Eiser heeft op 18 juni 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 52 weken een besluit genomen, waardoor eiser een ingebrekestelling stuurde op 26 augustus 2025. Na het verstrijken van de termijn heeft eiser op 4 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen, uiterlijk op 12 augustus 2026, zijnde 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 50,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 53,-. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het recht op mondelinge behandeling. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en griffier L. El Kabch op 3 februari 2026.