toegelicht dat eiser voor het inkomensonderzoek tot nu toe geen informatie heeft overgelegd om opnieuw de aflossingscapaciteit vast te stellen. Als eiser blijft weigeren het formulier met de gevraagde informatie op te sturen, kan het Uwv besluiten om een ander – hoger - termijnbedrag dan de huidige € 25,- op te leggen. Tegen dat besluit kan eiser bezwaar maken. Op dit moment is er nog geen besluit over aanpassing van de betalingsregeling. Eiser heeft daarom deze beroepsgrond op zitting ingetrokken.

Conclusie en gevolgen

13. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat eisers inkomsten als zelfstandige in 2022 moeten worden betrokken bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid die ten grondslag ligt aan de hoogte van eisers WAO-uitkering. Het Uwv heeft dan ook terecht een bedrag van € 7.105,74 bruto aan in 2022 te veel uitbetaalde WAO-uitkering van eiser teruggevorderd.
14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.