Eiser heeft op 4 november 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waarna eiser een ingebrekestelling stuurde op 11 november 2025 en vervolgens op 27 november 2025 beroep instelde tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn door verweerder is verlengd met zes maanden, zoals blijkt uit een brief van 1 april 2025, waardoor de uiterste beslisdatum op 29 december 2026 ligt. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €50 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €15.000, en stelt de reeds opgelopen dwangsom vast op €1.442. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€467) en het betaalde griffierecht (€53).